Interview

Katja Heitmann: haar werk is pleidooi voor het pure lichaam

Rijzende ster: performance Katja Heitmann heeft een oude, internetloze telefoon. Verrassend voor een choreografe die veel technologie in haar werkt gebruikt. Maar logisch voor iemand die zich conservator noemt.

Foto Andreas Terlaak

Al tijdens haar opleiding aan de Fontys Dansacademie in Tilburg viel Katja Heitmann (1987) op met bijzonder, doordacht conceptueel werk, waarbij zij graag over de grenzen van de dans keek. Naar mime bijvoorbeeld, een vorm waarin ze meer vrijheid ervoer dan in vastgelegde, geformaliseerde choreografie. En ook naar performance, beeldende kunst en technologie. Daarmee is Heitmann een typische exponent van een generatie dansmakers die oude categorieën en denken in hokjes afwijst. Ze is ook een van de origineelste onder hen.

Ook met haar commentaar op de onverzadigbare behoefte van de hedendaagse mens om de wereld te beheersen, toont Heitmann zich een kind van haar tijd. In de serie voorstellingen die zij tussen 2014 en 2017 maakte, gebruikte zij iPads, telefoons en augmented reality. Haar tragische, levende robots doken zowel binnen als buiten het theater op; de choreografe zoekt graag interactie in de publieke ruimte op.

Snot en tranen als ontroerend protest tegen de drang naar perfectie

Pandora’s Dropbox, een relatief ‘traditionele’ voorstelling, was het voorlopige einde van die serie. De zes uiterst traag, precies gelijk bewegende dansers creëerden een dystopisch mensbeeld, waarin technologische rationalisatie extreem is doorgevoerd, tot op het lijf. Elke beweging – zitten, liggen, tillen – werd secuur verdeeld over zes tellen, alles met een wezenloze glimlach en lege ogen, die keurig om de zes tellen knipperden. De oncontroleerbaar trillende spieren, de zweetdruppels, het snot en de tranen verschenen als ontroerend, menselijk protest tegen de drang naar perfectie en maakbaarheid.

Eigenlijk is haar hele, jonge oeuvre impliciet een pleidooi voor een (her)waardering van het pure lichaam en de informatie die dáárin besloten ligt. Genoeg reden om die te conserveren in een archief en tentoon te stellen, net als alle andere zaken die wij gewend zijn voor het nageslacht te bewaren. Waarom zouden de specifieke eigenschappen van een kleine beweging niet de moeite van het bewaren waard zijn?

Die gedachte ligt ten grondslag aan Museum Motus Mori, een van de meest prikkelende projecten van 2019. Zes weken lang konden bezoekers van het Maastrichtse Marres na een korte inleiding rondlopen door de witte expositieruimtes. Op de begane grond werden bewegingsinterviews afgenomen van ‘gewone’ Maastrichtenaren. Zij doneerden persoonlijk, alledaags bewegingsmateriaal (hun manier van staan, zitten, liggen, lopen en dergelijke), dansers legden die in detail vast op grote vellen papier. Dat almaar uitdijende archief – ook onderdeel van de Motus Mori – vormde het materiaal voor de expositie op de bovenverdieping, waar het erfgoed van dagelijkse bewegingen werd tentoongesteld door dansers in een eenvoudige slip. Dankzij het trage tempo kon elke huidplooi en spieraanspanning zorgvuldig worden bestudeerd, waarbij de neutrale uitdrukking paradoxaal genoeg een sterk emotionele lading kreeg en vragen opriep over menselijkheid, vergankelijkheid, esthetiek.

Voor Heitmann was Museum Motus Mori een mijlpaal waarin alles op zijn plaats viel. De duur van het project, het publiek toegankelijke werkproces, de meerlagige rol van de bezoekers, van zichzelf en de dansers – al die elementen vormen een aanzet tot het „nomadische instituut voor bewegingserfgoed” dat zij zich voorstelde, met de dansers en zichzelf als bewegingsconservatoren. Volgend jaar krijgt Museum Motus Mori een verdere uitwerking in Düsseldorf. Hopelijk sluiten meer Nederlands musea zich aan.