Faro-nabestaande: ‘Er is nu gerechtigheid, maar we blijven verliezers’

Luchtvaartramp Na 28 jaar oordeelt de rechter dat de Nederlandse autoriteiten fout zaten bij de afhandeling van de Faro-ramp. Niet alleen het noodweer was de oorzaak, zegt een luchtvaartdeskundige.

De cockpit van de DC-10 van Martinair die op 21 december 1992 verongelukte op het vliegveld van Faro.
De cockpit van de DC-10 van Martinair die op 21 december 1992 verongelukte op het vliegveld van Faro. Foto Epa

Er zijn vele tranen gevloeid in Maassluis sinds de uitspraak, woensdag, van de rechtbank Den Haag over de vliegramp bij het Portugese Faro in 1992. „We hebben er niet op durven hopen, het is niet te geloven”, verzucht Corrie Vroombout (63) uit Maassluis. Zij zat samen met haar man Iem (67) en hun enige dochter Brenda in het ramptoestel. Samen zouden ze daar de kerstdagen doorbrengen. Brenda (14) overleefde de ramp niet.

Vroombout: „We hebben 26 jaar gevochten voor gerechtigheid. Niemand heeft ons ooit durven zeggen dat er fouten zijn gemaakt. Wij zijn altijd als ongeloofwaardig neergezet. Nu zegt de rechter dit. Ons gevecht is niet voor niets geweest.”

Wat haar vooral bezig houdt, is de kwestie van de toedracht van de ramp. „Het verhaal dat de oorzaak alleen maar de wind is geweest, wilden we uit de wereld hebben. Dat is gelukt. Het ging ons er niet om te winnen van alle instanties. We blijven verliezers. Maar er is nu wel gerechtigheid.”

Hogere schadevergoeding

De rechtbank wees woensdag in een slepende civiele zaak een opmerkelijk vonnis over de vliegramp in Faro; waarbij 54 passagiers, allen Nederlanders, en twee bemanningsleden omkwamen en 106 mensen gewond raakten. De toenmalige Raad voor de Luchtvaart, die het ongeval onderzocht, heeft „onzorgvuldig en onrechtmatig” gehandeld, oordeelt de rechtbank.

Zo heeft de Raad „te stellig” beweerd dat een plotseling veranderende wind, een zogenoemde windshear, de belangrijkste oorzaak was, en niet ook het handelen van de bemanning. De Raad is bovendien „onzorgvuldig” geweest door niet te vertellen dat zijn bevindingen niet werden gedeeld door de Portugese Onderzoeksraad. Die kende een grotere rol toe aan menselijke fouten.

Door dit „onrechtmatig” handelen van de Raad is slachtoffers en nabestaanden destijds de kans ontnomen op een hogere schadevergoeding, stelt de rechtbank. „De staat moet daarom alsnog 20 procent van de schade vergoeden die eisers nog niet van Martinair hebben gekregen.”

In 2012 stelden nabestaanden van de Faro-ramp de staat aansprakelijk

‘Doorpersen en neerzetten’

„Het is ons nooit om het geld gegaan”, zegt Corrie Vroombout. Dat de staat voor deze schade aansprakelijk is? Het zij zo. Veel belangrijker vinden ze dat een rechter eindelijk niet uitsluitend geloof hecht aan de lezing dat alléén het slechte weer in Faro de crash heeft veroorzaakt. Zoals Martinair-baas Martin Schröder en ook de Raad voor de Luchtvaart hun altijd heeft voorgehouden.

Veel meer waarde hechten de slachtoffers en nabestaanden aan wat luchtvaartexpert Harry Horlings na jarenlang uitgebreid onderzoek heeft gesteld: dat de luchtvaartautoriteiten hebben gelogen over een reeks foute inschattingen die de bemanning destijds, wellicht onder druk van de bedrijfscultuur van Martinair, heeft gemaakt. Horlings: „Ze hadden niet moeten landen. Ze hadden moeten wachten tot de bui voorbij was. Of ze hadden moeten uitwijken naar Lissabon. Dat zou tijd hebben gekost, en de inzet van bussen voor passagiers. De sfeer bij Martinair was: doorpersen en neerzetten. Wie dat niet deed, kreeg op z’n donder van Martin Schröder.”

Penibele momenten

De rechtbank spreekt zich in dit vonnis over de precieze toedracht van het ongeval niet uit. Wel is duidelijk dat de gezagvoerder en de copiloot in de cockpit penibele momenten moeten hebben doorgemaakt. Horlings, voormalig hoofd testvliegen voor de Koninklijke Luchtmacht: „De grootste fout die de bemanning heeft gemaakt, is dat er niet gereageerd is op de melding van de verkeersleiding dat de landingsbaan onder water stond, flooded. In dat geval mag je alleen landen als de zijwind minder dan vijf knopen is. Er stond veel meer wind, twintig knopen, dat lazen ze zelf ook van de navigatie af, de gezagvoerder heeft de getallen hardop genoemd.”

Zoals bij elke ramp was aan deze „fout” een aantal onwenselijke ontwikkelingen vooraf gegaan. Zo was bij vertrek een volgens Horlings verplichte reparatie aan een van de drie straalomkeerders, die helpen bij het remmen, niet uitgevoerd. „Die thrust reverser is tegen de voorschriften niet gerepareerd maar alleen vastgezet.”

Bovendien had de copiloot, die het toestel bestuurde, het toestel bij nadering van de luchthaven als gevolg van de harde zijwind „uit de bocht laten waaien”, stelt Horlings. „De gezagvoerder heeft hem niet gecorrigeerd. Daardoor kwam het toestel niet recht maar schuin voor de baan te vliegen. Dat is een doodzonde.” Kort voor de crash had de copiloot bovendien de drie gashendels „veel te vroeg” dicht getrokken, aldus Horlings, zodat het toestel snel daalde en niet snel omhoog kon toen de gezagvoerder toch besloot een doorstart te maken. Ten slotte, stelt Horlings, bleken de gezagvoerder en de copiloot op het allerlaatste moment tegelijk aan hun stuurknuppel te hebben gezeten, in tegengestelde richting. „Ze stuurden tegen elkaar in.”

‘Wat we doen, is overleven’

Zekerheid over de toedracht van het ongeval of het aanwijzen van verantwoordelijken brengt de dochter van Iem en Corrie Vroombout niet terug. „Met haar dood is het leven gestopt, wat wij doen is overleven”, vertelt

Corrie Vroombout. Haar man zat in de bouw maar werd afgekeurd. „Ook ik mocht daarna geen betaald werk meer doen. Het gemis is enorm. We vragen ons steeds af hoe ze nu zou zijn geweest, op haar tweeënveertigste.”

De meeste mensen praten voortdurend over hun kinderen en kleinkinderen, merkt ze op. „Wij vallen daar buiten. Er bestaat niet eens een woord voor ouders die hun kind hebben verloren. Voor ’92 was alles gezellig en fijn. Daarna waren we ineens oud. De glans is er af. Wij zaten in het vliegtuig op rij 19. Brenda zat op rij 21. Daartussen zat een gezin met kinderen dat ook is omgekomen. We zeggen wel eens tegen elkaar: hadden wij maar op de plaats van dat gezin gezeten.”