‘Exoskelet’ helpt fysiek zwaar werk te verlichten

Hulpmiddel Een in Nederland ontwikkeld ‘exoskelet’ moet fysiek zwaar werk helpen verlichten. Maar hard loopt het nog niet met de verkoop.

Stukadoors in de bouw kampen vaak met fysieke klachten. Een hulpmiddel zoals een ‘exoskelet’ kan uitkomst bieden bij zwaar werk.
Stukadoors in de bouw kampen vaak met fysieke klachten. Een hulpmiddel zoals een ‘exoskelet’ kan uitkomst bieden bij zwaar werk. Foto Eric de Vries

„Als je maar niet opschrijft dat het een robotpak is”, zegt Frank Krause op het kantoor van onderzoeksorganisatie TNO in Leiden. De onderzoeker heeft zojuist het nieuwe exoskelet aangetrokken dat hij samen met Michiel de Looze, bijzonder hoogleraar productie-ergonomie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en projectleider bij TNO, heeft onderzocht. Het hulpmiddel is bedoeld om uitvoerders van fysiek zware beroepen te ondersteunen en moet vooral niet te zwaar of te warm aanvoelen. „Bij het woord ‘robotpak’ denk je meteen aan iets groots en logs”, voegt Krause toe terwijl hij het exoskelet demonstreert. Groot en log is het zeker niet: het exoskelet ziet er eerder uit als een geavanceerde backpack en weegt ook maar tweeënhalve kilo.

Het is inmiddels de tweede versie van het exoskelet die producent Skelex op de markt brengt. Twee jaar geleden werd de eerste versie gepresenteerd en die wordt al internationaal verkocht. Vooral in de auto- en vliegtuigindustrie, maar ook in de bouw of in magazijnen – waar werknemers repetitieve bewegingen maken en vaak boven hun hoofd moeten werken – kan een exoskelet het werk verlichten door de spieren rondom de schouders te ontlasten.

Hoewel de eerste versie de geheven armen goed ondersteunde, merkte TNO bij evaluaties dat het exoskelet bij andere bewegingen juist in de weg zat. Lastig, als je tussendoor ook duw- of trekbewegingen moet maken en dan door het hulpmiddel wordt tegengewerkt. Dat is bij deze variant aangepast.

Fysieke klachten

Het nieuwe exoskelet werd in mei 2019 gelanceerd en is onlangs op een trainingsplaats getest door stukadoors. Deze groep kan ook baat hebben bij het hulpmiddel: de helft van de achtduizend Nederlandse stukadoors kampt volgens Volandis, kennis- en adviescentrum voor de bouw- en infrastructuursector, met fysieke klachten. Uit cijfers van het UWV blijkt ook dat het aantal WIA-uitkeringen het hoogste is binnen stukadoorsbedrijven: 16,8 per honderd werknemers.

Toch staan de stukadoors, en andere groepen in de bouw, nog niet in de rij om het nieuwe exoskelet aan te schaffen. Hoewel er geen exacte cijfers bekend zijn, is er sinds de lancering slechts „een enkele” in Nederland verkocht. Dat kan aan de prijs liggen. Voor een groot bedrijf, waar meerdere werknemers van het hulpmiddel gebruik kunnen maken, is 4.500 euro een prima investering. Maar voor zelfstandigen, die in de stukadoorbranche de overgrote meerderheid vormen, is dat een enorme uitgave voor één exoskelet – zeker wanneer ze ‘nog’ geen klachten hebben. Producent Skelex denkt inmiddels na over een ‘leaseconcept’.

Ons doel is dat werknemers gezond hun pensioen halen

Michiel de Looze projectleider TNO

Maar ook de werkcultuur is belangrijk, zegt onderzoeker Krause. „Word je als ‘watje’ bestempeld wanneer je een hulpmiddel gebruikt?” Bovendien kun je je voorstellen dat werkgevers het hulpmiddel kunnen misbruiken om werknemers (langer) zwaarder werk te laten doen. „Daar ben ik niet zo bang voor”, zegt De Looze. „De reacties van de stukadoors waren na de test vooral positief. En ons doel is alleen dat alle werknemers gezond hun pensioen kunnen halen.”

Nederlandse afnemers van het exoskelet zijn vooral KLM en Defensie. Die laatste is de werkgever van Thomas Scholtens (27) uit Julianadorp. Hij werkt als plaat- en scheepsbouwer op de marinebasis in Den Helder en gebruikt „het pak”, zoals hij het noemt, sinds een jaar of twee. Niet de benaming die TNO er graag voor ziet, maar „zo noemen wij het gewoon”, zegt Scholtens. „Dat is makkelijker. Zo van: ‘Jongens, ik heb het pak even nodig!’”

Minder pijn

Hoewel Scholtens, zoals hij zelf zegt, een „jong lichaam” heeft, was hij toch blij dat zijn werkgever twee exoskeletten aanschafte. Als hij werkt aan het ‘onderwaterschip’ – het deel van een schip dat onder water ligt – moet hij soms een zinkstuk van twintig kilo boven zijn hoofd houden zodat de lasser het kan vastzetten. Dan is het pak een verademing, zegt Scholtens. „Je spieren verzuren minder snel en daarom hoef je minder vaak te stoppen tussendoor. Achteraf heb ik ook minder spierpijn.”

Volgens Scholtens wordt er op de marinebasis niet negatief of pesterig gereageerd wanneer een collega het exoskelet gebruikt. „We noemen elkaar geen watje. Je gebruikt het toch gewoon voor jezelf?” Ook vreest hij niet dat zijn werkgever hem langer of zwaarder werk zal laten doen door de aanwezigheid van het hulpmiddel. „Ons werk is al zwaar genoeg en we gebruiken het pak alleen in heel specifieke gevallen.”

Hoe effectief het exoskelet op de lange termijn is, moet nog blijken. Het apparaat kan 50 procent van de spierkracht overnemen, maar of het ook daadwerkelijk blessures en verzuim voorkomt, moet nog blijken, zegt De Looze van TNO. „Dat moet eerst ondersteund worden door grootschalig onderzoek en daar zijn grote aantallen gebruikers voor nodig. Zo ver zijn we nog niet.”

Ondertussen gaan ze bij TNO verder met het werken aan een zogenoemd ‘actief’ exoskelet, dat, in tegenstelling tot de bestaande ‘passieve’ versie, niet op veren maar op motortjes werkt. Deze slimme variant is een stuk complexer dan de passieve uitvoering, legt De Looze uit: sensoren registreren de bewegingen en hoeveel kracht je moet zetten, de motoren kunnen de lichamelijke ondersteuning daar steeds op aanpassen. Wat dat betreft is de passieve variant eigenlijk nog een one trick pony.