Interview

Dominique Vleeshouwers: ‘Slagwerk kan ook klein en poëtisch zijn’

Rijzende ster: klassiek Dominique Vleeshouwers krijgt als eerste slagwerker de Nederlandse Muziekprijs. „Een mijlpaal. Nu wordt slagwerk écht geaccepteerd als solo-instrument.”

Speel je viool, dan stap je eenvoudig in de trein voor een concert aan de andere kant van het land. Met contrabas wordt het iets lastiger, maar nog te doen. Dominique Vleeshouwers (27) is een van de weinige solisten wiens repertoire op een concert afhangt van de grootte van het beschikbare vervoer: hij is solo-slagwerker. „Laatst werd er gebeld uit Maastricht: of ik even dit stuk, dat stuk én ook nog een extra stuk kon komen spelen. Dat kan wel, maar alleen als ze me met een vrachtwagen komen ophalen. ‘O ja’, klinkt het dan aan de andere kant.”

De zevenjarige Dominique schreef al op een briefje dat hij geen blokfluit wilde spelen: „Ik wil twee stokken en anders niets.”

Die kreeg hij – en vanaf dat moment was geen pot, pan of meubel meer veilig. „Ik sloeg op alles om te horen hoe het klonk.” Dat is nog zo. „Of het nou potten, buizen, blikjes of remschijven zijn, alles kan iets toevoegen aan een klankwereld.”

Het arsenaal aan instrumenten dat Vleeshouwers inmiddels heeft verzameld, is indrukwekkend. Thuis zou het nooit passen, dus heeft hij een kleine loods op een bedrijventerrein in Amsterdam; een twee verdiepingen omvattend percussieparadijs vol pauken, buitenlandse trommels, schellen en bellen, buizen en remschijven. Een hoek die op het eerste gezicht vol lijkt te liggen met bolletjes wol, blijkt een kast met tientallen slagwerkstokken.

Op 18 januari krijgt Vleeshouwers als eerste slagwerker de Nederlandse Muziekprijs. Het is zijn grootste mijlpaal tot nu toe, al gaat de eer wat hem betreft vooral naar het slagwerk zelf.

„Wij slagwerkers worden geacht alles te kunnen spelen. Introduceert een componist een nieuw gek fluitje, dan zijn het niet de fluitisten die hem krijgen, maar wij.”

In het traject dat aan de toekenning van de Muziekprijs voorafging, leerde Vleeshouwers Indiase tabla beheersen, waar je in de Indiase traditie snel tientallen jaren op studeert. En voor het Tweede slagwerkconcert van James MacMillan, dat hij bij de prijsuitreiking speelt, moet hij nu steeldrum leren spelen. Een ingewikkeld instrument. Opeenvolgende tonen liggen niet netjes naast elkaar gerangschikt. Zijn handen gaan van hot naar her om een simpele toonladder te spelen. Geen probleem. Hij kon het de steeldrumbouwer die het hem voordeed (tot diens verbazing) in één keer nadoen.

„Soloslagwerker zijn is alsof je een violist vraagt: ‘kun je alle strijkinstrumenten spelen? En dan ook alle strijkinstrumenten uit alle landen alsjeblieft?’ Maar dat maakt het leuk. Slagwerk is een bos met grote bomen en kleine plantjes, vol verschillende kleuren.”

In dat bos blijft hij voorlopig minutieus en gebiologeerd op zoek naar nieuwe geluiden om zijn publiek van de rijkdom van zijn instrument te overtuigen. „Slagwerk wordt nu nog vooral geassocieerd met grootsheid en vuur, terwijl het ook klein en poëtisch kan zijn.”

Ook visueel prikkelt het steeds meer, denkt hij, zo’n podium vol stellages en rekken, met grote trommels, kleine belletjes en een speler die een choreografie heeft moeten bedenken om overal op tijd bij te kunnen.

De onontgonnen klankwereld waar Vleeshouwers nu vooral in speurt is de elektronische. „Die is al heel rijk, maar met slagwerkcomposities kan ik die nog veel gelaagder maken.” En toch, hoe nieuw al zijn klanken ook zijn: „Slagwerk blijft het oudste instrument, waar ook ter wereld. Met slagwerk raak je de kern van elke cultuur.”