Bengaalsche lucifers onder de menigte

Ewoud Sanders

Woordhoek

Je hoeft geen helderziende te zijn om te voorspellen dat het woord vuurwerkverbod dit jaar zal pieken als nooit tevoren. Op een gegeven moment breekt in een maatschappij het inzicht door dat bestaande tradities op de schop moeten. Dat gaat rapper als zo’n traditie gepaard gaat met gewonden, doden, branden, vernielingen op grote schaal en bedreigingen van politie en hulpdiensten.

Een korte geschiedenis van het woord vuurwerkverbod geeft een indruk van de argumenten die we zullen horen, bijvoorbeeld over de mogelijkheden tot handhaving.

Nederland heeft eerder vuurwerkverboden gekend. Zo verbood Amsterdam aan het eind van de negentiende eeuw om vuurwerk af te steken tijdens Hartjesdag, een volksfeest op de derde maandag van augustus dat steeds verder uit de hand liep. „Amsterdams plebs”, aldus De Maasbode in 1899, „heeft gisteren weer zijn beruchten Hartjesdag gevierd. Het verbod vuurwerk af te steken, werd natuurlijk niet gehandhaafd, om de eenvoudige reden dat het niet te handhaven was. Maar waarom het dan elk jaar eenige dagen voor dezen dag afgekondigd wordt, is ons niet duidelijk.”

Het was er weer ruig aan toegegaan: „Onder de oogen van de politieagenten knetterden de rotjes bij hoopjes; boven de hoofden der agenten werden uit de ramen bengaalsche lucifers ontstoken en onder de menigte geworpen; hier en daar zagen wij zelfs midden in de straten af en toe de vreugdevuren branden.”

Hartjesdag werd in 1943 verboden door de Duitse bezetter; na de oorlog laaiden de vuren nog even op in de Dapperbuurt, vervolgens raakte dit feest in onbruik.

De samenstelling vuurwerkverbod dateert bij mijn weten van 1910. Zij duikt voor het eerst op in een kort krantenbericht over de Verenigde Staten: verspreid over het land waren toen bij het onafhankelijkheidsfeest 28 mensen door vuurwerk gedood en 1.758 gewond geraakt.

Dat het woord vuurwerkverbod in 1912 in de Tweede Kamer debuteerde, kwam door een kwestie in Nederlands-Indië. Het was de Chinezen in Soerabaja verboden om vuurwerk af te steken, maar zij hielden zich hier niet aan en gijzelden even een politiecommissaris – wat in het Nederlandse parlement voor ophef zorgde. De overheid in Soerabaja sloot een opmerkelijk compromis: Chinese handelaren mochten wel vuurwerk in voorraad hebben, maar niet verkopen. We zien hier een spiegel van het huidige Nederlandse cannabisbeleid: verkopen mag wel, inkopen niet.

In NRC wordt sinds 2000 over een vuurwerkverbod geschreven. Aanleiding was de vuurwerkramp in Enschede – waarbij 23 doden vielen, 950 mensen gewond raakten en tweehonderd woningen werden verwoest. De gemeente Enschede liet onderzoeken of een plaatselijk vuurwerkverbod juridisch haalbaar was, maar kwam tot de conclusie dat de landelijke richtlijnen moesten worden gevolgd.

Tot slot een correctie. Onlangs schreef ik dat dief van eigen portemonnee sinds het eind van de jaren zestig in het Nederlands opgang maakt. Maar we vinden het al vanaf 1895, vooral in advertenties. Onder het kopje „EEN DIEF!” volgen zinnen als „Is ieder van zijn portemonnaie, die niet van deze prijzen profiteert.” Een mooie variant zag ik in de Opregte Steenwijker Courant van 1912. Deze advertentie heeft betrekking op een andere Nederlandse volkstraditie waarop een verbod niet te handhaven leek: stropen. „Een Dief is iedere Mollenvanger van zijn portemonnaie, wanneer hij mollen […] niet brengt bij…”, volgde de naam van een vlees- en huidenhandelaar.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.