Opinie

Leven na het leven

Ellen Deckwitz

Dus dit weekend ging ik klimmen met het neefje (11) en terwijl hij zijn tuigje vastgespte, boog hij zich naar me toe. „Hé”, fluisterde hij, „hoe zit dat nou, is er nu eigenlijk iets na de dood of niet?” „Is je moeder daar nooit over begonnen?”, vroeg ik geschrokken.

„Die begint dan meteen over hoe mooi het leven is en dat ik niet moet stilstaan bij de dood.”

Typisch mijn zus om dit slechtnieuwsgesprek te ontwijken. Ik was ook al degene die aan haar kroost moest vertellen dat Sinterklaas niet bestaat.

„Nou ja”, haperde ik, „sommigen denken dat er hierna een hemel is, anderen geloven weer in reïncarnatie, en dan heb je er ook nog die vinden dat er niets is.”

„Ja, maar ik vraag het aan jóú.”

Aarzelend stapte ik in mijn tuig. Ik ben rond mijn twintigste gestopt met me af te vragen of er iets is na de dood. Ik heb jaren wakker gelegen van de vrees voor de hel (want bloedfonteinen en de hele dag muziek van Rudi Carrell) en voor de hemel (want geen masturbatie en de hele dag Elly en Rikkert). Van lieverlee begon ik te geloven in reïncarnatie maar ook dat stemde op de lange termijn niet echt vrolijk, want straks incarneerde je hierna alleen nog maar in slachtkalfjes. En de gedachte dat er niets was, was ook niet prettig, omdat ik in die tijd nog dacht dat wanneer ik niet voortbestond, het leven zinloos was.

„Je weet het niet hè”, zuchtte mijn neefje uiteindelijk.

„Niemand weet het.”

‘Terwijl wat we geloven in wat er na de dood is, grote gevolgen heeft voor de achterblijvers.” „Hoe bedoel je?”

„Als we ervan uitgaan dat er geen leven na de dood is, kunnen we er hier een potje van maken, niemand die ons achteraf straft. Als er wél leven na de dood is hebben we nogal wat uit te leggen aan degenen die ná ons in de hemel komen, want waarom hebben we er op aarde zo’n bende van gemaakt met z’n allen? En als er reïncarnatie bestaat moeten we allemaal proberen van deze wereld een betere plek te maken. „Dus”, besloot hij zijn betoog, „is het handiger voor de gezondheid van de aarde én de mensheid als we allemaal geloven dat er dus wel iets is na de dood.”

„Zo’n goed argument voor religie heb ik nog nooit gehoord.”

„Laten we een geloof beginnen”, grinnikte hij, „zodat er tenminste leven na het léven is”, en ging de klimwand op, klom als een speer, tot hij uiteindelijk zo hoog was dat hij in zijn witte T-shirt niets meer leek dan een lichtpuntje boven mijn kleine hoofd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.