Hoe snel is een kernbom gebouwd?

Iran Iran houdt zich niet meer aan het nucleaire akkoord van juli 2015 en kan de productie van hoogverrijkt uranium snel opvoeren.

De zwaarwaterfabriek in Arak is nog intact. Er is gebouwd aan een zwaarwaterreactor (de IR-40) die onverrijkt uranium moet gebruiken.
De zwaarwaterfabriek in Arak is nog intact. Er is gebouwd aan een zwaarwaterreactor (de IR-40) die onverrijkt uranium moet gebruiken. Foto Atomic Energy Organization of Iran/AFP

Hoe snel zou Iran een kernwapen kunnen maken als de Iraanse regering daartoe besloot? De vraag is actueel geworden nu Iran bekend heeft gemaakt zich niet langer gebonden te voelen aan het nucleaire akkoord van juli 2015. Een achtergrondstudie voor het Amerikaanse congres, nog vorige maand geactualiseerd, houdt het op ongeveer een jaar.

Vlak vóór het akkoord van 2015 was niet meer dan drie maanden nodig geweest voor de productie van voldoende hoogverrijkt uranium voor een bom. De bepalingen van het akkoord verlengden de ‘breakout time’ tot één jaar. Maar dan zouden alle bekende nucleaire installaties voor het doel moeten worden ingezet, schrijft de studie, en „dat zou zeker door de inspecteurs van atoomagentschap IAEA worden opgemerkt”.

Inmiddels lijkt een situatie ontstaan waarin Iran zich weinig aan IAEA-inspecteurs gelegen laat liggen. Helemaal zeker is dat niet, want het is onduidelijk of het land zich ook niet meer gebonden voelt aan het non-proliferatieverdrag (NPV), het verdrag tegen de verspreiding van kernwapens. Het NPV staat Iran véél meer nucleaire activiteiten toe dan het akkoord uit 2015, zolang die activiteiten maar niets te maken hebben met de ontwikkeling van kernwapens. Daarop zien de IAEA-inspecteurs nauwlettend toe. Blijft Iran NPV-lid, dan ziet de toestand er niet zo ongunstig uit.

Daar komt bij dat diverse Iraanse leiders in het verleden bij herhaling en uitdrukkelijk hebben verklaard dat Iran nooit een kernwapen zou ontwikkelen. Helaas is er reden om aan hun oprechtheid te twijfelen. In 2002 onthulde een Iraanse verzetsgroep dat Iran in het geheim bij Natanz werkte aan een ondergrondse fabriek voor de verrijking van uranium met behulp van gascentrifuges. Bij Arak was een fabriek voor productie van zwaar water in aanbouw. (In sommige reactortypen zijn de gewenste atoomsplijtingen afhankelijk van zwaar water in plaats van gewoon water.) Het was niet opgegeven bij het IAEA en Iran heeft daar nooit een acceptabele verklaring voor gegeven.

Plutonium voor kernwapens

Uit IAEA-inspecties (die in 2003 begonnen) werd in latere jaren duidelijk dat Iran op zeer grote schaal uranium had willen verrijken, niet alleen bij Natanz maar ook, en eveneens ondergronds, bij Fordow. Dat was vreemd, want het had er geen bestemming voor. De kleine, oude Amerikaanse onderzoeksreactor bij Teheran ontving zijn splijtstof uit het buitenland en de civiele kerncentrale die de Russen bij Bushehr bouwden zou later Russische splijtstof krijgen. Bij Arak werd gebouwd aan een zwaarwater-reactor (de IR-40) die ‘natuurlijk’ (dat wil zeggen: onverrijkt) uranium moest gebruiken. Dit type reactor staat bekend als een plutoniumproductiereactor. Het leek er sterk op dat het verrijkte uranium en het plutonium voor kernwapens bedoeld was.

Toen in 2005 een laptop werd gevonden waarop, in het Perzisch, proeven met onderdelen van kernwapens werden beschreven, steeg het wantrouwen. Het was een Israëlische vervalsing, beweerde Iran, maar het IAEA concludeerde dat de onderzoeksverslagen (de ‘alleged studies’) echt waren. Het IAEA nam ook uitdrukkelijk afstand van een Amerikaanse conclusie (uit 2007) dat Iran weliswaar een kernwapenprogramma had gehád, maar dat dit in 2003 was afgesloten. Uit andere hoeken kwamen nog meer aanwijzingen dat aan kernwapens was gewerkt. Het IAEA heeft herhaaldelijk aangedrongen op opheldering van deze ‘outstanding questions’. Het kwam er niet van.

Onder druk van de internationale gemeenschap, die steeds meer sancties oplegde, tekende Iran uiteindelijk het akkoord van juli 2015. In het veelomvattende akkoord, dat voor veel onderdelen een looptijd heeft van tien tot vijftien jaar, is onder meer bepaald dat de centrifugehal van Fordow een andere functie kreeg, dat in de hallen van Natanz hooguit 5.060 centrifuges van het oudste (Nederlandse) model mochten draaien, dat de verrijkingsgraad van het uranium beneden de 3,67 procent bleef en dat de voorraad aldus verrijkt uranium beneden de 300 kilogram bleef (gemeten als het gas uraniumhexafluoride). De zwaarwaterreactor IR-40, die in 2015 al bijna voltooid was, moest worden omgebouwd tot een reactor die geen gevaarlijk plutonium meer kon produceren. De ‘outstanding questions’ moesten worden opgehelderd.

Afspraken nakomen

De IAEA-inspecteurs die de naleving van het akkoord controleren hebben tot in 2018 steeds vastgesteld dat Iran zich aan de afspraken hield. Dat veranderde toen de Verenigde Staten zich in mei 2018 uit het verdrag terugtrokken. Kort erna nam Iran de hal bij Fordow weer in gebruik en liet het de uraniumverrijkingsgraad oplopen tot 4,5 procent. Dat zou nodig zijn voor de centrale van Bushehr, maar die krijgt splijtstof uit Rusland. Volgens het laatste inspectie-rapport van het IAEA (11 november 2019) is de voorraad uranium opgelopen tot 372 kg (voor een groot deel 4,5 procent verrijkt).

Lees ook: Kan IS van het conflict profiteren? En zeven andere vragen

Aan de reactor IR-40 is niet veel veranderd. Het goed ingevoerde Amerikaanse instituut ISIS ziet aanwijzingen dat hij snel in oude toestand is terug te brengen. De zwaarwaterfabriek verderop in Arak is intact.

Mocht Iran tot de bouw van een kernwapen besluiten dan zal het zich zeker eerst op een uraniumbom richten. Het bezit nog geen noemenswaardige hoeveelheid plutonium, tenzij het dat weet te kopen. Het plutonium dat zich in de splijtstof van de Bushehr-centrale vormt gaat terug naar Rusland – en blijft daar.

Iran kan de productie van veel hoogverrijkt uranium ook snel opvoeren want de vele centrifuges die onder het 2015-akkoord buiten gebruik werden gesteld, liggen in Iran opgeslagen. En Iran beschikt over een complete vóórketen voor de productie van het gasvormige uraniumhexafluoride (UF6) waarmee de centrifuges worden gevoed – inclusief mijnbouw en ertszuivering. De kernvraag is nu: worden de IAEA-inspecteurs het land uitgezet?