In de Kalverstraat sprak men het fraaist

Taalkunde In het 19de-eeuwse Amsterdam kon je ten minste zeven dialecten van het Nederlands horen, ontdekte taalkundige Nicoline van der Sijs.

Detail uit kaart van 19de-eeuws Amsterdam met 18 buurtdialecten.
Detail uit kaart van 19de-eeuws Amsterdam met 18 buurtdialecten. Beeld Meertens Instituut

In 1874 schreef de taalkundige Johan Winkler dat er in Amsterdam negentien verschillende „tongvallen” te horen waren. Elk buurtje zou zijn eigen dialect hebben. Nicoline van der Sijs, onderzoeker bij het Meertens Instituut, is nu nagegaan wat daarvan in andere negentiende-eeuwse bronnen is terug te vinden. Zij komt tot de conclusie dat er in Amsterdam in ieder geval zeven varianten van het Nederlands gesproken werden.

Het gaat om het deel van de stad dat we nu het centrum van Amsterdam noemen. Daar woonden in de negentiende eeuw tussen de 150.000 en 300.000 mensen. Van der Sijs: „Wat we in ieder geval zeker weten is dat mensen, zeker in het begin van de negentiende eeuw, nog heel erg binnen hun eigen buurt leefden. Rond 1850 is er bijvoorbeeld een Kattenburger die zegt dat hij nog nooit ‘aan het andere eind’, dus in de Haarlemmerwijk, geweest is. Hij is daar trots op.”

Volgens Winkler klonk rond de Kalverstraat „het beste en welluidendste amsterdamsch”, „zeer fatsoendelijk gesproken” en „vermengd met de fraaie expressies die de elegante wereld er op na houdt”. Pal daarnaast, in een oud volksbuurtje rond de Reguliersbreestraat, zou een heel ander dialect te horen zijn: het Duvelshoeks, „in zijn platste platheid doormengd met tal van woorden uit de dieve- en bedelaarstaal”. En zo somt Johan Winkler in zijn Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon nog zeventien Amsterdamse buurtdialecten op. In de meeste gevallen geeft hij geen bijzonderheden over uitspraak of typische woorden.

Deze kaart, in de jaren 40 gemaakt op het Meertens Instituut, toont 18 van de 19 buurtdialecten die er volgens taalkundige Johan Winkler in de negentiende eeuw in Amsterdam gesproken werden. Het 19e dialect, dat ontbreekt op deze kaart, is de ‘Amsterdamsche viswijventongval’, het dialect van de (toenmalige) Vismarkt.

Illustratie Meertens Instituut

Meid, maaid of mèèd?

Van der Sijs heeft voor haar reconstructie gebruik gemaakt van al het materiaal waar zij de hand op kon leggen: 49 bronnen. „Dat is van alles”, zegt ze. „Woordenlijstjes bij verhalen. Joodse woorden. Beschrijvingen van het Bargoens. En ook wat bronnen uit de zeventiende en achttiende eeuw.” Daarin worden 8.056 specifieke taalverschijnselen genoemd die typisch Amsterdams zouden zijn, waarvan er maar liefst 4.845 gekoppeld kunnen worden aan een specifieke buurt.

Dat kunnen woorden zijn, bijvoorbeeld Jiddische woorden die gebruikt werden in de ‘Jodenhoek’, de Joodse buurt rondom het Waterlooplein. Of woorden die specifiek Jordaans zouden zijn. Maar vooral ook worden er in die bronnen allerlei uitspraakeigenaardigheden gesignaleerd. Zeiden ze in een bepaalde buurt meid, maaid of mèèd? Zon of son? Suiker of zuiker? Vader of vaoder? Mens of mins? Pest of pesjt?

Als je dat allemaal analyseert, blijven er volgens Van der Sijs zeven Amsterdamse taalvarianten over. De twee duidelijkste zijn, misschien niet heel verrassend: het volkse dialect van de Jordaan, en het etnisch gekleurde (joodse) dialect van de Jodenhoek (tegenwoordig zouden we dat een etnolect noemen).

Verder is het duidelijk dat er in het oosten van het centrum (Kattenburg) anders gesproken werd dan in het Westen (Haarlemmerdijk). En het ‘Kalverstraats’ had inderdaad ook zo zijn eigen eigenaardigheden. Al lijkt dat meer een sociolect dan een dialect te zijn: een taalvariant die specifiek is voor een sociale klasse, in dit geval de middenklasse.

Immigranten uit Antwerpen lieten de h aan het begin van een woord weg

En dan was er nog het sociolect van de welgestelde bovenlaag, te vinden op de Keizers- en Herengracht. Daar werden onder andere veel aan het Frans ontleende, deftige woorden gebruikt: apropó, féteere, gerecommandeert.

De zevende taalvariant, ten slotte, is eveneens een sociolect: het Bargoens van dieven en zwervers, die niet aan een buurt gebonden waren.

Antwerpenaren in de Jordaan

In de twintigste eeuw zijn er opnamen gemaakt van mensen die rond 1875 geboren waren in verschillende volksbuurten. Die laten nog verschillen horen. ‘Mijn vriend’ bijvoorbeeld wordt daarop op verschillende manieren uitgesproken. Haarlemmerdijks: mein frint. Kattenburgs: me frint. Jordaans: mai vrient.

De dialectverschillen binnen Amsterdam vertellen ook het een en ander over immigratie. Van der Sijs: „Na de Val van Antwerpen, in 1585, vertrokken veel Antwerpenaren en Vlamingen naar Holland. Een groot deel van hen kwam terecht in de Jordaan, toen net een nieuwe buurt. In de negentiende eeuw, meer dan twee eeuwen later dus, vind je in de Jordaan nog altijd uitspraakeigenaardigheden die typisch Antwerps of Vlaams zijn. Zoals het weglaten van de h aan het begin van een woord. In Vlaanderen laten ze die h altijd weg, in de Jordaan deden ze dat toen nog bij sommige woorden: ier in plaats van hier en ep in plaats van heb.”

In de negentiende eeuw veroorzaakte de industrialisatie een nieuwe immigratiegolf: vanuit Utrecht en Oost-Nederland trokken veel mensen naar Amsterdam. Ook dat had uitspraak-gevolgen. Rond 1800 werd ‘straat’ in sommige buurten nog uitgesproken als ‘street’. In andere buurten was het: ‘straot’. Van der Sijs: „Die ee-klank is typisch Noord-Hollands. Die kom je tegen in allerlei Noord-Hollandse dialecten. Maar in de loop van de negentiende eeuw zie je dat dat in Amsterdam overal ‘ao’ wordt, ‘straot’ dus, waarschijnlijk onder invloed van arbeidsmigranten uit Utrecht en het Oosten, dat moet wel. Die hadden die klank al in hun eigen dialect. In sommige Amsterdamse dialecten was dat ook al aanwezig, en toen is dat de algemene Amsterdamse uitspraak geworden.”

Rond 1900 zijn de buurtdialecten vrijwel verdwenen, en is er alleen nog een algemeen Amsterdams sociolect voor de lagere klassen. Typerende uitspraakvoorbeelden daarvan zijn: ‘maon’ (maan), ‘son’ (zon) en ‘bai mai’ (bij mij).