Foto Niels Blekemolen

Interview

‘De kerk, deze omgeving: het voelt als een deel van mijzelf’

Pelgrims Harrie Schoonewille (53) zet zich in voor de Pelgrimvaderskerk in het Rotterdamse Delfshaven. En hij maakt zich hard voor de buurt waar de kerk staat. Hiervandaan vertrokken in 1620, 400 jaar geleden, de Pilgrim Fathers naar Amerika.

Hè?! Staat er nou kóster op dat bordje? Van waar wij ons bevinden, achterin de kerk bij de vitrines met de scheepsmodellen, zie je aan de overkant, voorbij het grote orgel, een lage houten deur. Het is een binnendeur, maar met een bel en een naambordje, net als bij een voordeur. Wanneer we ernaartoe zijn gelopen, kunnen we de tekst op het bordje lezen: privé, staat er. Niet koster.

Als jongetje woonde Harrie Schoonewille (53), tegenwoordig is hij managing director van een telecommunicatiebedrijf, achter die deur. Koos Schoonewille, zijn overleden vader, was koster van de Pelgrimvaderskerk in het Rotterdamse Delfshaven. In 1620 vertrokken hiervandaan de Pilgrim Fathers naar Amerika, waar ze de grondleggers werden van de Verenigde Staten.

De scheepsmodellen in de vitrines herinneren aan die tijd. Het zijn de Speedwell, het niet erg zeewaardige scheepje dat hier wegvoer, en de Mayflower, waarmee de Pelgrimvaders uiteindelijk arriveerden in Massachusetts. Naar verluidt brachten ze hun laatste nacht op het vasteland door op de stenen vloer van deze kerk, die later naar hen werd vernoemd.

Harrie Schoonewille zag het als jongetje allemaal: de scheepsmodellen, het glas-in-loodraam met het eerste scheepje, de bronzen plaat als dank voor „the good and courteous entreaty which we have found in your country”, de gedenksteen uit Chicago. Eén Heere, staat erop in het Grieks.

Het viel hem nauwelijks op. „Nee, ik kan niet zeggen dat ik er toen erg van onder de indruk was. Het was er gewoon.”

Niet alleen was het er gewoon, ook was het er de hele tijd: de kleine houten deur maakte kerk en huis tot een geheel. Bij de binnendeur vertelt hij hoe dat ging: „Koster-beheerder heette het werk van mijn vader eigenlijk. Het belangrijkste was de zondag, dan moest alles netjes en schoon zijn voor de kerkdienst. Op de borden zette hij dan de liederen die de dominee had uitgekozen, zodat iedereen wist wat-ie moet zingen. Nu komt de liturgie op vrijdag binnen op je mail, je kijkt op je telefoon en je weet wat je gaat zingen. Maar toen was dat nog niet zo. Daarnaast zorgde hij als beheerder van de kerk de rest van de week dat de zalen opgeruimd en gedweild waren, hij zette koffie voor bij de vergaderingen, deed de deuren open en weer dicht, als er iets kapot was repareerde hij het. Vooral in zo’n oud gebouw kon je daar dag en nacht mee bezig zijn.”

Al als jongetjes van zeven, acht hielpen zijn broer en hij hun vader. „Gingen we koffie brengen als er een vergadering was. Of helpen met het klaarmaken van de avondmaaltafel. Opruimen, schoonmaken, dingen weghalen, dingen neerzetten: ik heb het gedaan tot ik het huis uitging.”

We hebben afgesproken in de kerk omdat we gaan praten over gemeenschapszin: wat maakt dat je je niet alleen inzet voor de mensen die deel uitmaken van jouw geloofsgemeenschap, maar ook voor de buurt waarin die kerk staat. Waar mensen wonen die je niet kent. Die een ander geloof aanhangen. Uit een heel ander land komen.

Het huis van de koster kunnen we niet meer in: daar woont nu iemand anders. Maar waarschijnlijk is de entree nog zoals die indertijd was: een kleine hal, meteen daarna de woonkeuken. Als de kerk leeg was, en de deur stond open, kon je er skateboarden tussen de rijen stoelen door. Of racen met je op afstand bestuurbare elektrische auto.

Voorin het woonhuis van de koster lag een bouvier, achter op de binnenplaats nog één. Harrie Schoonewille: „Toen ik dertien, veertien was was het hier enorm crimineel. Ik liep naar school via een tippelzone, dat hoorde er gewoon bij. En als je ’s avonds de honden uitliet kwam je zo langs drie, vier auto’s waarvan de ruitjes waren ingetikt: op zoek naar een radio of een cassettedeck. Ook in de kerk had je soms insluipers. Daarvoor hadden we die bouviers.”

Want precies toen hij opgroeide in dit vrij onbekende stukje van de stad trok de autochtone bevolking er weg, greep de werkloosheid om zich heen en vierde de drugsoverlast hoogtij. Het was ook de tijd van de ontkerkelijking. „De kerkelijke gemeenschap hier had een aantal kerkgebouwen, maar dat konden ze niet meer betalen van die paar mensen die nog naar de kerk gingen. Dus verkochten ze de kerk waar mijn vader eerst koster was, dat werd toen een moskee. Ook in deze kerk kon hij niet blijven, een koster aanhouden was te duur geworden. Toen ging hij naar weer een andere kerk. En later naar nog één, waar hij bleef tot hij een paar maanden voor zijn pensioen overleed.”

Foto Niels Blekemolen

Misschien, denkt hij nu, is hij juist vanwege de geschiedenis van deze buurt, de vele veranderingen en hoe je daarop kunt reageren, gaan geloven in de kracht van gemeenschapszin. „Toen er kerkgebouwen dicht moesten, gingen mensen zaaltjes huren om hun kerkdiensten in te houden. Ze wilden onder geen beding aanschuiven in een andere kerk, de verschillende groeperingen konden elkaar niet luchten of zien.” Dat is veranderd, het overgrote deel van de protestante kerken heeft zich later verenigd in één organisatie. Ook hier is dat gebeurd.

Als je je bedreigd voelt door je omgeving, bedoelt hij, „moet je je niet naar binnen richten, maar juist met die omgeving bezig zijn, er samen mee willen optrekken”.

Harrie en Astrid, zijn vrouw, wonen sinds hun huwelijk in Capelle aan den IJssel. Toen ze een gezin stichtten wilden ze een huis met een tuin in een rustige buurt. Toch nemen ze al meer dan twintig jaar elke week een paar keer de metro hiernaartoe. Eerst op woensdag, om samen te zingen in het koor, dat repeteert in de kerk. Daar zitten ze allebei op sinds hun twintigste, ook zijn vrouw groeide hier op. Dan op zondag, voor de kerkdienst. Tussendoor, voor vergaderingen. „De kerk, deze omgeving: het voelt als een deel van mijzelf.”

Dus is het hier dat hij zich inzet als vrijwilliger: als voorzitter van het koor en, sinds een paar jaar, als secretaris van de stichting Pilgrim Harbour. Die stichting werd opgericht naar aanleiding van het zeshonderdjarig bestaan van de Pelgrimvaderskerk (de ‘akte van oprichting’ dateert van april 1416), maar organiseert nu activiteiten rond het vertrek, eind juli precies vierhonderd jaar geleden, van de Pelgrimvaders uit Delfshaven.

Pilgrim Harbour staat los van de kerk. „Er is geen religieus oogmerk, het gaat om het verenigen van de wijk. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld, hadden we een muziekfestival waar tientallen verschillende stromingen te horen waren. Je kon luisteren naar Marialiederen, maar ook naar afrospirituals, Marokkaanse anasheed en spirituele muziek uit India.”

Het is ook niet voor niks dat Pilgrim Harbour voor de herdenking van het Pelgrimvadersjaar koos voor het thema ‘komen en gaan’. „Dat deden de Pilgrim Fathers, maar dat doen ook al heel lang de verschillende bevolkingsgroepen hier. Iedereen hier komt ergens vandaan, met ideeën, met hoop en verwachtingen.”

In Delfshaven, waar de Pelgrimvaders per slot van rekening maar één nacht verbleven, zal minder te doen zijn dan in Leiden, waar ze als religieuze vluchtelingen meer dan tien jaar woonden, en in het Verenigd Koninkrijk, waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen. Maar toch: er zijn sponsors gevonden, het hele jaar door, maar vooral in juli, zijn er evenementen, en vier maanden lang, vanaf mei, ligt in de oude haven straks een boot die lijkt op de Speedwell. De Halve Maen is een replica van een VOC-schip, de boot ligt nu nog afgemeerd in Hoorn.

Er is ook een keerzijde, merkte de stichting tijdens de organisatie. „Zo’n herdenking is tegelijk beladen: hun nazaten hebben later vreselijk huisgehouden. Het is geen feest, zeggen veel mensen hier: dat woord moet je niet gebruiken. En ze hebben gelijk, dus dat tegengeluid laten we die vier weken in juli ook horen.”

Wanneer we de kerk uitlopen, is er het uitzicht dat hij vroeger had vanuit het kostershuis: de gracht, boten in het water, zeventiende-eeuwse gevels aan de overkant. Al is er sinds de jaren tachtig ook veel veranderd. Drugspanden zijn er niet meer, monumentale huizen zijn gerestaureerd, zo nu en dan komt er een groepje toeristen langs. Harrie Schoonewille: „Mijn betrokkenheid is ook dat we dit kleine stukje stad op de kaart zetten, zodat het een toekomst heeft. Hier kun je zien hoe de geschiedenis kan verlopen als mensen elkaar welkom heten.”