Aram Mahmoud

Foto Bastiaan Heus

Interview

Aram Mahmoud vluchtte uit Damascus, maar bleef dromen over de Spelen van Tokio

Badminton Aram Mahmoud (22) vluchtte in 2015 uit Syrië naar Nederland, en werd hier ingelijfd door een club uit Almere. Hij is een van de 37 sporters die een olympische beurs kreeg. Doel is een plek in het vluchtelingenteam van Tokio.

Aram Mahmoud is net een maand elf als hij thuis in Damascus met zijn vader naar de olympische mannenbadmintonfinale van Beijing kijkt, in augustus 2008, die gaat tussen het Chinese enfant terrible Lin Dan en zijn Maleisische tegenpool Lee Chong Wei. Aram is fan van de Chinees, die een hemd draagt waardoor zijn gespierde bovenarmen zichtbaar worden, net als Rafael Nadal. Zijn spel is dat van het ontregelen – steeds wil hij van shuttle wisselen, of hij zeurt bij de scheidsrechter dat zijn grip vochtig is. Aan Lee Chong Wei zie je niets, maar vanbinnen moet hij koken. Aram vindt het prachtig. Dit is dus hoe je olympisch kampioen kunt worden. Ooit wil hij ook op dat podium staan.

Bij elke slag die de twee badmintonners maken, zet Arams vader het beeld op stop. Mohammad heeft de finale opgenomen, live badminton kijken is er in Syrië niet bij. Aram moet van hem naar de posities van de spelers kijken, naar de bewegingen die ze maken, zodat hij ze later die dag in de hal zelf kan uitvoeren. Zijn vader, een generaal bij de Syrische luchtmacht die in 1994 afzwaaide, wil dat zijn zoon niets op halve kracht doet. Hij moet ergens vol voor gaan, of het helemaal niet doen, dat krijgt Aram zelfs te horen als hij een spelletje doet op de Playstation. Als hij met Ronaldo of Messi wil spelen omdat je dan makkelijker wint, zegt zijn vader dat hij een minder goede speler moet kiezen, en dan nog eens moet proberen te winnen. Het gaat erom dat je weet wat je doet, zegt Mohammad. Dan zul je winnen. En als je wint, kan niemand je wat maken.

Kampioen op zijn vijftiende

Zelf is Aram nog op zoek naar de stijl die hem het best past. Bloedfanatiek is hij sinds hij met badminton is begonnen, en mocht stoppen met turnen, de sport die zijn oudere zus veel beter kon. Als hij toernooien speelt en punten maakt, balt hij zijn vuist, zoals zijn vader het graag ziet. Toen hij negen was, en een paar turven hoog, werd hij al de beste van heel Syrië op een nationaal schooltoernooi. Hij won bekers, die hij op school trots aan zijn klasgenootjes liet zien. Op zijn vijftiende was hij de beste badmintonner van het land – hij versloeg mannen van 28.

Tijdens het Aziatisch kampioenschap onder 19 jaar in India speelde Aram in 2011 tegen Kento Momota, de huidige wereldkampioen, die twee jaar ouder is dan hij. Weliswaar ging hij er in twee sets kansloos af, maar toch koestert hij die ervaring. Hij leerde ervan nog harder te trainen, maar zag tegelijkertijd al in dat hij een onoverbrugbare achterstand had opgelopen. Momota speelde elke maand wel een groot jeugdtoernooi, Aram ging één keer per jaar op reis. De omstandigheden voor topsport zijn in Syrië niet ideaal, vertelt hij achter een kop thee in de Almeerse Sporthal de Pellikaan.

Hij mocht naar internationale toernooien vanaf zijn tiende, samen met zijn grote zus Sanaa, die het ook tot de Syrische badmintonselectie schopte. Samen reisden ze naar Japan en India, ze gingen op trainingskamp in Iran en kwamen met de mooiste verhalen thuis. Het leven was goed in Mezzeh, een buitenwijk van Damascus, voor in maart 2011 de burgeroorlog uitbrak. Alles was simpel en makkelijk tot die tijd, er waren geen verschillen tussen moslims en christenen, tenminste, Aram voelde ze niet. Het maakte niet uit waar je vandaan kwam, als je maar een goed mens was. Syrië is voor Aram het beste land ooit. Na toernooien was hij altijd zó blij weer terug te zijn.

Hij groeide op in een samengesteld gezin met zeven kinderen; drie kwamen er uit een eerder huwelijk van zijn vader. In de weekenden was het een drukke boel in hun appartement op de begane grond, want dan kwam iedereen tegelijkertijd over de vloer. Gelukkig was er een groot plein voor de deur, met overal mooie planten die zijn vader daar had neergezet. Dan kon hij voetballen met vriendjes, en als hij thuiskwam van school, had zijn moeder de lekkerste gerechten gekookt. Niemand in de wereld kan beter koken dan zij.

Hij wilde piloot worden

Hij was een vrolijk en sportief kind, zeker in de zomermaanden, als hij geen school had en op de sportfaciliteiten van zijn vaders voormalige werkgever naar hartelust mocht zwemmen, voetballen, badmintonnen. Alles was gratis. Het allerliefst was Aram gaan voetballen, maar dat deden zijn oudere broers ook en die raakten geblesseerd, dus zijn vader verbood het.

Op school kon hij goed dingen onthouden en reproduceren en Aram droomde ervan ooit verkeerspiloot te worden, natuurlijk geïnspireerd door Mohammad. Maar de opleiding was duur en hij had ervoor naar Libanon gemoeten. Voorlopig bleef hij zijn school met badminton combineren, en niet onverdienstelijk: in 2014 kwam hij namens Syrië uit voor het jeugd-WK.

Een jaar later deed hij eindexamen op de middelbare school. Hij had net twee examens gemaakt, toen hij te horen kreeg dat hij weg moest. Over een week zou hij vluchten, samen met zijn oudste broer, rechter van beroep. Syrië was niet veilig meer voor ze. Over de details wil hij niets kwijt.

Arams vader wilde zijn zoons een kans bieden op een leven zonder oorlog en geweld. Mohammad koos ervoor de jongen te laten gaan met wie hij de hechtste band had opgebouwd, omdat hij wist dat er voor Aram elders een toekomst lag. Zelf zag Aram zijn vertrek als een groot badmintontoernooi: hij zou op reis gaan en ooit zou hij zijn familie terugzien.

Aram vluchtte via Libanon, Turkije, en met een grote boot naar Griekenland. Van daar ging het per vliegtuig naar Amsterdam, waar een oudere broer en zijn schoonzus al woonden. Hij kwam in een azc in Almelo terecht, toen in Luttelgeest, daarna in Doetinchem, waar hij zijn hele verhaal met behulp van een tolk aan de IND moest vertellen. Hij sliep in die tijd stomtoevallig met een jeugdvriend op een kamer, die zonder dat hij het wist ook uit Damascus was gevlucht en in hetzelfde azc terechtkwam.

Op de baan vergeet hij alles

Overal waar hij kwam, vertelde Aram dat hij goed was in badminton. Steeds waren er mensen die hem hielpen, zoals vrijwilliger Gerard Thijssen, die hem in Doetinchem met de auto eerst naar een zwemclub en daarna naar de plaatselijke badmintonvereniging bracht. Badminton is Arams levenslijn, de verbinding van vroeger met nu, een communicatiemiddel bovendien. Hij kan in het spel al zijn emoties kwijt, vergeet alles als hij op de baan staat. En hij maakt er vrienden mee.

Als hij drie maanden in Nederland is, komt de NOS een item opnemen op de dag dat Aram is uitgenodigd om eens met de badmintonselectie mee te trainen op nationaal sportcentrum Papendal. Bondscoach Rune Massing ziet Aram zonder tempowisselingen spelen, typerend voor spelers uit een land dat niet bekendstaat om zijn badmintonhistorie, vindt hij. Maar bij BV Almere, de laatste jaren vaak tweede in de eredivisie, weten ze niet hoe snel ze Aram moeten inlijven. Daarna raakt zijn leven in een stroomversnelling.

De club regelt samen met de gemeente Almere een appartementje voor Aram in Danswijk, en hij kan gratis komen trainen. Tegelijkertijd probeert hij via filmpjes op YouTube Nederlands te leren, en later doet hij een cursus aan de VU in Amsterdam. Langzaam wordt zijn badminton ook weer beter, hij mag eerst invallen voor een geblesseerde in de competitie bij BV Almere, en inmiddels is hij uitgegroeid tot de beste van de club.

Aram Mahmoud Foto Bastiaan Heus

Sinds Aram in 2019 voor een toernooi in Estland werd ingeloot, is hij opgerukt van de 900ste naar de 180ste plaats op de wereldranglijst. In juni vorig jaar won hij zijn eerste toernooi bij de senioren in Letland, niet als Syriër maar volgens de regels van de internationale badmintonbond BWF als Nederlander, omdat het langer dan drie jaar geleden is dat hij namens Syrië aan een toernooi meedeed. Officieel heeft de Syrische badmintonbond Aram niet vrijgegeven, maar de Nederlandse heeft hen overruled. De trofee uit Letland heeft hij speciaal voor het interview meegenomen.

Olympische vluchtelingenbeurs

Op 20 juni, op Wereldvluchtelingendag, krijgt Aram nog meer goed nieuws. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft hem een beurs toegekend, als onderdeel van het Olympic Solidarity’s Refugee Athletes Programme. Ze hebben zijn opmars gezien en vinden dat hij financiële steun verdient om zijn sport nog beter uit te kunnen oefenen. Het geld is uitsluitend bedoeld om te reizen naar wedstrijden en trainingskampen. Het mooiste zou natuurlijk zijn als Aram zich met dat zetje weet te plaatsen voor de Olympische Spelen van Tokio, het toernooi waar hij al zo lang van droomt, en dat nu dichterbij dan ooit lijkt. In juni bepaalt het IOC wie van de 37 vluchtelingen die wereldwijd zo’n beurs kregen, onder de olympische vlag en namens het Olympisch Vluchtelingenteam dit jaar naar Japan mogen afreizen. De eerste keer dat het team actief was, was op de Spelen van Rio, vier jaar terug.

Twee vluchtelingen wonen en trainen in Nederland, onder wie Aram. De Iraanse Dina Pouryones Langeroudi bereidt zich in Den Haag voor op Tokio, als taekwondoka. De criteria voor deelname zijn onduidelijk, het IOC kijkt van geval tot geval of de Spelen haalbaar zijn.

Arams beurs loopt door tot januari 2021, omdat meedoen met de Spelen niet het enige doel is, maar het ook gaat om een succesvolle integratie in het land waar hij verblijft. Als Aram zich in juni toch niet plaatst, is het ook goed, heeft het IOC hem onlangs in een gesprek verzekerd. Tegen die tijd is hij vijf jaar in Nederland en kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

Inmiddels heeft hij een plekje veroverd op de Johan Cruyff Academy, waar hij commerciële economie is gaan studeren. Hij slaagde in augustus voor zijn toelatingsexamen en spreekt vloeiend Nederlands, uiteraard met een Arabisch accent.

Zijn doel voor de komende tijd is een plek bij de mondiale tophonderd. Dat wordt nog lastig, omdat hij als niet-Nederlander geen deel mag uitmaken van het bondsprogramma en het in Nederland nou niet bepaald wemelt van de sparringpartners op zijn niveau, laat staan dat er trainers zijn die hem kunnen begeleiden. Je hebt Dicky Palyama, trainer van de onder-19-selectie, bij wie hij regelmatig aansluit. Maar hij wil twee keer per dag trainen en heeft meer begeleiding nodig.

Aram mist zijn vader als stok achter de deur. Hij belt hem regelmatig, maar van een afstandje is Mohammad een stuk milder geworden. Als Aram tegenwoordig zegt dat hij moe is, krijgt hij te horen dat hij het rustig aan mag doen. Dat was vroeger wel anders. Aram zoekt iemand die hem de grenzen van zijn lichaam laat verkennen. Want die grenzen kent hij nog niet.