Opinie

Ajax en PSV dalen af in de catacomben van de mensenrechten

Trainingskamp Qatar

Commentaar

Het besluit van Ajax en PSV om naar Qatar af te reizen voor een trainingskamp, afgelopen zaterdag, blijft de clubs achtervolgen. Na bekendmaking van de locatie – Ajax test een stadion voor het WK van 2022 en mag gebruikmaken van een bijbehorend luxehotel, PSV traint in een hypermodern voetbalcomplex – brak een storm van kritiek los. Die is sindsdien niet opgehouden.

Volgens Edwin van der Sar heeft sport niets met politiek te maken. „Wij weten wat er in de wereld speelt, maar zijn niet de partij om daar een statement voor te maken”, stelde de Ajax-directeur. Hij wil best toegeven dat de keuze voor Qatar zijn club geen windeieren legt. Ajax wil aanhaken bij de Europese top en dat kan alleen als de kas gespekt wordt. Zeven ton voor twee oefenpotjes en wat trainingen is makkelijk verdiend.

PSV daarentegen betaalt zelf het verblijf in Qatar. De club beschouwt het als een ‘sportieve investering’. Over de mensenrechtendiscussie antwoordde PSV-directeur Toon Gerbrands tegenover de NOS: „Dat heb ik lang geleden achter me gelaten.”

Deze onverschillige houding jegens mensenrechten staat in de voetbalwereld niet op zichzelf. Toen Liverpool voorafgaand aan het WK voor clubteams in Qatar, afgelopen december, werd gewezen op de mensenrechtensituatie, reageerde directeur Peter Moore met woorden van dezelfde strekking. Pas na maatschappelijke ophef besloot Liverpool niet in vijfsterrenhotel Marsa Malaz Kempinski in Doha te verblijven, maar in een ander oord. Onderzoek van The Guardian wijst uit dat hotelmedewerkers, vaak Aziatische arbeidsmigranten, in de brandende hitte, tegen slechte betaling en onder hoge werkdruk moesten werken. Het doet denken aan de omstandigheden waarin arbeiders de stadions voor het WK van 2022 hebben gebouwd. Mooi dat Liverpool voor een ander hotel koos, stellen mensenrechtenorganisaties, maar de club speelde wel in stadions die door moderne slavenarbeid tot stand zijn gekomen.

Waar Liverpool aan een FIFA-verplichting voldeed, reisden Ajax en PSV vrijwillig af naar Qatar. De club uit Amsterdam verblijft wél in het luxehotel dat de Engelse club in tweede instantie weigerde. Een gemiste kans, want afwijzing zou als signaal aan Qatar sterk zijn geweest. Een niet te onderschatten gebaar, dat een prestigegevoelig regime als dat van emir Tamim bin Hamad al-Thani niet onberoerd had gelaten. Voor Ajax heeft sport misschien niets met politiek te maken, voor Qatar wel degelijk.

Zelfs als het alleen om financiën gaat moet Ajax, dat vorig jaar 52 miljoen euro winst maakte, zich afvragen of het op deze wijze aan geld wil komen. De kwestie raakt namelijk ook aan de toenemende afhankelijkheid van Europese topclubs van steenrijke Chinezen en Russische en Arabische oliebaronnen. De deals zijn lucratief, van uitzendrechten tot sponsors. Hoe hoger de bedragen, hoe lager de morele lat lijkt te liggen. Zo wordt zowel de Spaanse als Italiaanse supercup inmiddels in Saoedi-Arabië gespeeld. Over mensenrechten wordt vakkundig gezwegen. En áls ze ter sprake komen, laten clubs zich door hun geldschieters ringeloren, zoals onlangs bleek toen Arsenal speler Mesut Özil liet vallen, nadat hij de toorn van China had gewekt met zijn kritiek op de Chinese behandeling van de Oeigoeren.

Qatar is geen Saoedi-Arabië of China, maar met de keuze voor het oliestaatje begeven Ajax en PSV zich op het hellend vlak naar de catacomben van de mensenrechten. Lenen de clubs, die zich als maatschappelijk betrokken profileren, zich voor dergelijke snoepreisjes, dan zet het de deur open voor nog meer perverse financiële prikkels uit dubieuze hoeken.