Foto AFP

Interview

Topclubs doen eigenlijk maar wat als het om bewegen gaat

Frans Bosch Topsporters bewegen ‘ver onder de maat’, zegt Frans Bosch, die over de hele wereld bij topclubs werkt. „Veel spelers vallen in de prullenbak met blessures.”

Frans Bosch (54), specialist in beweging en coördinatie van topsporters, zit in een zwart T-shirt achter de computer in Sydney, Australië. Hij heeft vakantie en bereidt zich ondertussen voor op een klus bij Los Angeles Dodgers, een van de grootste honkbalclubs ter wereld. „Overdag ga ik kijken wat ze allemaal doen, en ’s avonds vertel ik ze wat ze verkeerd doen”, zegt Bosch.

Hij doet er luchtig over, zo bijzonder is dit niet voor hem. Bosch schreef drie boeken, over hardlopen, bewegingsanalyse en krachttraining en coördinatie – het laatste is over de hele wereld vertaald.

Ze hebben van hem een veelgevraagd spreker gemaakt. Hij werkte onder meer bij voetbalclubs uit de hoogste divisies van Engeland en Spanje, bij topclubs uit de National Basketball Association (NBA) en de Major League Baseball (MLB) in de Verenigde Staten. Bosch kwam, soms incidenteel, over de vloer bij clubs als FC Barcelona, West Ham United, San Antonio Spurs. De nationale rugbyteams van Wales en Japan begeleidde hij jarenlang.

Bosch heeft methodes ontwikkeld waarmee hij klassieke kracht- en coördinatietraining vervangt door oefeningen waar sporters daadwerkelijk iets aan hebben. „De bewegingsleer heeft zich in het verleden nauwelijks afgevraagd of trainingen in het krachthonk ook tot expressie komen op het voetbalveld, het honkbalveld of de wielerbaan”, zegt Bosch.

De rugbyploeg van Wales, met Alun Wyn Jones, in actie tegen Engeland in 2015.

Foto Henry Browne/Reuters

In het rugby, ook bij de beste nationale teams ter wereld, zag hij vaak spelers diepe ‘squats’ maken met zware halters op de nek. Bosch: „Het idee was dat ze zo hun beenspieren ontwikkelden en daardoor harder gingen lopen, maar als er iets slecht is voor de beenspieren dan zijn het wel die bewegingen diep door de knieën met zware gewichten. Dat trekt je lichaam helemaal uit balans. Je gaat met een holle rug en voorover gekanteld bekken lopen, je kunt je hamstrings niet meer gebruiken – echt een heel scala aan negatieve effecten. Vreemd genoeg wordt daar in de topsport maar weinig over nagedacht.”

Rugby is lang niet de enige sport waar Bosch verkeerde trainingspatronen ziet. Sterker nog, na jaren te hebben rondgelopen bij de grootste sportclubs ter wereld zegt hij: „De lichaamstechniek van veel topsporters is ver onder de maat.”

In 2015 analyseerde NRC de bewegingen van topatleet Dafne Schippers

Hoe komt dat?

„Er is een treurige regel: hoe meer geld er in een sport omgaat, hoe minder professioneel men omgaat met de lichamen van de topsporters. Als je kijkt naar het voetbal, het honkbal of American football , dan zie je dat clubs vreselijk ver achter lopen.”

Waar merkt u dat aan?

„Bij de Nederlandse voetbalbond, de KNVB, hebben ze bijvoorbeeld ooit bedacht dat zonder bal trainen geen zin heeft. Dat is echt nonsens. Voetballers hebben over het algemeen een slechte lichaamsbeheersing. Ik heb klussen gedaan bij clubs in de Premier League, de hoogste Engelse competitie. Als je daar van de twintig twee spelers treft die op niveau bewegen, dan is het veel. Achttien van de twintig hebben een lichaam dat nodig onderhoud verdient.”

Wat ziet u aan die lichamen?

„Veel voetballers en American footballers hebben een beperkte heupstrekking. Dat is fataal voor goed bewegen. Die spelers verliezen controle over de bewegingen van hun bekken. Dat werkt blessures, zoals aan de hamstring, in de hand. Ook zie ik spelers die hun romp slecht draaien, waardoor krachten elders in het lichaam het bewegingspatroon verstoren. Vaak zie je spelers met problemen aan het spierskeletstelsel, die worden veroorzaakt doordat ze altijd maar doorgaan met verkeerde bewegingen. Preventieve trainingen zouden helpen, maar die worden nauwelijks aangeboden. En nee, dat zijn geen trainingen met een bal.”

Tennisser Roger Federer tijdens een dubbel met Alexander Zverev in Hangzhou, eind december.

Foto AFP

Het komt merkwaardig over, grote clubs die zo slecht omgaan met de lichamen van hun spelers.

„Het ís ook schokkend. Ik was bij FC Barcelona. Daar hadden ze nog nooit een bewegingsanalyse gemaakt van een speler, ook niet in de jeugdopleiding. Dat gebeurde gewoon niet. Dan denk ik: het is net als een chirurg die gaat snijden voordat de radioloog een analyse heeft gedaan. Men doet eigenlijk maar wat, waardoor veel spelers in de prullenbak vallen met blessures of niet alles uit hun lichaam halen.”

In de topsport wordt toch juist álles bijgehouden van spelers, van het aantal kilometers dat ze rennen tot de calorieën die ze verbranden.

„De inspanningsfysiologie is aardig ver. Er worden veel data verzameld en die worden doorgeredeneerd naar de belasting van spelers. Dat gaat goed. Maar de volgende stap is dat clubs en atleten weten of ze goed bewegen. Als iemand een aantal keer vijftig meter sprint, wordt bij profclubs gezegd: we zien in onze data dat dit te veel is voor deze sporter, dus deze speler moet minder sprints op hoge intensiteit trainen. Maar het maakt nogal een verschil of iemand vijftig meter sprint met een puntgave techniek waar het lichaam geen stress van krijgt, of met een techniek waardoor het lichaam enorme klappen krijgt.”

Lees ook: schaatser Sven Kramer worstelt al jaren met rugproblemen

Is er te weinig kennis bij clubs en sporters?

„Nee, er werken zeer goede trainers bij clubs. Het probleem is dat ze nauwelijks de kans krijgen om hun werk te doen. Clubs, zeker in het voetbal, zijn enorm instabiel. Trainers worden voortdurend ontslagen, spelers als warme broodjes verhandeld. Bij West Ham United probeerde ik bepaalde patronen in te voeren, maar steeds als ik er kwam hadden ze een andere trainer en kende ik niet één speler meer. Dan heeft het weinig zin om coördinatietraining te doen. Dat is echt een systeemprobleem in de topsport. Het is slecht voor de lichamen van spelers en slecht voor de prestatieontwikkeling.”

Want het kost tijd om beter te bewegen?

„Zeker. Bij het nationale rugbyteam van Wales werkte ik negen jaar. Daar was steeds dezelfde coach met dezelfde technische staf en veelal hetzelfde team. Daar werken de fitness-, kracht- en technische coaches nu heel goed samen – dat zie je overigens vaak verkeerd gaan. Bovendien hebben we alle oefeningen die schadelijk zijn, zoals die met de squats en de halters, eruit gegooid. Ik zie aan die jongens dat ze beter bewegen. Ze maken minder onnodige bewegingen en zijn effectiever gaan spelen.”

Basketballer James Harden van Houston Rockets in actie tegen Los Angeles Clippers, in november 2019.

SEAN M. HAFFEY/AFP

U bent nogal hard over de huidige trainingsleer in de topsport. Roept uw aanpak veel weerstand op?

„Dat zal best, sommige mensen willen niets veranderen. Maar een nieuwe generatie coaches pakt het wel op. Bij Wales bedenken ze nu zelf oefeningen waar de jongens beter van gaan bewegen, dat vind ik mooi om te zien. Zeker in de Verenigde Staten zie ik een omslag in het denken. Clubs zien dat hun voornaamste kapitaal, de spelers, veel beter behandeld kunnen worden. Kijk naar James Harden, de superster van de basketbalploeg Houston Rockets. Hij beweegt nagenoeg perfect. Er is een analyse gemaakt van zijn spel. Hij is eigenlijk nergens echt beter in dan andere topspelers. Het enige: hij kan beter afremmen. Dat maakt hem zo wendbaar dat hij zo goed als onbespeelbaar is.”