Recensie

Recensie Boeken

De stroper met dode konijnen in zijn jas

Hans Tentije Het werk van Hans Tentije gaat met name over het verloop van tijd, over hoe voorvallen zich opeens sneller of vertraagd (dat met name) aan iemand voor kunnen doen. (●●●●)

De innerlijke bioscoop geldt als het enige prozawerk van Hans Tentije (1944), de twee winters geleden met de Constantijn Huygens-prijs onderscheiden dichter. Tentijes uitgever, zo memoreerde Arie van den Berg enkele jaren terug in deze krant, typeerde het oorspronkelijk in 1990 gepubliceerde werk aanvankelijk als een roman. Ten onrechte, meende Van den Berg, die de tekst eerder zag als een verzameling prozagedichten. Voor die stelling valt – alleen al op basis van de woordliefde en de muzikaliteit en de ingediktheid van de zinnen – wat te zeggen. Ter illustratie de eerste zin van ‘Deze herfst’: ‘Deze herfst die zich verwart in spinsels, onbestaanbare kleuren, de val van spreeuwen.’

Een roman kan het sowieso nooit geweest zijn, daar was het met tachtig pagina’s tekst domweg te dun voor. Thematisch is er wel enige samenhang te ontwaren. Tentijes teksten gaan over de interpretatie van kunst, over reizen en met name over het verloop van tijd, over hoe voorvallen zich opeens sneller of vertraagd (dat met name) aan iemand voor kunnen doen. ‘Melancholisch’ is overigens niet het juiste woord om dit kenmerk te vangen. En waar je je ook bewust van wordt is dat de nu publicerende collega’s van Tentije in hun verhalen of romans zo vaak ‘gewoon’ aan informatieoverdracht doen, vooral helderheid lijken te willen verschaffen. Tentije vermijdt dat. Je weet vaak niet waar je je bevindt en het gebrek aan dialogen zorgt ervoor dat je niet goed weet wat de mensen in de verhalen nu precies najagen. Een Tentije-verhaal is in de eerste plaats taal, pas daarna verhaal.

Dode konijnen

Het nu opnieuw gepubliceerde De innerlijke bioscoop is ongeveer twee maal dikker dan de versie uit 1990; het is aangevuld met dertien niet eerder verschenen stukken, die veelal drijven op herinneringen aan een arbeideristische, fysieke jeugd en die zakelijker van toon zijn, wat ze op slag prozaïscher maakt. Iets van een licht berouw lijkt er ook te zijn: in een prachtig verhaal over de jeugdige omgang met een ruwe bolster in een haven concludeert Tentije: ‘Vaak zat ik nog tot laat onder de lamp in onze woonkamer, als mijn vader en moeder naar bed waren, met een balpen en een blocnote voor me op het tafelkleed en probeerde er een paar behoorlijke regels uit te krijgen. Veel verder dan wat quasi-interessante diepzinnigheden die ik een ogenblik daarna zelf onmogelijk meer kon doorgronden schopte ik het nauwelijks. Eigenlijk had ik over hem moeten schrijven, over hoe hij zich daar steeds staande hield, in de blikkerende hitte, in storm en koude wind, regen, sneeuwjachten.’

Het oudere deel van De innerlijke bioscoop is poëtischer, het nieuwe menselijker. Haarscherp is het portret van een in de duinen levende jutter en stroper, die vroeger de panden van zijn jas openklapte als hij bij ‘klanten’ over de vloer kwam: ‘Konijnen, verscheidene dode konijnen waren op een ingenieuze manier aan de binnenkant van die zwaar afhangende, treurige vlerken vastgehaakt.’ Zijn zoons, ruige Zündapp-rijders, speelden accordeon. ‘Met hun gemarmerde instrumenten voor zich zaten ze, in een tuig van bretellen, achter hun lessenaars. De knoppen van het basregister pasten voor mijn gevoel beter bij ze dan het ivoor, hoe brandschoon hun vingers en nagels dan ook waren.’