Zijn oeuvre stáát, als een stad vol wolkenkrabbers

Lanoye over Deelder Op Oudjaarsdag werd de Rotterdamse dichter Jules Deelder gecremeerd. De Vlaamse schrijver Tom Lanoye over „de literaire Salvador Dalí”.

Tom Lanoye en Jules Deelder, november 2013.
Tom Lanoye en Jules Deelder, november 2013. Foto Károly Effenberger / Hollandse Hoogte

Het decennium sloot af met de uitvaart van Jules Deelder. Ik moest noodgedwongen verstek laten gaan en dat viel me zwaar. Jules was een tijdloze meester, die ook van zijn verschijning een chef-d’oeuvre heeft gemaakt. Een Rotterdamse, literaire Salvador Dalí. Lenny Bruce op rijm en op sterk water.

We stonden vaak samen op het programma van literaire nachten, een paar keer deelden we het podium en de microfoon. Hadden we verder iets gemeen? Ook zijn vader was handelaar in vleeswaren, al kon je dat aan zijn taille minder goed aflezen dan aan die van mij. Ook hij had een fascinatie voor brillen, al zou je zijn voorliefde – de vlinderbril à la Nana Mouskouri en Dame Edna – meer bij mij verwachten dan bij een jazz-cat-hetero als hij. En last but not least: lang voor ik het kon verzinnen, bedacht hij het motto waarmee we allebei ons werk hebben gekaderd, van eerst af. „Poëzie is ook theater.” Correctie. Álles is toneel.

Voor de rest? Een wereld van verschillen. Hij structureel high, ik zo clean als een kloosternon. Muziek? Zijn religie heette jazz, ik ben een verstokte disconicht. Zelfs voor de jonge Michael Jackson draai ik nog steeds mijn hand niet om. Dat heb ik Jules nooit durven bekennen. Dat hoefde ook niet. Hij giste het vanzelf en deed er genadig het zwijgen toe.

Ik kende en bewonderde zijn werk al toen ik hem voor het eerst ontmoette. Hij keek op naar mij, want hij stond op de begane grond, met zwarte hoed, vlinderzonnebril en lange leren jas, de beide ellebogen rustend op een van de stoffige prakticabels waarmee het podium was samengesteld. We schrijven begin jaren tachtig, in het Gentse. Ik trad toen op met een kompaan, James Bordello. ‘De Laatste Twee Grote Poëtische Beloften Van Net Voor de Derde Wereldoorlog!’ Die aankondiging had Jules nieuwsgierig genoeg gemaakt om de artiestenfoyer te verlaten.

Misschien had ook onze outfit hem getriggerd. Bordello: half bebaard en als Tom Waits-fan gehuld in slordig pianistenpak en rock-’n-rollboots. Ik: een instantpunk met een gekrulde vetkuif, gestifte lippen, zwart omrande ogen, strategisch gescheurde kleren en oorbellen met knijpers. Ook dat was toneel. In het weekend erna speelde ik gewoon weer keurig kelner in het restaurant van mijn oudste broer. In smoking, zonder lippenstift en met een acceptabel kapsel. Kelner spelen ging me niet eens slecht af, al heb ik bij het flamberen-aan-tafel ooit de paarse haarspoeling van een rentenierster in de fik gestoken.

Om onze act kracht bij te zetten zeulden Bordello en ik kunstzinnig over de planken rond met gekleurde buislampen in onze tengels. Om beurt brachten we voor de microfoon een kort gedicht te berde. Ik daarbij zodanig schreeuwend van de sturm-und-drang dat ons optreden niet langer in beslag nam dan een kwartier – de duur van jonge stembanden vóór ze klappen. Niettemin kregen we van Jules bij het afdalen van het wankele trapje een schouderklop en een grom. „Niet slecht”, „well done”, zoiets.

Weinig complimenten hebben me in mijn loopbaan zo verheugd en gesterkt, hoewel Jules daar in zijn eentje stond. De twee andere coryfeeën du jour waren in de bar gebleven. Johnny the Selfkicker uit zattigheid. Dat kon ik nog waarderen. De andere, Simon Vinkenoog, uit hoogmoed en onverschilligheid. In mijn herinnering lachte hij ons zelfs uit.

Ik nam kort daarop wraak in een van mijn eerste satirische tirades, gepubliceerd in De Zwijger, het blad van wijlen Johan Anthierens. „‘Simon Vinkenoog? ’n Roze sjaaltje, met daarboven twee natte oogjes die in een Mongoolse rattenkop ronddrijven als op een bord magere soep. Een persiflage op de Eeuwig Jonge Biafraan. Ook artistiek gezien is hij een hongeroedeem op zwemvliezen.”

Dat was, behalve lekker vals, toen al de nagel op de kop. Vinkenoog, de godfather van de performance poëzie, is onmiskenbaar een literair-historische sleutelfiguur gebleken. Als organisator, bloemlezer, feestjesbouwer en tv-predikant. Maar zijn schrijfwerk is met recht in de vergetelheid gesukkeld.

Bij Deelder zie ik dat niet gebeuren. Zijn oeuvre stáát. Als een stad vol wolkenkrabbers. Misschien komen de waardering en de mythe zelfs nu pas goed op gang. Omdat met het wegvallen van zijn persoon ook het typetje verdwijnt dat men te vaak van hem gemaakt heeft. Om zijn werk niet au sérieux te hoéven nemen.

Hij heeft daar zelf duchtig aan meegewerkt. Met verachting, zelfs enige bitterheid. Hoezo – ‘de dichter’ mag niet ook de moppentapper uithangen, of verschijnen in maffe commercials, of toeren met Kamagurka, of nette tv-talkshows verstoren op het irritante af? Dan ging hij dat juist dubbel doen. Altijd tuk op het neerhalen van voorgeschreven façades. Zodoende toch munitie leverend voor wie sowieso niet houdt van absurdisme en ontregeling.

In the visual arts vormen het zwarte vierkant van Malevitsj, de mosselpot van Broodthaers en het omgekeerde urinoir van Duchamps geaccepteerde mijlpalen. Er wordt wereldwijd op voortgebouwd of tegenop geschilderd, vooral door aanstormende talenten. In de literatuur zijn Dada en zijn vele uitlopers altijd weer gekanaliseerd, gecastreerd, gebanaliseerd. Het verarmt onze blik en verkleint onze helden.

Lees ook de necrologie van Jules Deelder: Rauwe dichter van de Rotterdamse straat

De readymades die opduiken in het werk van Deelder zijn geen aardige gimmicks, zoals ik ze in menig in memoriam beschreven zag. Ze plaatsen hem in een traditie die ontstond in het Cabaret Voltaire van Zürich (1916). Ze werd opgepikt in het Berlijn van de jaren dertig en herontdekt door de beatniks, de popart, zelfs de punk. Gedichten mochten eindelijk ook bestaan uit lukraak geordende citaten uit de rioolpers, de reclame of de pulplectuur. Mijn favoriet bij Jules komt uit een jongensboek. „De dief schoot eerst, maar Biggles was hem voor.” Daar níet overheen lezen, dat is de kunst.

Als die barrière eenmaal genomen is, laat de hele massacultuur zich recyclen. Hoe volkser, hoe liever. De accordeonist en koning van het levenslied Jaap Valkhoff – bedenker van ‘Diep in mijn hart’ en ‘Japie de portier’ – schreef ook ‘Dat kan alleen in Rotterdam’. Een onverwoestbare ode aan zijn geboortestad die zich na de ravage der Duitse bombardementen moest heruitvinden.

Kilometers in het rond

Gaan de palen in de grond.

Jarenlang heb ik deze legendarische regel toegeschreven aan Deelder. Waarom niet? Zijn eigen klassieker, ‘Stadsgedicht’, begint met een straffe variant:

Tegenwoordigheid van geest

En realisme in ’t kwadraat

Vieren onverstoorbaar feest

In een opgebroken straat.

Deelder was, los van al de rest, de eerste en langst benoemde stadsdichter der Lage Landen. Zonder officieel mandaat, maar tot tevredenheid en trots van zeer velen.

In de literaire cenakels maakt dat soort bijval je juist niet populair. Desondanks stond Deelder ook in zijn eigen tijd lang niet alleen. Ik trok gisteren de verzamelbundel van zijn minder bekende stadsgenoot Cor Vaandrager weer uit de kast.

De kroketten in het restaurant

zijn aan de kleine kant.

Geen ander gedicht van slechts twee regels bezit zo’n mythische status. Ik krijg zin om hier ook de lof te zingen van andere Zestigers als Hans Verhagen, Hans Sleutelaar en Armando. En via hen de lof van het Neder-Vlaamse tijdschrift Gard Sivik, zodat ik ook mijn eigen stadsgenoot Paul Snoek in stelling kan brengen, en die goede Gust Gils. Waarom werd die nergens genoemd, zelfs niet in de Vlaamse pers? Naar Beat Poet Allen Ginsberg en zijn lover Peter Orlovski werd natuurlijk wel verwezen. En naar Jack Kerouac, al zie ik amper het verband met Jules. Nee, dán Richard Brautigan. En William Burroughs, ‘the original junkie’, van wie Jules The Last Words of Dutch Schultz vertaalde.

Maar om dit rondje namedropping te besluiten noem ik graag de twee Belgen aan wie Jules míj het meest doen denken.

De eerste is reclameman Willem Elsschot. Ik heb het dan over hun beider proza. Dat van Jules wordt schandalig onderschat. Koop zijn verzamelaar, De dikke van Deelder, en overtuig uzelf. Er valt volop kolder te rapen, naast geestverruimende experimenten die burgerman Alfons de Ridder vast het hoofd hadden doen schudden. Maar talrijker zijn de afgemeten zinnen, de vederlichte wanhoop en de diepe tragedies, goed verscholen in pijnlijk beschreven alledaagsheid.

‘Nacht in Tunesië’, uit de verhalenbundel Schöne Welt, is een van de mooiste korte verhalen ever. ‘Hij was veertig, journalist, te klein van stuk, met een neiging tot dik worden, vrijgezel dus, en ten prooi aan depressies.’ Als een verhaal zo begint, dan lees je door, tenzij je literair toondoof bent.

Maar de echte voorganger en soulbrother van Jules is natuurlijk Paul van Ostaijen. In proza, poëzie én persona. Dat achterovergekamde haar, die goedgeklede dandy-pose, die priemende blik, die hint van cocaïne, die gedeelde fascinatie voor Berlijn en voor woorden die zich lenen tot een zuivere cadans… Zou Deelder niet gewoon een reïncarnatie zijn van onze eerste modernist? Had hij, levend in 1916, niet zijn eigen Music-Hall geschreven? Of De bankroet jazz, het eerste dadaïstische filmscenario ter wereld?

In ‘Huldedicht aan Singer’ recycleerde Van Ostaijen al een toenmalig modeverschijnsel: de reclameslogan.

Panem et Singerem

Panem et Singerem

SINGERS NAAIMASJIEN IS DE BESTE.

En Jules verdenk ik ervan dat hij in zijn gedicht ‘Impressie’ doelbewust verwees naar ‘Melopee’, Van Ostaijens beroemde slaapliedje.

We liepen.

We liepen door.

We liepen door de Lijnbaan.

We waren.

We waren stoned.

We waren zo stoned als een aap.

De grootste parallel is deze. Bij leven en welzijn werd Van Ostaijen door vriend en vijand ‘Zot Polleke’ genoemd. Pas na zijn dood werd hij steeds meer op handen gedragen, meestal om andere redenen dan artistieke. Omdat hij zich als schrijver verzette tegen de culturele en politieke hegemonie van het Frans in België, wordt de meester van de dichtkunst in Vlaanderen opgevoerd als een mascotte van het separatisme, en weinig meer dan dat. Het is de doem van menig kunstenaar. Misprijzen bij het leven, misbruik erna.

Maak jij je daar geen zorgen over, Jules. Jij valt niet te recycleren, behalve door je lezers en je dankbare stadsgenoten. Rust heftig, dus. Heftig maar strak in stijl en pak. Zoals je hebt geschreven en geleefd.

Correctie (8 januari 2020): In een eerdere versie stond dat Deelder was begraven, dat is veranderd in: gecremeerd.