Recensie

Recensie Boeken

Oudere mannen naar wie geen vrouw meer kijkt

Breukers en Dautzenberg In hun nieuwe romans richt een eenzame man zich alleen nog op zichzelf en niet op de wereld om hem heen. In beide gevallen komt dat door een vrouw.

Foto Getty Images

Met een personage dat er heilig van overtuigd is dat er een gewei uit zijn schedel groeit en een ander dat wijsgerige gesprekken met een vogeltje voert kunnen we rustig constateren dat zowel Chrétien Breukers (1965) als A.H.J. Dautzenberg (1967) een roman met surrealistische trekken heeft afgeleverd. Dat Geestman en En in de nacht een riem echt volbloed surrealistische romans zijn voert wat te ver, maar de twee boeken bevinden zich geregeld in die koortsachtige sfeer tussen droom en werkelijkheid, daar ergens tussen gezond, navolgbaar lezersverstand en de associatieve verbeelding die af en toe best veel van diezelfde lezer vraagt.

Breukers’ Thomas Meerman, een 54-jarige schrijver, gaat ook écht onder koorts gebukt. Zwetend als een otter (en zoals een vriendin hem op zeker moment toevertrouwt: stinkend als een buffel) ligt hij op zijn bed, films en series bingend en zijn gestremde leven en zonden overdenkend. In zijn geval betekent dat het voor de geest halen van de twee vrouwen met wie hij zijn leven deelde en die sinds kort zijn toegevoegd aan het corpus der exen; Meerman was getrouwd met Leonie maar hij verliet haar voor de veel jongere Jitka. Maar die is hij nu ook kwijt.

Sado-masochisme

Breukers ironiseert dit romanuitgangspunt – een dijk van een cliché natuurlijk – op geen enkele manier, maar hij beschikt dan ook over een paar troeven die zijn verhaal verteerbaar en soms zelfs beklijvend maken: een vrijpostige, inzichtelijke behandeling van de sado-masochistische erotiek (dat is dan die riem uit de titel) en een fragmentarische compositie, waarin alinea’s over het gestaar en voorzichtige gefoezel van de prille jeugd en de striemen en vochtige vagijnen en zonwaarts gerichte fallussen van het volwassen leven elkaar afwisselen en daarmee suggestief aanvullen.

De mannen (want ook in Geestman voert een schrijvende man het woord) zijn op een bepaalde manier ‘naar binnen geslagen’; hun bewustzijn richt zich niet langer op de zintuiglijk waarneembare wereld om ons heen, maar op hun eigen binnenwereld. En ook bij Dautzenberg is een vrouw daar verantwoordelijk voor; een in de soep gelopen afspraakje doet de verteller zijn eigen huis ontvluchten. De vlucht voert vervolgens niet naar kroeg of kerk, maar naar een regenplas op straat, een regenplas die hier functioneert als de spiegel in Lewis Carrolls Through the Looking-Glass, als een magische deur die toegang biedt tot een nog niet geëxploreerde dimensie vol vreemd volk en mondig, mededeelzaam fauna. Toon Tellegen on acid.

Dautzenbergs man is op zoek naar antwoorden, hij wil een groot, jeukend geheim ontzenuwd zien en valt daarbij terug op een pratende mol (een blinde ziener!) die al wroetend een weg vrijmaakt richting een ‘dichter’, een lange tijd identiteitsloos gehouden schepsel dat durft om de taligheid en verinnerlijking van de schrijver te bevragen.

Ouder worden

Dat is in aanleg best diepe en intieme thematiek, omdat je op je klompen aanvoelt dat Dautzenberg hier vermoedelijk zijn eigen schrijftwijfels onder behandeling neemt. Wat hij beter had kunnen laten, en wat hij volgens mij tien jaar na te zijn gedebuteerd ook al lang had moeten laten varen, is het steeds maar weer plat maken van zijn eigen schepping, want met deze aanpak is het alsof je Tarkovski’s Stalker met wat geboer uit Geer & Goor krijgt gepresenteerd. Gaat de geest eens de diepte in, dan wordt er binnen no-time weer gemijmerd over ‘kuthoeren’ en stort de boel weer krakend en piepend neer.

Meer dan eens word je door de gedachte overvallen dat er aan de fantasievolle schrijverij van zowel Breukers als Dauztenberg een tamelijk overzichtelijke nederlaag ten grondslag ligt: oud of ouder worden en dan geen vrouw meer zo gek kunnen krijgen om naar je om te kijken. De angsten zijn niet in misogyne romans terecht gekomen, dat is wat al te bars, maar het is wel opvallend dat er nogal om het woord ‘eenzaamheid’ wordt heengedraaid, als iemand die de eerste slag met de riem bedremmeld tegemoet ziet.

Dát niet alleen benoemen, die eenzaamheid, maar echt behandelen is de ware opdracht voor deze twee auteurs, want nu zweeft het allemaal nog ergens tussen surrealisme en zelfbeklag, resulterend in een vlucht richting de nooduitgang die meligheid heet bij de een (Dautzenberg) en bij de ander in een overdaad aan tunnelvisie slash egocentrisme. En: schrijf scènes! Die zich ergens afspelen! Toon ons een wereld en met dan daarín die getarte bewustzijnen. Dan krijg je zelfs de vrouwen mee, ik geef het je op een briefje. Waargebeurd is geen excuus, parafraseert Dautzenberg Reve in Geestman. Dat moge waar zijn, maar een toevoeging van waar iets gebeurd is kan echt geen kwaad.