Poëzie die je niet verwacht

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Poëzie die je niet verwacht, is het mooist. Zo fietste ik een tijdje terug over een echte Buitenveldertse laan, zo’n laan waar niets te beleven valt, kaarsrecht, met groenstroken in het midden en afgebakende fietspaden aan weerskanten, toen ik op een doosvormig gebouw plotseling een regel van Kees Winker zag. ‘…HET ZOMERSGROEN’ las ik. En daarmee moest ik het doen.

Ik geef toe, het is weinig, maar toch was het genoeg om mijn dag te kleuren. Ik dacht aan Kees Winkler, aan de gepoederde bolknak tussen zijn vlezige lippen, aan de sigarenas op de revers van zijn blauwe pak, aan zijn opgewekte maar tegelijkertijd zo gekwelde verzen en geheel verkwikt vervolgde ik mijn weg.

Om een paar weken later, komende van de Transvaalkade, na het viaduct met de kamelen, in vliegende vaart de Weesperzijde op te draaien. Ha!, de Amstel, ha!, de torens van de stad, en die heerlijke brug al binnen handbereik. Ter voorbereiding op de gecompliceerde bocht omhoog, versnelde ik nog wat en precies op dat moment zag ik aan mijn rechterhand, in een etalage pal naast eethuis Athene, een gedicht van Hagar Peters hangen. Wat te doen? In de remmen knijpen? Maar ik ging net zo lekker! Volgende keer, besloot ik.

Toen de volgende keer gekomen was, raasde ik met de 3 de Ceintuurbaan af tot de halte 2e Van der Helststraat. Daarna langs het huis met de kabouters en de bejaardenhoek het water over, waar ik al van verre zag dat Hagar Peters was verdwenen.

Jammer, maar gelukkig, er hing iets anders. Van Jan Arends: ‘Ongrijpbaar/ is/ mijn verdriet.// Zoals/ een vrolijke/ gedachte.// je/ ziet/ hem bijna/ niet.’ Iedere straat zou zijn eigen vers moeten hebben, denk ik wel eens. Op de Admiraal de Ruijterweg trof je dan het gedicht van Lex Schrijver dat zo begint: ‘Krom en bochtig gaat hij voort/ met een tram die soms ontspoort./ Wiegbrug-Krommert-Sloterdijk./ Trambestuurder pakt de rem,/ conducteur loopt door de tram,/ iedereen is uitgestapt,/ stoelen worden omgeklapt,/ want de Kikker gaat weer t’rug.’

En aan de Levensgracht, u weet wel, achter het Dodenpleintje, vond je ‘Regen in de stad’, prachtig vers van Jacob Israël de Haan (en Arthur Rimbaud): ‘Het regent zachtjes op de stad/ En al zijn zwarte narigheid,/ De bruine boomen druipen wat/ Langs watergracht dubbel gereid.// Ik werk en ik leef. Doe dit en dat./ De wind trekt schreiend om het huis/ Een regen regent zijn strak geruisch/ Op mijn verdriet en op de natte stad.// Kijk naar de droppels in het water,/ Ach denk aan jou… aan hem… aan later,/ Geen vrindschap, vrouw, geen liefde baat er// Als regendroppels in de gele gracht,/ Vergaan wij allen zonder macht/ In ’t gore water van de Levensgracht.’

Guus Luijters schreef wekelijks over de poëzie in de stad. Dit was de laatste aflevering van de serie Halte Poëzie.