Opinie

Nederland opnieuw op de tekentafel

De stikstofcrisis heeft aangetoond dat het zo niet langer kan, zegt zowel als . Nederland moet opnieuw worden ingericht. Maar hoe? Plus drie tips van .
Foto Getty Images

Splits natuur en landbouw

Het beleidsideaal in Nederland is jarenlang geweest om natuur in kleinschalige landschappen te verweven met hoogproductieve, grootschalige en intensieve landbouw. De stikstofcrisis heeft echter aangetoond dat dit tot onoplosbare conflicten leidt. In plaats van een vreedzame vermenging van functies zijn ‘frustratielandschappen’ gecreëerd. Natuur en landbouw houden elkaar daar in de klem.

Dit soort frustratielandschappen zijn bijvoorbeeld aan te treffen in veenweidegebieden van het Groene Hart en in Friesland. Boeren voelen zich beknot in hun bedrijfsuitoefening en toekomstperspectief. Natuurliefhebbers – en zij niet alleen – maken zich druk om het verdwijnen van weidevogels en lijden aan ‘landschapspijn’. Het streven van minister Carola Schouten naar ‘circulaire landbouw’, met minder stikstofuitstoot, lost dit probleem niet afdoende op.

De oplossing moeten we daarom zoeken in het aanwijzen van grotere gebiedseenheden, met een duidelijker onderscheid tussen regio’s waar natuur en landschap prioriteit hebben en kerngebieden voor de landbouw. De meeste van de 160 Natura 2000-gebieden gaan deel uitmaken van de natuur- en landschapszones. Zo komt een einde aan de versnippering en krijgen boeren én natuur meer ademruimte.

Het idee voor aanwijzing van landbouwkerngebieden naast de ecologische hoofdstructuur stamt van de Wageningse hoogleraar Rudy Rabbinge die het in 1992 uitwerkte in het rapport ‘Grond voor keuzen’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Onlangs hebben Louise Fresco, voorzitter van de Universiteit Wageningen, en oud-minister Cees Veerman het concept nieuw leven ingeblazen (Kabinet moet staatscommissie instellen voor toekomst landbouw en voedselvoorziening, Het Financieele Dagblad, 4/12).

Hun voorstel komt op het juiste tijdstip: velen voelen de urgentie en er is geld om het uit te voeren. Alleen maken Fresco en Veerman de fout een ‘zware staatscommissie’ in te willen stellen, met een opdracht voor de lange termijn. Zo’n logge commissie biedt de beste garantie dat er niets van terecht komt.

De contouren van een scheidingsvoorstel op nationaal niveau zijn namelijk niet zo ingewikkeld. Door de oogharen bezien tekenen zich de kerngebieden zich af; het is vooral een kwestie van politieke wil en voldoende draagvlak.

Landbouw krijgt de ruimte in een strook van vruchtbare kleigronden van Zeeuws-Vlaanderen en West-Brabant en de rijke graslanden in het westen, via de Flevopolders tot in Friesland en Groningen. Agrarische bedrijven moeten ook in deze kerngebieden voldoen aan randvoorwaarden van milieu, gezondheid en ruimtelijke ordening. Maar hoge eisen met betrekking tot ecologie en biodiversiteit gelden niet.

Voor de ruggengraat van het natuurareaal kunnen we werken vanuit het bestaande Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de ecologische hoofdstructuur). De aanleg van verbindingszones kunnen die structuur veel robuuster maken. In de buurt van de stedelijke agglomeraties krijgen groene gebieden een extra impuls. Het gaat bijvoorbeeld om het Van Gogh Nationaal Park, omgeven door de Brabantse steden, het veenweide- en poldergebied Amsterdam Wetlands tussen Alkmaar en de hoofdstad en het Ringpark Utrecht, dat de groene gebieden rond de Domstad met elkaar koppelt. Zo kunnen stedelingen op de fiets naar een aantrekkelijk, gevarieerd cultuurlandschap, met groen en water.

De scheidingsoperatie tussen landbouw en natuur zet heus niet het hele land in een ruimtelijk ordeningskorset. Sterker nog: een groot areaal – circa een miljoen hectare – valt buiten deze indeling. In deze zones blijft ruimte voor verweving van groene functies. Daar ook blijft ruimte voor andere keuzes in de toekomst, bijvoorbeeld voor nieuwe stedelijke functies als woningbouw, bedrijventerreinen en infrastructuur.

Landbouw is in het uitgebreide natuurnetwerk bovendien niet uitgesloten, maar moet zich richten naar de doelstellingen die voor ecologie, biodiversiteit, waterkwaliteit en landschap zijn gesteld. Hier zijn ook windmolens en (grote) zonneweides verbannen.

Aan de andere kant valt binnen landbouwkerngebieden niet uit te sluiten dat voor sommige kleine natuurgebieden de ecologische doelstellingen naar beneden zal moeten worden bijgesteld. Dat is wat anders dan compleet opheffen van deze natuurgebieden; een onjuiste framing die snel de kop op zal steken.

De nieuwe gebiedsindeling van natuur- en landbouwgebieden krijgt pas betekenis bij de realisering op regionale en lokale schaal. De afbakening en herschikking van landbouw- en natuurgebieden zal op verschillende plaatsen een heftige, emotionele belangenstrijd met zich mee brengen. De provinciebesturen zullen vooral de kolen uit het vuur moeten halen. Dat vergt stuurmanskunst en de inzet van een ruim, door de rijksoverheid beschikbaar te stellen budget. Denk aan de uitkoop en verplaatsen van landbouwbedrijven, aankoop en herinrichting van verbindingszones en opzetten van herverkavelingsprojecten.

Deze crisisperiode is het uitgelezen moment om Nederland opnieuw op de tekentafel te leggen en deze uitdagende operatie uit te voeren.

Véél minder vee

De veeboeren hebben flink van zich laten horen de afgelopen tijd. Niet vreemd, want de boerenacties – veelal gesponsord door de agro-industrie – lijken succesvol. Maar schijn bedriegt. De stikstofcrisis is een uitgelezen kans om de veehouderij schoner, diervriendelijker en toekomstbestendig te maken. Over die wens bestaat brede consensus, ook bij boerenorganisaties. Maar door de boerenacties lijkt nu het tegenovergestelde te gebeuren.

Politiek Den Haag schoot na de acties in een stuip van ‘korte termijn cliëntelisme’. In plaats dat men de rechterlijke stikstofuitspraken gebruikt om de gezamenlijke wens te realiseren, dreigen er juist stappen terug te worden gezet. Zo heeft Nederland verhoudingsgewijs al de minste natuur in Europa, maar spreken we anno 2020 opeens weer over het schrappen van natuurgebieden.

Zonder vee-industrie geen stikstofcrisis. Nederland is een van de landen met de hoogste vee-dichtheid ter wereld. Zo slachten we in Nederland meer dan 600 miljoen kuikens en kippen per jaar. Dat zijn er 19 per seconde; vooral plofkippen voor de export. De landbouw veroorzaakt 61 procent van de Nederlandse stikstofemissie. De maatschappelijke kosten van de vee-industrie lopen in de miljarden – door haar bijdrage aan de stikstofuitstoot, klimaatverandering, vermesting en fijnstof.

In het stikstofdossier blijft bovendien de grootste groep belanghebbenden ongenoemd: de dieren. De vee-industrie is verantwoordelijk voor veel dierenleed, zoals kreupele plofkippen, moedervarkens in krappe kraamkooien en biggen wier staartjes onverdoofd worden gecoupeerd.

Ook deze dieren zijn de dupe van de hoge vee-dichtheid in Nederland. Deze verhoogt de kans op verspreiding van dierziekten. Ook worden vanwege strenge milieuregels veel stallen potdicht gehouden en voorzien van een luchtwasser om omwonenden stankoverlast te besparen. De dieren worden opgesloten in de giftige lucht. Bovendien zorgen luchtwassers bij een stalbrand voor razendsnelle verspreiding van het vuur, waardoor de dieren geen schijn van kans maken.

De stikstofcrisis heeft de onhoudbaarheid van de vee-industrie weer op de agenda gezet. Decennialang marchanderen met de grenzen aan natuur en wetgeving heeft nu acuut een noodsituatie gecreëerd. Economische activiteiten zijn stilgelegd. De woningnood blijft toenemen en bij grote delen van de bouw loopt de schade in de miljarden, terwijl die sector nog niet één procent van de stikstof uitstoot. Velen lijden eronder dat de vee-industrie nooit is aangepakt.

Als je kijkt naar de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de lange termijn, dan zijn milieubeweging, dierenorganisaties, economen, politiek en zelfs de landbouwsector het opvallend vaak eens: allen pleiten voor een kleinere, duurzamere sector, gericht op kwaliteitsproducten voor de consumenten in de driehoek Berlijn, Londen, Parijs. Kortom, minder dieren en weg met de bulkproductie.

Oud-minister Veerman, van ‘boerenpartij’ CDA, zei hierover in 2003 na de MKZ-crisis dat „de huidige intensieve veehouderij in Nederland tekortkomingen vertoont op alle drie aspecten van duurzaamheid. (…) Er is vooral sprake van eenvormige productie en lage marges.” Afgelopen november trok het wetenschappelijk bureau van het CDA soortgelijke conclusies. Ook oud ZLTO-voorman Huijbers pleitte voor meer duurzaamheid in de veehouderij, mede omwille van economische noodzaak voor de boeren zelf.

Het kabinet verwees in het regeerakkoord naar deze breed gedragen wens met de term ‘kringlooplandbouw’. Maar het streven hiernaar lijkt te zijn gesneuveld op het slagveld van de boerenacties. Juist nu is het aan Den Haag om lef te tonen en zich niet te laten gijzelen door een kleine groep boeren. De stikstofcrisis dreigt anders de geschiedenis in te gaan als een gemiste kans, niet in de laatste plaats voor de toekomst van álle boeren.

Suggesties van lezers

Sterke overheid graag!

Marktwerking is de voornaamste bron van de overmaat aan stikstof en kooldioxide in de lucht. Is het dan niet verstandiger iets van die marktwerking, die vrijheid, op te geven ten behoeve van de leefbaarheid van deze planeet voor de volgende generaties? Natuurlijk, veel mensen steunen de boeren in hun terechte klacht over de talrijke regels, bureaucratie en papieren controles. Het betreft hier een controledwang waar mensen uit bijna alle sectoren van de economie tegen aan lopen. Het vertrouwen in de overheid is daarvan de dupe.

En toch, iets minder vrijheid ten gunste van het algemeen belang hoeft geen probleem te zijn. Enkele technocratische overheidsdirectieven in het komend jaar om de milieudruk te verminderen met uiteraard een eerlijke verdeling van de bijbehorende lasten doen niet per definitie het vertrouwen in het bestuur van ons land verdampen; het tegendeel is waarschijnlijker.

filosoof, Leeuwarden

Samen aan boerenkeukentafel

Afgelopen voorjaar deed ik mee aan de klimaatmars in Amsterdam. Ik was niet de enige boer. Eerder liep ik mee in andere klimaatmarsen – allemaal vanwege ruim twee decennia verzopen gewassen. Ik ontmoette mensen die zich eveneens zorgen maken en maakte van tegenstanders vrienden. Met een eerlijk, authentiek boerenverhaal over gewasschade en oplossingen (via de gewassen en bomen op het boerenland wordt CO2 gebonden tot onder andere bodemkoolstof) blijkt de landbouw een ijzersterke verbindende partij te zijn voor de samenleving.

Boeren doen ertoe. Maar alleen als ze meedoen. Anders wordt het ouwehoeren óver boeren, zonder boeren. Boeren moeten hun hakken dus niet in het zand zetten. Een eerlijk maatschappelijk gesprek is belangrijk. Dat hoeft heus niet in een instituut, dat kan ook bij mij aan de boerenkeukentafel, in de polder. Afgelopen november zaten onder meer directeur Wouter van der Weijden van Stichting Centrum voor Landbouw en Milieu, milieu-activiste Marjan Minnesma van Urgenda, directeur Jan Willem Erisman van het Louis Bolk Instituut dat onderzoek doet naar duurzame landbouw en een melkvee-collega aan mijn boerenkeukentafel. En er gaan meer sessies komen.

akkerbouwer en boerenklimaatactivist, Zevenbergschenhoek

Inpolderen, dat Markermeer

Nederland loopt tegen zijn fysieke grenzen aan. Daarom moet het besluit uit 2002 om definitief niet tot de aanleg van de Markerwaard over te gaan, worden heroverwogen. Doen we het namelijk wel, dan kunnen we allerlei functies en bebouwingen naar de Markerwaard verplaatsen. Nu is de aanleg van de zogeheten Marker Wadden door Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat een ecologische miskleun. Het is een illusie te denken dat met de aanleg van ‘wadjes’ de ecologische kwaliteit van het Markermeer verbetert. Het is slechts symptoombestrijding: de feitelijke oorzaak van het probleem in het Markermeer, een monofunctionele slibbak van 60.000 hectare, wordt er niet mee opgelost.

In een ingepolderde Markerwaard is er ruimte voor (glas)tuinbouw (4.000 hectare) en voor bollenteelt (8.000 hectare). Daarnaast is er plek voor recreatiestranden, twee kleine steden van 30.000 en 60.000 inwoners, omringd door bossen, voor (vaar)wegen en een spoorbaan vanaf Almere naar Purmerend en Hoorn. We kunnen zelfs overwegen een kleine luchthaven in de Markerwaard aan te leggen, ter vervanging van Schiphol. Want waarom moet een klein land als Nederland over één van de grootste vliegvelden van Europa beschikken? Voorwaarde voor de aanleg van de Markerwaard is dat het aangewonnen land moet kunnen worden teruggegeven aan het water, als blijkt dat er na vijftig jaar geen gebruik meer van wordt gemaakt.

architect en stedenbouwkundige

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.