Reportage

Wat het luchtalarm ons leert over wie we zijn

Sirenes Dit jaar beslist het kabinet of de maandelijkse sirene wordt afgeschaft. NRC stond twaalf maanden onder de paal en tekende op wat er gebeurde.

Groningen
Groningen Foto Kees van de Veen

Eén keer in de maand doet heel Nederland hetzelfde. Een paar seconden. Even stilstaan. Denken ‘oh ja maandagochtend, twaalf uur’. En weer doorgaan met de dag. 86 seconden gemeenschapszin, zonder dat iemand het doorheeft. 86 seconden die we delen. In een tijd van verdeeldheid, van kloven, van discussies, van zelfs niet meer naar hetzelfde televisieprogramma kijken, is dat bijzonder.

Want om twaalf uur gaat iedere eerste maandag van de maand de sirene af.

Juist op sociale media zie je dan hoe eensgezind Nederland is. „Check, Groningen”, tweet Ben. „030 Check!”, schrijft Koen. „Zuidpolder, Haarlem, check”, meldt Marjolein. ‘#luchtalarm doet het in Tegelen, Limburg”, zegt Y’all. En Floortje tweet: „Hij doet het hoor! Rotterdam.” Iedere maand is op twitter #luchtalarm zeker een uur lang trending topic. En als de sirene om twaalf uur niet afgaat, wordt de gemeente gebeld, de brandweer of de veiligheidsregio. Maken Nederlanders zich dan zorgen?

Dit verhaal zou een necrologie van het alarm worden. Of liever: van het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem, zoals de sirene eigenlijk heet. De WAS-paal. Vanaf deze maandag zou het iedere maand om twaalf uur stil blijven. De overheid zou de burger alleen nog per tekstbericht een alarm sturen, een NL-alert, als er echt iets aan de hand is.

Maar eind maart 2019 bleek dat de dekking van NL-Alert nog niet volledig is. De uitfasering van de sirene werd met een jaar uitgesteld. In de grensstreken heeft NL-Alert onvoldoende bereik. En een aantal gemeenten wil helemaal niet af van de WAS-paal tot NL-Alert „zich heeft bewezen als betrouwbaar instrument”.

Zoals in de Veiligheidsregio Rotterdam, waar de burgemeesters de sirenes zien „als een middel om de bevolking te alarmeren over een incident met grote gevolgen, terwijl NL-Alert een veel laagdrempeliger inzet kent”. Een tekstbericht is er om te informeren, vinden ze. De burgemeesters zeggen: „Dat pleit er voor om (in ieder geval in de buurt van grote risicobronnen, zoals in ons haven- en industriegebied) de sirenes voorlopig te behouden.”

Burgemeesters in de Veiligheidsregio Limburg-Zuid, rondom Chemelot, waar nog in augustus de sirene afging toen er salpeterzuur ontsnapte, zeggen hetzelfde. Daar noemen ze NL-Alert „geen volwaardig alternatief”. Omwonenden krijgen van de gemeente Sittard-Geleen en Chemelot nog altijd een instructiekaart met wat te doen als de sirene afgaat: ga naar binnen, sluit ramen en deuren, en kijk of luister naar de regionale omroep, die als rampenzender fungeert.

Toen in juni – na een grote storing met 112 – bleek dat via NL-Alert foute informatie was verstuurd, roerde de Tweede Kamer zich. Afschaffing van de sirene „lijkt ons niet zo verstandig”, verwoordde VVD-Kamerlid Antoinette Laan het. Niet alleen omdat meerdere veiligheidsregio’s het geen goed plan vinden en omdat NL-Alert niet iedereen bereikt, maar ook omdat „een al te grote afhankelijkheid van internet, techreuzen en mobiele apps, zeker in tijden van crisis, risicovol is en dat juist daarom het naast elkaar functioneren van meerdere systemen de veiligheid van burgers vergroot”.

Zo werd de WAS-paal, waarvan de dood al in 2006 was aangekondigd, opeens iets om te koesteren. In november zei minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) dat hij komende herfst zal besluiten of de WAS-palen echt verdwijnen.

NRC bezocht en fotografeerde sirenes door heel Nederland. Kijk en klik op de kaart hieronder.

Wie wij zijn

Ik had in de maanden daarvoor iets ontdekt: die sirene zegt iets over Nederland. Onze relatie ermee vertelt iets over wie wij zijn.

Toen de praatpaal (sinds 1971) werd afgeschaft, toen de telefooncellen (sinds 1931) één voor één verdwenen, toen PostNL bekendmaakte dat het aantal brievenbussen (1850) werd gehalveerd en de banken pinautomaten (1976) gingen verwijderen, ontstond er ophef. Sluipenderwijs waren ze vervangen door de smartphone.

Van de WAS-paal weten de meeste Nederlanders niet eens hoe hij er uitziet. Of waar hij in hun buurt staat. Laat staan wat ze moeten doen als hij afgaat. De overheidscampagne ‘als de sirene gaat’, is sinds 2003 niet meer uitgezonden. Al in 2006 besloot toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Johan Remkes dat de sirene afgeschaft moest worden. En toen was er geen ophef – weinigen lijken beseft te hebben dat aan die maandelijkse traditie een einde komt. De twee petities tegen afschaffing zijn slechts 190 keer ondertekend.

Een Postbus 51-video uit 1993 over wat te doen als de sirene gaat.

Wil Haasdijk had gewaarschuwd. „Als je eenmaal weet hoe ze eruit zien, ga je ze óveral zien.” Hij is bij het Instituut voor Fysieke Veiligheid (IFV) degene die toeziet op het beheer van de 4.278 WAS-palen, die van het Rijk zijn en door Siemens en KPN worden onderhouden.

Het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem bestaat uit een paal (van 12, 15 of 18 meter) met daarop twee of drie platte schijven. Daarin zitten speakers, de derde schijf verspreidt het geluid – dat speciaal door het Zintuigfysiologisch Instituut van TNO is ontwikkeld. Op de eerste maandag klinkt zo’n 104 decibel op 30 meter afstand, vergelijkbaar met een popconcert. De sirene bereikt iedereen in een straal van 300 tot 1.000 meter, afhankelijk van de bebouwing in de omgeving.

Haasdijk heeft gelijk: als je ze eenmaal herkent, zie je overal WAS-palen: in Heerenveen staat er een op een flat aan de Oude Veenscheiding. In Amsterdam-Buitenveldert op het gebouw van pensioenfonds PGB. Nieuw- en Sint Joosland, naast het kerkhof. Austerlitz, tussen de oude basisschool en het dorpshuis. Zelfs Madurodam heeft een miniatuurversie, op de fabriek van Heineken.

Ieder dorp met meer dan duizend inwoners heeft er een. Als het dorp in risicogebied ligt, al als er 300 mensen wonen of werken.

De WAS-palen staan zelden in nieuwbouwwijken, tenzij die al voor 2000 waren bedacht. Het huidige systeem werd begin jaren negentig uitgerold, alleen in 2002 en 2006 werden er palen bijgezet. Ze staan dus nooit op blinkende kantoorpanden. Zelden op gemeentehuizen in recente fusiegemeenten.

Maar wel langs sportvelden, langs het spoor, op de kantoren van (voormalige) nutsbedrijven, zoals oude PTT-gebouwen, op rechtbanken, en opvallend vaak bij of op scholen. En af en toe staan ze in iemands tuin.

Meteren, oktober

Aan de paal in de Eikenlaan in Meteren kan je niet ontkomen. Hoog torent hij uit boven de rijtjeshuizen uit de jaren zestig. Alleen de kerktoren is hoger, zelfs de appelbomen zijn in dit Betuwse dorp op menshoogte gekweekt. Het ruikt er in de koude herfstlucht naar houtvuur, ergens blaft een hond en iemand rolt een vuilcontainer naar binnen. Op maandagochtend gebeurt er niet zoveel in Nederland.

Linda Volkers zegt dat het na al die jaren „niet in haar systeem” zit om in de gaten houden of het de eerste maandag van de maand is. Behalve vandaag omdat NRC er is. De WAS-paal staat net in de tuin van de buurman. Nauwlettend houdt ze de klok op haar mobiel in de gaten. Eén minuut voor, twaalf uur, één over twaalf. Woop, woop, woop.

Ze is verpleegster en soms ligt ze net thuis op de bank na een slaapdienst. „Dan schrik je je eigen.” Dochter Cheyenne van dertien kwam wel eens huilend naar beneden van de schrik. „Waarom kan hij niet om vijf uur afgaan, met etenstijd? Dan is iedereen thuis, dan zijn de kinderen uit school. Dan heeft niemand er last van”, zegt ze.

In Nederland gebeurt niet zo veel. En als er iets gebeurt, dan weet iedereen dat al

Maar de sirene hoeft niet weg, vindt ze. Op haar werk mag ze bijvoorbeeld haar mobiel niet bij zich hebben en of het NL-Alert op de pieper komt? Ze weet het niet. „Als het echt een noodgeval is, is het fijn dat je weet dat de sirene afgaat.”

Er kunnen bovendien best wat rampen Meteren overkomen: ze kan zich een vuurwerkramp in Culemborg (1991) nog herinneren. Er zijn regelmatig schuurbranden, laatst nog in een kippenschuur in Beesd. Ze somt op: de dijk bij de Linge kan doorbreken, een ongeluk op de Betuwelijn is mogelijk.

Deze oktoberochtend hoor je de brandweerauto’s over de A2 naar Hedel rijden, 16 kilometer zuidelijker. Via sociale media waarschuwt de veiligheidsregio: „Deze sirenetest staat los van de brand in Hedel. Heeft u last van de rook van deze brand? Ga dan naar binnen, sluit ramen en deuren en zet mechanische (auto)ventilatie uit.”

Het WAS wordt niet aangezet om voor de brand te waarschuwen. Een woordvoerder van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid legt uit dat het ook niet is overwogen: „Dan is er echt acuut gevaar: je móet ramen en deuren sluiten. Nu ging het alleen maar om ‘last hebben van’.” De Veiligheidsregio wilde vooral informeren.

Ze zegt: „Als je op een terras zit en je ziet de rook, wil je toch weten wat er aan de hand is.”

Dat is waarom de meeste veiligheidsregio’s een voorkeur hebben voor NL-Alert. Een tekstbericht kan informeren en „een handelingsperspectief” meegeven, zeggen ze. En daarbij hoort bovendien de website crisis.nl, sociale media kunnen worden ingezet, evenals rampenzenders. Zoals minister Grapperhaus in november aan de Tweede Kamer schreef: „Het WAS [heeft] in het geheel van crisiscommunicatiemiddelen een beperkte operationele waarde.”

De sirene zegt alleen ‘ga naar binnen’, een NL-Alert kan ook melden wat er gebeurt en waar. In Vlaardingen werd bijvoorbeeld twee jaar geleden een tekstbericht verzonden toen er bacteriën in het drinkwater zaten: inwoners kregen het advies water te koken. In Hoogmade meldde de Veiligheidsregio Hollands-Midden in november niet alleen dat ramen en deuren gesloten moesten worden vanwege een hevige brand, maar ook dat er „valgevaar” was rond de kerk toen de toren op instorten stond. Dát kan de sirene allemaal niet.

Mondiger geworden

„Mensen willen toch weten wat er aan de hand is. Nederlanders zijn mondiger geworden, ze willen zélf een afweging maken”, zegt José Kerstholt, hoogleraar psychologische besliskunde aan de Universiteit Twente en onderzoeker bij TNO. Ze onderzocht hoe burgers reageren op noodsituaties. „Je zag het bij de overstromingen in Groningen in 2016, toen boeren hun vee niet wilden achterlaten.”
Ze zegt: „Vroeger – misschien was dat de tijdgeest – hadden autoriteiten meer gezag. Het was ook meer zenden: dit moet u doen. Risico- en crisiscommunicatie is nu tweerichtingsverkeer.”

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog, toen de Luchtbeschermingsdienst sirenes installeerde om te waarschuwen voor vijandelijke vliegtuigen, gaf het sirenegeluid voldoende informatie om tot actie over te gaan: men zocht dekking. Dat bleef ook na de oorlog zo, toen in 1952 de Bescherming Bevolking (BB) het sirenenetwerk overnam, vernieuwde en maandelijks ging testen.

Een video uit 1961 over de gevaren van een mogelijke atoomaanval

Toen was de sirene ook echt een luchtalarm, zoals de WAS-paal door de meeste mensen nog altijd – onterecht – wordt genoemd. Want sinds het begin van de Koude Oorlog waarschuwt hij voor onzichtbaarder gevaar: radioactieve straling. En giftige rook, giftige stoffen, rampen en andere calamiteiten. Vooral de kernramp in Tsjernobyl in 1986 deed de overheid beseffen dat burgers snel geïnformeerd moesten worden.

Grouw, september

Diep in een enorme bunker, aan de rand van de Friese stad Grouw, laat Roelof van Gelderen het originele sirenegeluid horen. „Woe woe woe”, klinkt het.

De bunker was een commandopost van de BB, bedoeld om de gevolgen fall-out van een eventuele atoombom te weerstaan. De commissaris van de koningin, de burgemeester van Leeuwarden, en de politie- en brandweercommandant en hun staf konden van hieruit Friesland besturen. Nederland had tientallen van zulke bunkers, dit was met 1.100 vierkante meter een van de grootste.

Allemaal zijn ze leeggehaald. Deze niet. De deur ging bij het opheffen van de BB in 1986 gewoon op slot. „De as zat nog in de asbakken”, vertelt van Gelderen.

Hij laat oude overheidspamfletten zien. ‘Wenken voor de Bescherming van Uw Gezin en Uzelf.’ Er staat precies wat je moet doen als de sirene gaat: gaskranen sluiten (ook de hoofdkraan), open vuren doven, elektrische apparaten uitdoen, buitendeuren sluiten (niet op het nachtslot). En dan: dekking zoeken, zo mogelijk in een schuilgelegenheid, en naar de radio luisteren. Daar staan twee uitroeptekens achter.

De bunker is drie keer gebruikt, buiten oefeningen. Voor een enorme sneeuwstorm in 1979 en twee keer tijdens een Elfstedentocht. Omdat de ‘lijnen bezet waren’ omdat iedereen – toen nog met vast telefoontoestel – ging bellen. De commandopost heeft zijn eigen verbindingen. En een eigen waterbron, twee dieselmotoren die 14 dagen stroom kunnen leveren (en als die uitvalt, staan er vier fietsen om handmatig stroom op te wekken voor de luchttoevoer). Zelfs het eten ligt nog in de bunker: blikken met bruine bonen met varkensvlees, kapucijners met varkensvlees, macaroni met gehakt.

In de gang hangen gasmaskers en overalls. Er staat een – nog werkende – telexmachine en een rits telefooncabines, typemachines. Aan de muur in de kantine hangt een vrolijke foto van Beatrix en Claus, met daarnaast een poster. ‘De BB waakt’ staat erop.

Nederland, Groningen, 02-12-’19; De luchtalarm installatie bij de bushalte aan de Professor Uilkensweg in Groningen.

Foto: Kees van de Veen

Nederland, Zoetermeer, 12112019 - Flatgebouw, Gondelkade luchtalarm.
Foto: David van Dam
Nederland, Waddinxveen, 12112019 - bedrijventerrein, distributieweg luchtalarm.
Foto David van Dam

Aanval om twaalf uur

Iedere maand is er wel iemand die op sociale media vraagt: „Wat als de vijand nu precies om twaalf uur op de eerste maandag van de maand aanvalt?” Of: „Wat als er écht een ramp gebeurt?”

Het antwoord op de laatste vraag is eenvoudig: als er iets zou gebeuren, dan loeit de sirene langer door dan 1 minuut en 26 seconden. Of hij gaat niet af: in Gelderland-Midden besloot de brandweer in november dat het maandelijkse alarm „voor verwarring” zou zorgen. Vlak voor twaalven vond er in Renswoude een dodelijke botsing tussen een auto en een trein plaats, waarbij een traumahelikopter, de incidentenbestrijding en ambulances werden ingezet. Mensen zouden kunnen denken dat er meer aan de hand was.

Lees ook: een reportage uit de meldkamer

En in de meldkamer had het ongeluk bovendien voorrang boven het aanzetten van de WAS-palen voor een test.

Want in de regionale meldkamer worden de sirenes met een muisklik geactiveerd. Eerst wordt een aantal steunzenders via een radiosignaal wakker geschud. Die sturen vervolgens in hun eigen geografische sector WAS-palen aan. Dit gebeurt sequentieel, vandaar dat niet alle WAS-palen tegelijk afgaan en je soms om twaalf uur een echo hoort.

Eigenlijk, vertelt Wil Haasdijk van het IFV, zijn er twintig verschillende systemen WAS – voor iedere meldkamer één. Een geplande aanval tijdens de maandelijkse oefening zou dus om een hele goede timing vragen.

En hacken? In juli waarschuwde de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) voor de kwetsbaarheid voor digitale aanvallen. „Door het bijna volledig verdwijnen van analoge alternatieven en de afwezigheid van terugvalopties is de afhankelijkheid zo groot geworden dat aantasting kan leiden tot maatschappij ontwrichtende schade. Dit hoeft niet altijd het gevolg te zijn van een cyberaanval, een simpele fout kan al forse gevolgen hebben.”

De platte schotels van de WAS-palen zijn gewoon te koop bij Federal Signal in Illinois, dat als sinds 1917 sirenes maakt. Maar de versleutelde berichten die van de meldkamer naar de palen gaan, zijn uniek, zegt Haasdijk. Je zou, zegt hij, in álle meldkamers moeten inbreken. Er is dus niet één knop ergens in Den Haag om ze alle 4.278 aan te zetten? Hij moet lachen. „Nee.”

Jaren-90-techniek

„Het is ook nog technologie uit de jaren negentig. Die beheerst nog maar een klein groepje techneuten”, zegt hij. Alleen bij Siemens, dat begin jaren negentig de aanbesteding won voor het huidige sirenestelsel, zijn een paar monteurs die precies weten hoe de WAS-palen functioneren.

Toch gaat het wel eens mis. In maart 2018 ging een groot aantal sirenes niet af. Dat kwam door een politieke ruzie tussen Servië en Kosovo, onder meer over de elektriciteitslevering. Daardoor ontstonden er afwijkingen in het stroomnet, waardoor klokken die hun tijdsignaal uit de 50Hz frequentie haalden, zoals die in de meldkamers, achterliepen.

Haasdijk: „In het coderingsbericht naar de paal zit een tijdscode. Bij grote verschillen tussen de klok in de paal en die in het bericht van de meldkamer, gaat de sirene niet af. Maar daar zijn we nu op berekend.”

De luchtalarm installatie naast de sporthal en tennisclub, gefotografeerd op de eerste maandag in de maand oktober, rondom 12 uur.
Foto Kees van de Veen
Het luchtalarm op Den Haag Centraal.
Foto:David van Dam
De luchtalarm installatie naast het gemaal De Drie Delfzijlen van waterschap Noorderzijlvest.
Foto Kees van de Veen

Ees, augustus

Soms gaat het bij één WAS-paal mis, gewoon omdat er iets kapot is. In Ees, in Drenthe, staat hij tussen de rozenbottels die een vakantiepark scheiden van de openbare weg. Een jongetje van een jaar of zeven in een voetbalshirt met Messi erop fietst rondjes over een parkeerterrein. De parkmedewerkers rijden in een golfkarretje met hooi. Als er iemand over de blauwe glijbaan roetsjt, hoor je buiten het gegil. Krekels tsjirpen in het gras. Het is het geluid van de zomer.

Ees bestaat eigenlijk uit twee dorpen. Het ene bestaat uit één langgerekte straat die in het noorden Borgerderstraat heet en naar Borger loopt. In het zuiden heet hij Odoornerstraat en loopt naar Odoorn. En in het midden heet de weg Dorpsstraat. Erlangs staan boerderijen, bijna allemaal woonboerderijen. Er zijn geen winkels, er is alleen een snackkar en een hotel-restaurant. Dat is het Ees van het hele jaar rond.

Het tweede Ees ligt aan een zijstraat en heet Het Land van Bartje. Er is een zwembad met glijbaan, een ponyranch, een indoorspeeltuin, een winkel, een café en er zijn twee restaurants. De huisjes hebben rieten daken of puntdaken. Er zijn stacaravans en miniboerderijen. Dit is het Ees dat in de vakanties bestaat. Al in 1977 stonden hier 250 bungalows en 600 kampeerplaatsen.

Vandaar dat dit kleine dorp een sirene heeft. Maar die gaat niet af deze eerste maandag van augustus. Heel in de verte klinken die van Borger en die van Exloo. Niet dat het heel erg is dat de sirene niet afgaat. In heel Drenthe is hij sinds de jaren negentig nog nooit ingezet.

In 1997 werd besloten dat de maandelijkse test ‘stil’ zou zijn, alleen merkbaar voor de beheerders. Eén keer per jaar zou de sirene nog „proefloeien”, zoals S. Montag het in NRC noemde. Maar daardoor schrokken mensen: de maandelijkse frequentie zorgde er juist voor dat het geluid in het geheugen bleef zitten. Toen in december de overheid testte met het halfjaarlijkse NL-Alert zag je dat ook: de website crisis.nl raakte kort overbelast door mensen die wilden weten wat er aan de hand was.

In 2003 kwam de eerste maandag van de maand weer terug, inclusief voorlichtingscampagne. Montag schreef: „Het is allemaal verklaarbaar, en vaak heeft het ook zijn redelijkheid en nut. Maar bekijk je het geheel, kun je je er dan nog aan onttrekken dat er een kern van absurditeit in zit? Dat je je er eigenlijk op zou moeten voorbereiden dat je uit alle hinderlagen kan worden belaagd? Wat moet je er tegen doen? Toen schoot me dat woord uit de tijd van het luchtalarm te binnen. Hamsteren. Weet iedereen nog wat hamsteren is?”

Nee. De overheid raadt aan om een noodpakket te hebben; op crisis.nl staat precies wat daar in moet zitten. Een radio op batterijen of opwindbare radio bijvoorbeeld, een waarschuwingsfluitje, lucifers in waterdichte verpakking en waxinelichtjes. „Een ramp valt niet te plannen. Maar je kunt je wel voorbereiden”, luidde de Denk Vooruit-campagne van 2006.

Niet dat Nederlanders dat doen. Uit de meest recente Crisis- en Risicobarometer van de NCTV blijkt dat 99 procent niet is voorbereid op milieurampen of chemische incidenten, 75 procent weet niet wat te doen bij terroristische aanslagen, 73 procent niet bij cyberdreigingen, 64 procent bij extreem weer, 63 procent bij overstromingen. Ondanks die maandelijkse sirene die herinnert aan wat er kán gebeuren.

Bad Nieuweschans, november

Gelukkig gebeurt er niet zo veel in Nederland. En als er iets gebeurt, dan weet in een dorp iedereen dat al. In Bad Nieuweschans zegt Hendrik Kluter: „Dat hoor je zonder alarm ook wel.”

Een ambulance is hier een zeldzaamheid. Over het vlakke land hoor je die van verre aankomen – zoals een dag eerder, toen iemand bij Nieuw Beerta tegen een boom reed en er zelfs een helikopter aan te pas kwam. En anders hoor je wel via via dat er iets loos is. „Iedereen kent iedereen”, zegt Kluter.

Hij woont tegenover de WAS-paal die het dichtst bij de Duitse grens staat. Hier worden geen grappen gemaakt als ‘hé de Duitsers komen’ als de sirene gaat. Duitsland ligt aan het einde van de straat. In Duitsland wonen de kinderen. In Duitsland doe je boodschappen – de schoonmaakmiddelen zijn er goedkoper, net als de benzine. Andersom komen de Duitsers hier voor de koffie en voor bleekmiddel, dat daar verboden is.

De Duitse toeristen komen ook voor het kuuroord, het oudste van Nederland. Tegenwoordig heet het een wellness resort. Kluter kan zich nog herinneren dat de school ooit op die plek stond. Maar in 1980 werd er geneeskrachtig water gevonden. „Op zondag staat het hier zó vol, dan kun je je auto niet kwijt. Vrijdag hadden ze een vrije dag. Nou dan komen ze allemaal hierheen”, zegt hij.

Bad Nieuweschans drijft deels op Duitse toeristen. Ze zitten ’s ochtends in Plaza Bastion, de snackbar annex koffietent die vastzit aan de Coop van Bert Stuut. Een Hollandse maaltijd bestaat uit friet, een frikandel of kroket.

Naast woonwijk, Opweg luchtalarm.
Foto David van Dam
Naast woonwijk, Opweg luchtalarm.
Foto David van Dam

Zierikzee, april

Want dat is wat Nederland op maandag om twaalf uur doet: lunchen. Bij de Pieter Zeemanschool in Zierikzee rennen tientallen scholieren naar buiten. Ze gaan naar de Action of naar de warme bakker.

De Pieter Zeeman is zo’n school zoals er duizenden bestaan: systeemplafond, grijze blokstenen. Na de zomer zal hij worden gesloopt, te beginnen met de gymzalen. Er zal nieuwbouw komen, vertelt Edwin Breen, de gebouwenmanager.

Buiten staan rijen en rijen met fietsen. De leerlingen komen van heel Schouwen-Duiveland. Dit is de enige middelbare school op het eiland. Alleen „mensen van het geloof” gaan naar een ander eiland, zegt Breen. Dat is ruim een uur reizen.

Hij komt aan met de sleutels van het dak. Daar staat de WAS-paal, boven op het lokaal Engels. De school is het hoogste gebouw in de wijde omtrek: alleen de kerk en het gemeentehuis zijn hoger. Ver rijkt het zicht én het geluid.

De pauze begint een kwartier na de sirene. „De leraar probeert er hard doorheen te praten”, zegt een groepje meisjes. Ze rollen onhandig een sigaret.

Utrecht, januari

Op het Joke Smit-plein in Utrecht houden de mannen van Bo-Ex, de woningbouwcorporatie, pauze. Ze bieden koffie in een plastic bekertje aan. Ze zeggen: „Je moet terugkomen in de zomer.” Dan bloeit de gele en blauwe regen die langs de huizen klimt.

Ze vinden het Joke Smitplein een speciaal plein. Het verloop van bewoners is gering, zeggen ze. Sommigen wonen hier al sinds de jaren tachtig, toen de huizen werden gebouwd. Ze hebben samen een koor en ze zorgden er voor dat er een defibrillator kwam te hangen.
Midden op het pleintje zijn bankjes. Je hoort er de kinderen op het schoolplein van de Montessorischool om de hoek. En je kan er nét de Dom zien. En horen: vlak voor de sirene afgaat, begint de Dom te slaan.

De zware klokslagen worden overstemd door het schrille geluid van het luchtalarm. Het staat op een van de huizen. Als de sirene stilvalt, slaat de Dom nog even door. De schoolkinderen zijn inmiddels naar binnengeroepen.

Pernis, juni

„Ben ik numero uno?”, vraagt de eerste die in Pernis Park Port binnen komt lopen. Op zijn dienblad een bekertje melk en een stokbroodje ham/kaas. Hij vraagt naar de dagsoep: Chinese tomatensoep met vis. Dinsdag serveert Diana tandoorisoep, zegt ze. En schnitzel met friet. „Iedere dag tomatensoep is ook zo saai.”

Park Port is een brasserie tussen de A4 en de Eemhaven. Aan de ene kant raast het verkeer, aan de andere kant klinkt het mechanische geluid van kranen die containers op de juiste plek zetten. Eigenlijk is Park Port meer een bedrijfskantine van de omliggende kantoren, waar grote logistieke dienstverleners zitten. Op een ervan staat de sirene.

Bijna iedereen is vaste klant. ‘Ho-oi’, zegt Martha tegen hen als ze binnenkomen. Ze legt nog snel een stapel servetten bij de kassa. Op haar blouse staat ‘Smakelijke Groet’. Als er een onbekende binnenkomt, is het vaak een vrachtwagenchauffeur die naar de wc wil. Meestal zonder te vragen. Daar ergeren Diana en Martha zich aan.

Dan gaan alle – bijna alle – mobieltjes af. Het controlebericht van NL-Alert. „3 juni”, zegt iemand. „Test”, zegt een ander. De collega’s die nog buiten lopen, grijpen naar hun telefoon. Als de sirene een paar seconde later klinkt, is er veel minder verbazing.

Twee keer per jaar

De ‘echte’ sirene gaat zo’n twee keer per jaar af. De burgemeester, of iemand namens hem, beslist wanneer de WAS-paal aangaat. Want ze zijn weliswaar van het Rijk, die ook het onderhoud regelt en betaalt, en de meldkamers van de veiligheidsregio’s activeren de palen, maar de burgemeester heeft wettelijk de taak de bevolking te waarschuwen.

Sommige burgemeesters merken dat de sirene juist het tegenovergestelde effect heeft van wat zij willen: dat mensen binnen blijven. Er is een menselijke neiging te gaan kijken wat er aan de hand is. „Digitale communicatie is effectiever”, zegt Johan Remkes, die als minister in 2006 besloot tot afschaffing van de WAS-palen en die nu waarnemend burgemeester van Den Haag is. Al zegt hij ook dat de maandelijkse sirene „wel een traditie is” waar hij aan hecht.

Het luchtalarm op Den Haag Centraal.
Foto David van Dam
De luchtalarm installatie op het voormalige Prins Bernhardhoeve locatie waar nu een supermarkt gebouwd wordt, gefotografeerd op de eerste maandag in de maand november, rondom 12 uur.


Foto Kees van de Veen

Noorbeek, juli

Tradities verbinden, zegt Matthijs van Wissen in Noorbeek, Limburg. Zijn familie, eigenaars van Herberg St Brigida, zit rond de koffietafel, hij is speciaal uit Amsterdam voor dit weekeinde over. Want het is feest. Het hele dorp is ervoor uitgelopen.

Het is niet hét feest: dat is twee weken na Pasen als de ongetrouwde mannen van het dorp ‘denhalen’. In 1634 beloofden de dorpelingen Sint Brigida een boom als ze Noorbeek zou sparen voor veeziekten. Ze houden zich er nog steeds aan: een enorme den torent boven de kerk uit. Hij is hoger dan de WAS-paal.

Nu is het ‘de Bronk’. Op zondag is er een processie geweest en werd Brigida op een baar door het dorp en omringende veldwegen gedragen. De bloemblaadjes liggen nog op straat. En ’s avonds was er tot in de kleine uurtjes feest. Coverband Bougie schakelde moeiteloos over van ‘Sexy als je danst’ naar Elton John, en op de stoep voor café Tinus stond een toog.

Vlak nadat de sirene loeit, trekt de harmonie door het dorp. De jonkheid (de ongetrouwde mannen), de schutterij met voorop de keizer en zijn echtgenote, en de bielemannen (drie mannen met bijlen) worden opgehaald voor de mis. Het tromgeroffel echoot tussen de huizen. Als de pastoor binnen de monstrans toont en de zegebede uitspreekt, klinken veertig knallen. Buiten schiet de jonkheid buskruit af. „Een saluut aan de heer”, zeggen ze.

Aan nieuwkomers worden met zachte dwang de tradities geleerd. Als de Nijmegenaren van restaurant Du Nord de takken om hun ‘poalke’ verkeerd om vastmaken, schiet Pierre Gubbels snel te hulp. „Je moet de Hollanders een beetje helpen.” Straks zullen de bielemannen de boomstammetjes omhakken, in ruil voor jenever. En dan is het weer feest.

Kampen, december

Maar meestal is maandag een heel gewone dag. Het is de dag dat het vuilnis wordt opgehaald. De dag dat in heel veel plaatsen de winkels nog gewoon tot twaalf uur dicht zijn. Een ochtend waarop ramen worden gewassen. En de meeste mensen aan het werk zijn.

Bij autosloperij J.J. Pater in Kampen wordt druk gewerkt. Op een heftruck hangt een auto, de neus volledig kapot. „Je hebt straks driedubbele oren nodig”, zegt de chauffeur, „zo hard klinkt de sirene.” Zijn maat haalt de schouders op, hij vindt het geen probleem. De kleinzoon van J.J. Pater zegt: „Het is goed hard, maar ik ben inmiddels wel gewend.” De familie woont als een van de weinigen op bedrijfsterrein Haatland.

Als het weer stil is, laat een klant zijn telefoon zien: het controlebericht van NL-Alert is aangekomen. Een vrachtauto komt langs. Nog een. Bestelbusjes rijden voorbij. Bij de autodemontage klinkt een harde klap. Ergens verderop kiept een kraanwagen zand en grind op de grond.

Lelystad Airport, februari

Kleine vliegtuigjes – Cessna’s en Aero’s – stijgen op en landen. Laag vliegen ze over de N302. Dat is dan ook de enig merkbare bedrijvigheid. In de terminal is, op een receptionist na, niemand aanwezig. De opening van het vliegveld voor vakantievluchten is uitgesteld.

Het is zoeken naar de WAS-paal bij het vliegveld. De mannen van de technische dienst wijzen hem door hun raam aan: „Daar zie je een den en dan een conifeer, en daar staat hij.” Op de kaart aan de muur laten ze het nog eens zien.

De sirene staat verdekt opgesteld tussen de bomen, tegenover de brandweeringang. Hij heeft een rood alarmlicht bovenop de schijven. Het is het enige stukje bos in dit poldergebied. De wind heeft verder overal vrij spel. Als de maandelijkse sirene afgaat, waait het geluid weg.

Vlijmen, mei

In forenzendorp Vlijmen, had Wil Haasdijk verteld, staat het luchtalarm in een weiland. Tot een jaar geleden misschien wel: nu staat hij aan de rand van nieuwbouwwijk De Grassen. Er zijn net woningen opgeleverd. Rode rijtjeshuizen, met voortuintjes en plek voor de auto.

Zo groeit Nederland: begin jaren negentig was de gemeente al van plan hier ooit een wijk te bouwen, anders had de paal er niet gestaan. Het dichtstbijzijnde gebouw was toen de graszaadhandel van Van Engelen. De straten heten ook naar gras: Parelgras en Bosbeemd en Veldbies. Alles wat hier niet (meer) groeit.

Als het weer stil is, komen Margriet en Gidy Van Opzeeland langsgefietst. Ze hebben het over de sirene. Ze hadden tegen elkaar gezegd: benieuwd of er mensen uit de nieuwe wijk gaan klagen.

Naarden, maart

In de Grote Kerk in Naarden-Vesting hangt de sirene tussen de vijf klokken – de oorspronkelijke manier van elkaar waarschuwen voor gevaar. Gestaag klimt koster Henk Oostenrijk de trap van de Grote Kerk op. Tweehonderdvijfendertig treden wentelt de trap op weg naar boven, naar de spits van 73 meter hoog. „Knap hebben ze het toen gemaakt”, zegt hij.

Op de grond liggen duivenveren. De kleinste klok is de oudste van het Gooi, uit 1460. De grootste is de rouwklok. Ze worden bediend door knopjes beneden bij de kerkdeur – niemand hoeft op zondag deze gang naar boven te maken. Het gehamer van de dakrestaurateurs klinkt, het geloei van de wind.

Omdat het geluid boven heel hard is, lopen we naar beneden. Vlak voor de sirene afgaat, zegt Oostenrijk. „Dat geluid. Vlak na de oorlog schrok je er nog vreselijk van.”

Buiten staan Tobias Rabelink en zijn vader. Op zijn driewielerfiets is hij speciaal voor de sirene naar Naarden gekomen. Hij weet er alles van: over de speakers in de disks en de manier van onderhoud. Tobias, zegt zijn vader, is gek van geluid. Ze zijn de enigen in twaalf maanden die echt stilstaan voor het WAS.

Na afloop fietst koster Oostenrijk langs. „Was het mooi?”, vraagt hij.

Correctie (5 januari 2020): in dit artikel stond foutief vermeld dat minister Grapperhaus VVD-politicus is. Hij is een CDA-politicus. Het is aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.