Reportage

‘In Bangladesh verhef je je stem niet, zeker niet als vrouw’

De prijs van goedkope kleding De situatie in de textielsector van Bangladesh is sinds de ramp met Rana Plaza verbeterd. Maar de positie van de vrouwen is beroerd gebleven.

Illustratie Roland Blokhuizen

Op de foto van Laily Begum en haar collega’s die dit voorjaar de kranten in Bangladesh haalde, staart de fabrieksmedewerkster vastberaden voor zich uit. Met zijn zestienen zijn ze, veertien vrouwen en twee mannen, gezeten op opengevouwen kranten, hun vestjes met het logo van Donglian Fashion BD Ltd. nog aan, toegangspasjes om hun nek. Op de achtergrond het gebouw waar ze tot voor kort jassen en trainingsbroeken maakten voor onder meer westerse klanten.

Het was niet zozeer dát de fabrieksmedewerkers in hongerstaking waren, wat het gezelschap in een buitenwijk van Dhaka nieuwswaardig maakte, maar waarom. Even daarvoor hadden zij het vertrek geëist van een assistent-manager die een 18-jarige werkneemster stelselmatig lastigviel. Maar in plaats van zijn ontslag troffen ze op een ochtend hun naam op een lijst die op de toegangspoort was geplakt: niet meer welkom.

Ruim zes jaar zijn verstreken sinds de ramp met Rana Plaza, de kledingfabriek net buiten Dhaka die op een ochtend in april instortte, wat zo’n 1.130 mensen het leven koste. Het was een wake-upcall voor het Westen, waar consumenten ineens werden geconfronteerd met de realiteit achter hun truien van een paar euro. Maar ook voor de regering van Bangladesh. Die zag de spil van haar economie, goed voor ruim 80 procent van de export, in gevaar komen.

Sindsdien is veel veranderd. Kledingfabrieken werden aanzienlijk veiliger onder druk van internationale initiatieven als Alliance en Accord die namens ketens als H&M, Zara en De Bijenkorf duizenden inspecties uitvoerden. Die waren vooral gericht op praktische verbeteringen. Het installeren van het een, het verstevigen van iets anders.

Geen gerechtigheid

Aanzienlijk minder aandacht ging volgens activisten naar een ander prangend probleem: de zwakke positie van fabrieksarbeiders, en van vrouwen in het bijzonder.

Maanden later maakt het Laily (32) nog steeds boos. Zij was een van de werknemers die het management als getuige hoorde. Ze vertelde hoe ze zag dat de assistent-manager het slachtoffer tijdens een van hun shifts „onbehoorlijk” probeerde aan te raken. Hoe zij daarna huilend vertelde dat dit niet de eerste keer was. En dat hij had gedreigd dat het meisje zou worden ontslagen als ze bleef tegenstribbelen.

Ze voelde toen al dat ze geen gerechtigheid zouden krijgen, zegt Laily, gezeten in een klein vakbondskantoortje gevuld met oud-werkneemsters van Donglian Fashion. Het onderzoek werd afgesloten met de conclusie dat de assistent-manager niets verkeerds had gedaan. Samen met andere collega’s weigerde Laily na die mededeling uit protest weer achter haar naaimachine plaats te nemen. „Ik was er vrij zeker van dat ik mijn baan zou verliezen”, zegt de textielwerkster. „In Bangladesh heb je je stem niet te verheffen. Zeker niet als vrouw.”

De stilte die Laily en haar collega’s doorbraken, tekent een verschuiving die langzaam maar zeker op gang komt in een industrie waar twee derde van de bijna 4,5 miljoen werknemers vrouw is, en waar mannen nog altijd de dienst uitmaken. De heersende code: zwijgen over de vunzige opmerkingen, ongepaste aanrakingen of erger waarmee textielwerksters te maken krijgen.

Opmerkingen en aanrakingen

Het meisje zegt dat ze twintig jaar is, maar ze oogt jonger, zittend op bed met haar knieën opgetrokken en haar blauwe dupatta beschermend om zich heen. Praten wil ze alleen als haar naam niet wordt afgedrukt. Stel dat iemand in de fabriek waar ze nu werkt dit leest. Of erger: de 40-jarige lijnmanager die haar na een avonddienst een steegje in sleurde en aanrandde.

Daar gingen maanden vol opmerkingen en ‘onschuldige’ aanrakingen aan vooraf, vertelt ze. In het begin liet ze het gebeuren. Ze komt uit een dorp op 4,5 uur rijden van Dhaka. Thuis waren er financiële problemen, dus werd zij naar de grote stad gestuurd om voor omgerekend nog geen 60 euro per maand draden te knippen en zoomlijnen af te tekenen.

Die bewuste nacht liep ze samen met drie, vier collega’s, vertelt ze. „Ik schreeuwde, maar zij werden bang en vluchtten.” Ze wist zich uiteindelijk los te wurmen en rende naar huis, de tranen stromend over haar wangen. De volgende dag ging ze niet naar de fabriek, maar zocht ze het kantoor van de jonge vrouw die haar visitekaartje eens in haar hand had gedrukt.

„Als je ooit problemen hebt, bel me”, had die tegen de fabriekswerkster gezegd. Zij: „Ik wist niet wat ik anders moest doen. Ik was bang.”

Verlammende schaamte

De vrouw van het kaartje heet Dolly Akthar, ze heeft een zacht rond gezicht, haar lange haar in een knot, en zit naast het meisje op bed. Akthar is niet echt haar achternaam (die hebben Bangladeshi’s uit de lagere klassen vaak niet) maar net als Begum een toevoeging die vrouwen in plaats daarvan gebruiken – ook om aan te geven of ze getrouwd zijn of niet.

Dolly heeft zo haar eigen ervaring met lijnmanagers die hun handen niet thuishouden. Haar verhaal klinkt wat dat betreft niet veel anders dan dat van haar buurvrouw. Het verschil zit hem in het einde: de een werkt nog in een textielfabriek terwijl Dolly zich ontpopte tot activist die namens Awaj Foundation slachtoffers van seksuele intimidatie bijstaat.

Dat is niet gemakkelijk, vertelde de 29-jarige de avond ervoor. De vrouwen die in de fabrieken werken, komen vaak van het platteland en gingen amper naar school. „Ze snappen dat wat mannelijke collega’s bij hen doen fout is, maar niet dat het om seksuele intimidatie gaat”, zegt Dolly. En dat er wetten zijn die dit verbieden.

Daarbij werkt de schaamte verlammend. Wie zich uitspreekt, wordt al snel gezien als ‘probleemveroorzaker’, aldus Dolly, die deze aanduiding als geuzennaam draagt. Maar in een conservatieve samenleving als die in Bangladesh kan dat vrouwen niet alleen hun baan, maar ook hun huwelijk kosten. Of, als ze nog single zijn, de kans een goede echtgenoot te vinden. Daardoor blijven incidenten onvermeld, stelt Dolly, „en blijft dit gebeuren”.

Hoe structureel het probleem is, bleek dit voorjaar toen kort na elkaar twee onderzoeken over misdragingen in de kledingindustrie verschenen. Het een was uitgevoerd door lokale particuliere organisaties, het ander door ActionAid. Van de textielarbeidsters met wie ActionAid sprak, zei 80 procent getuige of zelf het slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie in hun fabriek. In het andere onderzoek zei bijna een kwart door mannelijke collega’s te zijn lastiggevallen.

Lokale onderzoekers wezen in een rapport over misdragingen in de kledingindustrie op een ‘cultuur van straffeloosheid’

De lokale onderzoekers wezen in hun rapport op een „cultuur van straffeloosheid”, een gebrek aan kennis onder de vrouwen en autoriteiten die niet optreden. Zo ontbreekt het in fabrieken vaak nog aan klachtencommissies voor seksuele intimidatie– ofschoon het Hooggerechtshof in Bangladesh de instelling daarvan al tien jaar geleden heeft opgedragen. Toch is de situatie al veel beter dan een paar jaar terug, zegt vakbondsvrouw Dolly. Ze bedoelt: vóór Rana Plaza. „Fabriekseigenaren zijn nu meer geneigd te luisteren.”

Zo ging het ook bij de jonge fabrieksarbeider. Toen Dolly de manager van haar fabriek belde, nodigde die hen prompt uit op kantoor en stelde een intern onderzoek in. De lijnmanager die haar aanrandde, werd ontslagen. Het meisje mocht haar baan houden, maar zag daarvan af. „Ik was bang voor wat mensen achter mijn rug zouden zeggen”, hakkelt ze. Vooral de collega’s die haar niet hadden geholpen.

Ze wisselde van huis, bang dat de lijnmanager haar zou vinden, en vond een baan in een nieuwe fabriek. Daar is het veel veiliger, zegt ze. Al hoort ze de mannen ook daar opmerkingen maken, staat een manager soms wel heel dicht achter een collega om iets uit te leggen. Ze heeft nog niet de moed daar ter plekke iets van te zeggen, zegt ze. „Maar ik ga daarna wel met die collega praten.”

Het belang van sparen

Elders in de stad wordt gestaag verder gewerkt aan een omslag. De drempel naar een klein appartement ligt bezaaid met kleurrijke slippers waarvan de draagsters binnen blootsvoets op de grond zitten. Het is vrijdag, weekend in Bangladesh. De aanwezigen hoeven niet naar hun fabriek. In plaats daarvan leren de vijftien vrouwen vandaag over het belang van sparen.

„Voor het geval ze ineens worden ontslagen”, legt Nasima Akhter (34) uit. Sinds drie jaar runt ze namens ActionAid wekelijkse bijeenkomsten om textielwerknemers te leren over hun rechten. Over het minimumloon, zwangerschapsverlof. En ja, ze praten ook over seksuele intimidatie, vertelt Nasima. Al blijft dat zelfs binnen deze veilige muren een ingewikkeld onderwerp.

Toch zegt ook zij: dingen zijn aan het veranderen. Nasima: „De vrouwen in onze sessies is vaak hun leven lang het zwijgen opgelegd door mannen, ook thuis. Maar ze raken geïnspireerd omdat ze steeds meer vrouwen in leidende rollen zien.”

Ook in hun eigen sector. Significant is de recente machtswisseling binnen de BGMEA, de machtige koepelorganisatie van fabriekseigenaren. Voor het eerst heeft een vrouw de leiding. Vertel haar over het patriarchaat, zegt deze Rubana Huq met een warme, gulle lach. Huq is tevens directeur van de Mohammadi Group, een van ’s lands grootste kledingfabrikanten. „Ook mij wordt het nog altijd moeilijk gemaakt in de bestuurskamer.”

Voor het eerst is een vrouw de baas geworden van de machtige club van textielfabrieken

Toch haalde het nieuwe gezicht van de BGMEA deze zomer uit naar The Guardian, toen de krant een artikel publiceerde over #MeToo onder textielarbeiders in Bangladesh. Huq noemde het in een blog „enkele op zichzelf staande gevallen”. „Het is gemakkelijk ieder incident in deze industrie te generaliseren en ons daarmee in een kwaad daglicht te stellen.”

„Ik ontken niet dat er een probleem is”, zegt de topvrouw nu. „Seksuele intimidatie is wereldwijd diepgeworteld, ook hier.” Waar Huq zich aan ergert, is dat het wéér de textielfabrieken zijn die worden uitgelicht. „Dit is een industrie waarin miljoenen vrouwen werken die minder bevoorrecht en beschermd zijn. Het is logisch dat ze slachtoffer kunnen worden. Maar dat kun je niet los zien van de culturele context.”

Sterker, volgens de BGMEA-voorzitter zouden vrouwen mogelijk met veel meer misbruik te maken hebben gehad zonder de „sociale, economische en institutionele emancipatie” die de industrie hun bracht.

Geen politie

Die emancipatie komt nog wel tegen een prijs. Kijk naar Laily en haar oud-collega’s van Donglian Fashion. Sommigen zeggen dat het maanden duurde voordat ze nieuw werk vonden. „Als ze hoorden dat ik van Donglian kwam, waren ze niet meer geïnteresseerd”, vertelt één van hen. Het slachtoffer zit nog thuis. Met een journalist praten wil ze niet, dat deed ze destijds ook niet met de politie. „Haar familie zag dat niet zitten”, vertelt Laily.

De assistent-manager is volgens de vrouwen nooit ontslagen. Pogingen van NRC dat bij de fabriek te controleren, bleven onbeantwoord. Tegen het Engelstalige dagblad The Daily Star zei een leidinggevende eerder dat de man was weggestuurd en voegde daaraan toe dat het incident „niets ernstigs” behelsde.

„Waarom denk je dat minder mannen in de kledingfabrieken werken?”, vraagt Laily. „Omdat zij eerder terugvechten. Vrouwen houden zich stil.”

Gevraagd of ze spijt hebben dat zij die code hebben gebroken, vult het kantoortje zich met gelach. Het enige wat spijtig is, zegt de felste van het gezelschap, is dat ze geen gerechtigheid kregen. Maar verder? „Ik zou het morgen weer doen.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.