Reportage

Een woeste graftuin vol met leven

Huis te Vraag Een dodenakker waar de natuur haar gang mag gaan levert een bijzondere plek op. In Amsterdam-West vind je zo’n verborgen pareltje: Huis te Vraag. Na 1962 werd hier niemand meer begraven. Het werd een oase.

‘Ik ging naar begraafplaats Huis te Vraag / Om nieuwe verzen op te halen / Ze liggen er los in de haag / Waarop de zonnestralen stralen // Vooral wanneer het als vandaag / Geregend heeft met lange halen / En er uit elke wolkenvlaag / Zo weer een stortbui neer kan dalen’, dichtte Hendrik van Teylingen (1938-1998) al decennia geleden. Het staat op zijn monument op de kleine begraafplaats in ruste aan de Rijnsburgstraat in Amsterdam-West.

De in 1962 gesloten maar nog altijd toegankelijke begraafplaats Huis te Vraag in Amsterdam-West.

Foto Anouk Boone

Op een winterse, natte dag roepen de dichtregels een glimlach van herkenning op. Regendruppels parelen op de welig tierende klimop, de grond is zacht, het nabije rietlandschap met wilgen en essen danst in de gure wind. Een Anton-Pieck-achtig landschap achter een boerenhek, midden in de stad.

De dichter Van Teylingen heeft een monument in deze graftuin en geen zerk – al ligt zijn urn hier volgens ingewijden wel illegaal begraven. Sinds Ids Koopmans uit Hindeloopen in 1962 is hier niemand meer begraven. Huis te Vraag was toen officieel vol.

De dodencijfers lopen uiteen, de beenderputten ondergronds herbergen zo’n zestien- tot ruim twintigduizend doden. In de oorlog werden er Joden, onderduikers en slachtoffers van de Hongerwinter – naakt en anoniem – gevonden aan de straatkant; wel begraven, maar niet geregistreerd. De grafrechten liepen door, de begraafplaats werd eigendom van de gemeente, en uiteindelijk gesloten. De graftuin raakte verwaarloosd. Tot kunstenaar Leon van der Heijden eind jaren tachtig („Ik zou daar graag iets tot stand brengen”) met zijn vrouw en muze Willemijn van der Helm besloot Huis te Vraag in ere te herstellen.

Vol verwondering – „dat het nog bestaat” – en „meer schilderend dan tuinierend” stileerde Van der Heijden de graftuin: een idyllisch levenswerk van meer dan dertig jaar. Zelf noemt hij zich „bewaarder van de stemming”. Wat ooit de aula was, werd een kunstatelier annex woning.

Natuur kon haar gang gaan

Doordat de natuur haar gang kon blijven gaan, barst de overgroeide dodenakker nog altijd van leven. Een oase van rust binnen het stedelijke geweld, sinds 2009 zelfs een cultuurhistorisch monument. Die monumentale status was, meer nog dan een kroon op het werk van het bezielde beheerderspaar, het symbool van overleving. Jarenlang aasden projectontwikkelaars namelijk op het goed verborgen groen naast het riviertje de Schinkel. De grafrechten verliepen initieel in 1992, grafstenen werden al geruimd, maar de rechten schoven op naar 2012 en Van der Heijden streed „met elke vezel in zijn lijf” om Huis te Vraag te behouden.

Foto Anouk Boone

„In het lijden voel ik het leven”, zegt hij daarover in de documentaire De klimop rouwt nog steeds van Barbara den Uyl (verschenen in 2007). En: „Uiteindelijk zullen we het waarschijnlijk afleggen tegen de grotere machten die er zijn.”

Maar Huis te Vraag, met zijn woelige geschiedenis, is er nog altijd. In 1400 kon je vanaf hier naar Haarlem kijken over een jaagpad omlijst door lappen weidedekens, water en moerassen. Waar de weg de Schinkel bereikte stond een veerhuis, genaamd ‘Te Vraghe’. Al eeuwen gaat het verhaal de ronde dat keizer Maximiliaan van Oostenrijk, in 1486 op bedevaart van Haarlem naar Amsterdam, hier de weg zou hebben gevraagd.

Omstreeks 1618 noemde een lakenfabrikant zijn landhuis op dezelfde plek ’t Huys te Vraag, dat pas werd gesloopt in 1890. De nieuwe eigenaar van de grond, ene Pieter Oosterhuis, kreeg een jaar later de toestemming van het gemeentebestuur – destijds van de protestantse gemeente Sloten – om op deze plek een „bijzondere begraafplaats” te beginnen.

Eerste particuliere begraafplaats

Huis te Vraag was in 1891 de eerste particuliere begraafplaats van Amsterdam en omstreken. De grond, een hectare groot, herbergt vooral familiegraven, tot vijf graven diep. Onder hen de jonggestorven broertjes Witte en Willem Snauw, slechts vijf jaar oud. Verder gaat het veelal om boerenfamilies uit Sloten, dominees en onderwijzers. Namen als ‘Grietje’, ‘Jantje’, ‘Dirkje’, ‘Wimmi’, ‘Jacobus’ en ‘Fokelina’ vervoeren naar voorbije tijden. Een uitgekerfde graftekst: „Lieve beste man, je gaf het beste uit je wezen, we zullen je nooit vergeten”.

De bomen ruisen, een grote kastanje buigt zijn kale takken tot aan de grond. Grafstenen zijn groen uitgeslagen. Een specht roffelt – een teken van leven op de dodenakker, afgezet tegen het zachte gegons van de nabije A10. Een flits blauw-wit achter de bomen herinnert aan de stad achter de zerken: een tramremise als overbuur.

De stad buiten houden is „het eeuwige dilemma” volgens Katja Kandelaars, een van de twee tuinvrouwen van Huis te Vraag. „We horen wel eens van mensen dat ze vroeger naar het Vondelpark gingen maar nu liever hier komen voor hun rust. Dat is prachtig, maar de lijn tussen gevonden willen worden en verborgen willen blijven is dun.” Naar haar zeggen komen er „in het seizoen” (april - september) tussen de twintig en dertig mensen per dag. „Een enkele keer staan er nog mannen van 80 huilend voor een graf, zoals in eerdere jaren de broers van verzetsheld Michiel Ploeger, op 8 maart 1945 gefusilleerd op de Woeste Hoeve. Of er komen mensen die op zoek zijn naar hun overgrootouders.” Andere bezoekers van de „groene necropolis” zijn onder meer kikkers, ringslangen, spinnen, wilde bijen en vlinders, mollen en muizen, uilen, buizerds en ijsvogels.

Foto Anouk Boone

„Rozen!”, zegt Kandelaars. Tussen de kantige buxushagen –„die oude dames waren vroeger strakker” – de tongvarens, wilde aronskelk, meidoorns, treuriepen en treuressen in wintertenue, steken rode rozen af tegen de bemoste graven. „Iemand moet ze stilletjes hebben neergelegd, dat gebeurt niet elke week.” Nabij het boerenhek zit een jongen op een bankje te mediteren. Een stel struint in stilte langs de stenen. „Die poel bevriest in de winter regelmatig, in januari staat het daar vol met sneeuwklokjes, omringd door krakend ijs”, aldus Kandelaars, die naar een iepenstoel wijst.

Gestorven graven

Nergens in de stad komt de 19de eeuw zo dichtbij als in deze tuin van gestorven graven. Verweerd, gebarsten en scheefgetrokken door de tand des tijds. Maar doods is het hier allerminst. „De gedachte aan de dood is als een levenselixer, je leeft intenser”, aldus Van der Heijden. De donkergroene compositie van klimop, die als een mantel de graven toedekt, is het memento vitae op het memento mori van de zerken. Die Latijnse spreuken staan op de poort van zuilen van Huis te Vraag en onderstrepen een gevoel van contemplatie voor wie haar betreedt. De zuilen gaven tot 1772 toegang tot de oude Stadsschouwburg op de Keizersgracht, die dat jaar in vlammen op ging.

Leon en Willemijn van der Heijden (beiden 81) hebben zich recent om gezondheidsredenen teruggetrokken. Maar net als de klimop zullen zij blijven rouwen – het levenselixer.

Huis te Vraag, Rijnsburgstraat 51. www.huistevraag.nl