Reportage

Een klas uit de Schilderswijk

Tienerdromen NRC-redacteur Philip de Witt Wijnen geeft les op de IMC Weekendschool en vraagt zich af: wie zijn deze jongeren? Waar dromen ze van? Eerste aflevering van een serie waarin hij hen tien jaar lang gaat volgen.

Foto David van Dam

Sinds het najaar van 2018 geef ik als gastdocent een aantal zondagen les op de IMC Weekendschool in de Haagse Schilderswijk. Deze school is opgericht door de Amsterdamse psycholoog Heleen Terwijn om kinderen van tien tot veertien jaar uit kwetsbare wijken aanvullend onderwijs te geven, dat hen beter voorbereidt op een vervolgstudie of beroepskeuze. Begonnen in Amsterdam-Zuidoost in 1998 is het initiatief uitgegroeid tot een organisatie met tien vestigingen in zeven grote steden. De financiering komt grotendeels uit donaties en sponsorschappen – de naamgever is het Amsterdamse effectenhuis IMC. In ruim twintig jaar volgden meer dan drieduizend jongeren deze extra lessen. Zij maakten zo op een speelse manier kennis met professionals uit beroepsgroepen die voor hen niet zonder meer vanzelfsprekend zijn: chirurgen, advocaten, politici, sterrenkundigen.

Zelf heb ik nu twee jaargangen het vak journalistiek gegeven aan kinderen uit de jongste groep, van 10 en 11 jaar. Zo gaf ik lesjes ‘nepnieuws’ – en hoe dat te onderscheiden is van echt nieuws. We hielden straatinterviews met willekeurige voorbijgangers over het thema ‘liegen’ en zetten daarmee een heuse krant in elkaar.

Al snel was ik geïnspireerd geraakt door het enthousiasme van de kinderen in mijn klas. Ze waren uiterst nieuwsgierig, zaten aandachtig te luisteren. Ze waren ook wijs en eigenwijs; staken voortdurend hun vinger op en stelden slimme vragen. Een heel seizoen lang, van oktober tot juni, besteden jaarlijks honderden kinderen uit stadswijken waar de kansen over het algemeen lager liggen dan elders, zo geheel vrijwillig hun vrije zondagmiddag. Ik was onder de indruk.

Ik vroeg me telkens af: wat zal er van deze kinderen terechtkomen als zij straks met hun certificaat van de IMC Weekendschool hun échte school afmaken? Wat willen ze worden en wat wórden ze uiteindelijk? Het bracht me op het idee om een aantal leerlingen uit mijn groep de komende jaren intensief te volgen. Wie zijn deze jongeren? Wat is hun achtergrond? Hoe leven ze? Waar dromen ze van? En hoe ontwikkelen ze zich?

Het idee is geïnspireerd door de vermaarde documentairereeks Up in het Verenigd Koninkrijk. De Britse filmmaker Michael Apted begon in 1963 met het volgen van een aantal kinderen van zeven jaar uit verschillende lagen van de bevolking en legde dat elke zeven jaar vast in een documentaire. Vorig jaar werd de negende editie van deze serie uitgezonden. De dertien deelnemers – een is overleden – zijn inmiddels 63.

In overleg met de leiding van de IMC Weekendschool en de betrokken ouders heb ik vier kinderen bereid gevonden mee te werken aan dit journalistieke project. Tien jaar lang zal ik hen gaan volgen. Dat volgen bestaat uit minimaal één groot interview per jaar, steeds kort voor het eind van het schooljaar. Door het jaar heen heb ik contact op belangrijke momenten: bij het afzwemmen bijvoorbeeld of bij het slagen voor hun rijbewijs of schoolexamen – en misschien mag ik wel eens op hun verjaardagen komen.

In de afgelopen maanden trof ik Musa, Vaishnavi, Zakaria en Sara meermaals, zowel op de Weekendschool als bij hen thuis. NRC-fotograaf David van Dam maakte portretten – en dat zal hij het komende decennium blijven doen. Ik hield een eerste interview en ik leerde hun ouders kennen. De kinderen waren tien of elf toen ik ze leerde kennen, nu inmiddels een jaartje ouder. Ik hoop dat ik in 2030, en in de tussentijd, kan laten zien hoe zij zich in hun tienerjaren hebben gevormd.

Zakaria:‘Ik was mijn vaders lievelingszoon’

Foto David van Dam

Zakaria Madani Cherif (12) woont samen met zijn oudere broer Amine (19), zijn zusje Sara (11, portret rechts) en moeder in een bovenwoning in het Haagse Zeeheldenkwartier. Moeder Zuzana (41) is geboren in Slowakije. Ze kwam eind jaren negentig naar Nederland om te werken in de kassen van het Westland. Daar leerde zij haar vijftien jaar oudere man van Marokkaanse komaf kennen. Ze trouwden en kregen drie kinderen. Nu werkt Zuzana als verzorgster voor een gehandicapte vrouw in Den Haag.

Sinds een jaar zijn de ouders van Sara en ‘Zaka’ gescheiden. De kinderen zien hun Marokkaanse vader sindsdien niet meer. Als ze elkaar zouden willen zien, dan kan dat alleen op afspraak via en in het bijzijn van iemand van bureau Jeugdzorg. De nare scheiding was voor Zakaria en Sara de belangrijkste gebeurtenis in het afgelopen jaar.

Waar ben je goed in?

„Geschiedenis. Ik had een 9 op mijn rapport. Ik ben de beste van m’n klas in gechiedenis. Mijn broer Amine vertelt me veel, over het Romeinse Rijk, de Tweede Wereldoorlog. Hij zit in de vijfde van het gymnasium.”

Wat zou je later willen worden?

„Ik denk archeoloog. Of architect. Dat wil mijn broer ook worden. Hij wil later auto’s gaan ontwerpen. En ik kan ook goed tekenen.”

Wat doe je als je na school thuiskomt?

„Bidden. Eén keer in de week hebben we huiswerk, op maandag moet ik naar zwemmen.”

Ben je gelovig?

„Ja, ik geloof in Allah. Ik bid vijf keer per dag – ik vergeet het bijna nooit. En ik doe mee met de ramadan, al hoeft dat nog niet als je kind bent. Ik vast gewoon wanneer ik kan, behalve op dagen dat ik gym of zwemles heb. Vasten is pas verplicht als je puber bent.”

Ga je vaak naar de moskee?

„Vroeger ging ik elke vrijdag met m’n vader, maar nu hij weg is ga ik nooit meer. De moskee is ver weg en ik mag niet alleen over straat. Alleen aan het eind van de ramadan ga ik nog met mijn zusje en m’n broer.”

Vind je het jammer dat je niet meer zo vaak naar de moskee gaat?

„Jawel. Maar eigenlijk snapte ik er niet zo veel van. Het verhaal van de imam was altijd in het Marokkaans en dat spreek ik maar een klein beetje. Aan het eind kwam dan wel nog de vertaling, maar ik had nooit zin om dan nóg een uur te blijven. Dus dan gingen we weg.”

Maak je je zorgen?

„Over m’n vader wel een beetje. Toen hij nog thuis woonde, was ik zijn lievelingszoon.”

Sara: ‘Soms eten we bij Ikea, daar word ik blij van’

Foto David van Dam

Sara Madani Cherif (11) is het zusje van Zakaria (links). In 2019 verlieten ze allebei na de zomervakantie de islamitische basisschool Yunus Emre. Omdat Zakaria twee jaar geleden bleef zitten, zitten ze nu allebei in groep 8 van een openbare school in de buurt.

Maak je veel ruzie met je broers?

„Jawel. Vooral met Zakaria. Hij is het vaak niet met me eens. Dan wordt hij boos. En ik ook. Dan begint hij me te duwen. En dan wordt het echt ruzie. Tot m’n moeder zegt ‘Stop! Anders krijgen jullie straf’.”

Kunnen jullie ook goed samen spelen?

„Ja. We hebben ook veel lol. We gaan vaak op vakantie naar Slowakije. Daar hebben we een buurjongen met heel veel dieren – paarden, zwijnen en koeien. Daar gaan we met z’n drieën heel veel spelen.”

Waarom zijn jullie dit jaar naar een andere school gegaan?

„Het was niet meer zo leuk op school. Ik had irritante kinderen in mijn klas. Ze pestten me best vaak. Ik weet het niet zeker, maar volgens mij was dat omdat ik anders ben dan de rest. Ik ben half-Slowaaks. Ze noemden me in groep 6 ‘Slowakaka’ – ‘kaka’ betekent poep in het Marokkaans.”

Wat wil je later worden?

„Ik vind het heel leuk om iemands haar te doen en mensen op te maken. Dus ik wil wel een kapsalon of schoonheidssalon. Ik hou ook erg van tekenen. Zakaria ook. Die kan heel goed tekenen – vooral dino’s en dieren. We zijn allemaal best creatief. Dat hebben we van m’n vader. Die kon heel mooi zwaarden van hout maken. Ik kan ook makkelijk dingen van iets maken, bijvoorbeeld knutselwerk van blaadjes dun papier. Eigenlijk wil ik later het liefst model te worden.”

Waar word je blij van?

„We gaan een paar keer per jaar naar de Ikea, om daar te eten. Dan lopen we eerst langs alle kamers. Ik heb één favoriete kamer. Daar staan allemaal meubels van leer, crèmekleurig. Dat is mijn droomkamer.”

Kopen jullie er wel eens wat?

„M’n moeder kocht laatst een krukje voor me dat ik al heel lang wilde hebben. Ik had al een kleedje om erop te leggen. Ik ga soms met m’n grote broer Amine naar de stad. Voor het Suikerfeest hebben we in het geheim een cadeautje voor m’n moeder gekocht. Het was een klein apparaat waarmee je foto’s via een app kunt printen. Amine weet veel over technologie. Hij vertelt me veel over telefoons en laptops en zo. Ik spaar voor een eigen laptop.”

Zijn je ouders een voorbeeld voor je?

„M’n moeder meer dan mijn vader. Die heeft z’n school niet afgemaakt. Dat wil ik natuurlijk wel. Mijn vader was best verdrietig toen ze gingen scheiden.”

Musa: ‘Ik zou graag Mark Rutte ontmoeten’

Foto David van Dam

Voor de 12-jarige Musa Gözaydin was woensdag 15 mei 2019 een bijzondere dag. Hij kreeg een zusje. Fatma Afra is het derde kind van het gezin Gözaydin. Zijn broertje Yavuz is 10 jaar oud. Zijn ouders, Hakan en Cemile, komen oorspronkelijk uit Midden-Turkije, in de regio rond de stad Konya. Cemile (41) emigreerde in 1988 naar Nederland en werkte ooit in de beveiliging op Schiphol. Hakan (42), die in 2005 naar Nederland kwam, werkt in een garage in het Haagse Laakkwartier. Musa zit in groep 8 van de islamitische basisschool Yunus Emre.

Waar ben je goed in op school?

„Voor rekenen en geschiedenis heb ik altijd goede cijfers gehaald. Met taal en lezen heb ik meer moeite. Vroeger interesseerde ik me nooit zo voor geschiedenis. Dat ging alleen over Nederland en dat vond ik saai. Ik vind het pas interessant als het over Turkije gaat, dat was vroeger het Ottomaanse Rijk. En over andere landen en volken: de Sovjet-Unie, de Germanen, de Romeinen en de Egyptenaren. Toen ik daar goede cijfers voor ging halen, begon ik het echt leuk te vinden. Mijn leukste vak is rekenen.”

Wat wil je later worden?

„Ik kwam bij de IMC Weekendschool meerdere beroepen tegen die misschien wel bij mij passen. Journalist bijvoorbeeld, of geschiedenismeester. Of: burgemeester van Den Haag! Ik wilde vroeger altijd advocaat worden, dat zou ik nog steeds wel willen. Mijn kantoor noem ik dan Hakan, naar m’n vader. ‘Hakan’ betekent rechtvaardig.

Of ik begin een stomerij of een kleermakerij. Die zou ik dan naar m’n moeder noemen: ‘Cemile’ betekent mooi. Misschien denk je dat ik allemaal rare plannen heb, maar met een stomerij of kleermakerij kun je echt rijk worden.”

Naar welke muziek luister je?

„Ik hou van de Turkse zanger Ilyas. Die zingt liedjes over islam, in het Turksen in het Arabisch. Het lied ‘Annecigim’ van Hasan Dursun vind ik ook heel leuk. Dat betekent ‘moeder’.”

Ben je erg met de islam bezig?

„Ik geloof in God, ja. Wij noemen hem Allah. Ik zit op een islamitische basisschool, daar bidden we en leren we over onze profeten. We leren te leven naar de leer van onze grootste profeet, Mohammed. Ik ga niet altijd naar de moskee. Mijn vader heeft het vaak te druk. Ik denk wel eens dat ik wat meer op de islam moet letten.”

Wie zijn je helden?

„Vroeger waren dat natuurlijk voetballers. Ronaldo! Maar nu heb ik daar niks meer mee. Ik zou iemand die hard gestudeerd heeft en een goed leven leidt als voorbeeld willen nemen. Vroeger dacht ik wel eens aan Lenin. Die is ook advocaat geweest, en werd daarna communist. Maar dat wil ik niet worden.”

Zijn er politici die je kent?

„De premier. Mark Rutte! Die zou ik wel eens willen ontmoeten. Of Tunahan Kuzu. Niet alleen omdat hij ook Turks is, maar omdat Denk iets heel anders is dan veel van die andere politieke partijen. Hij is een groot voorbeeld voor Turken in Nederland, omdat hij zijn eigen partij heeft opgericht.”

Vaishnavi: ‘Onze meester maakte grapjes over buitenlanders’

Foto David van Dam

Het gezin van Vaishnavi Gopie verhuisde twaalf jaar geleden van de binnenstad naar de nieuwbouwwijk Leidschenveen, even buiten Den Haag. Daar woont de 11-jarige Vaishnavi met haar ouders, en haar oudere broer en zus: Supriya is 27 jaar, Vijay 22. Vaishnavi is een nakomertje. Vader Ashok (52) werkt bij het gemeentelijk afvalbedrijf Avalex, moeder Sharita (47) doet de inkoop bij een nootjesfabriek. Haar ouders komen uit Suriname; haar moeder emigreerde al op jonge leeftijd, in 1974, naar Nederland, haar vader in 1990. Zelf is Vaishnavi nooit in Suriname geweest. Ze zit in groep 8 van de Shri Vishnu basisschool in de Haagse Schilderswijk. Dat was in 1988 de eerste hindoeïstische basisschool van Nederland.

Zijn jouw oudere broer en zus belangrijk voor je?

„Ja. M’n broer heeft me vaak geholpen met rekenen. Daar snapte ik eerst niets van. Nu wel. Met mijn zus kan ik geheimpjes delen. Maar ze kan ook best streng zijn, alsof ze mij moet opvoeden. Ze zijn allebei een beetje jaloers, denk ik. Ik mag meer dan toen zij jong waren. Ik ben een beetje meer verwend, zeg maar.”

Zijn je ouders een voorbeeld voor je?

„Ja. Het is fijn dat we een goed leven hebben, dat ik een familie heb. Dat we niet in Afrika wonen en dat ik al m’n lichaamsdelen heb.”

Wat wil je later worden?

„Ik ben trots op mijn stem. Ik vind dat ik goed kan acteren. Ik zou wel iets met drama willen doen. We krijgen op school wel eens de opdracht een debat te voeren over een conflict. Dan krijg ik soms complimenten. Op de Weekendschool hadden we poëzie en moest ik een gedicht voordragen. Dat ging heel goed, zei de juf.”

Heb je het leuk op school?

„Ja, ik heb een lieve juf. We hadden ooit een meester die discrimineerde. Hij maakt grapjes over bruine mensen en asielzoekers, over buitenlanders. Hij zei: ‘Ik ben meer Hollander dan jij’. Sommige kinderen vonden dat leuk. Ik niet. Die meester zit niet meer op onze school.”

Wat doe je in je vrije tijd?

„Ik luister veel muziek op m’n telefoon, K-pop. Dat is Koreaanse muziek. Ik ben fan van BTS. Ik heb verder geen hobby’s. Ik zou wel op turnen willen, of op yoga. Ik kan al bijna de spagaat.”

Ben je gelovig?

„Ja, ik geloof in onze goden: Vishnu, Krishna, Durga. We hebben er heel veel.

Ben je veel met religie bezig?

„Eigenlijk niet. Mijn tante zegt dat we elke dag voor het slapen gaan moeten bidden. Ik leer veel van haar, maar dat doe ik niet. Op school bidden we tweemaal per dag. In de ochtend twee minuten, aan het eind van de dag dertig seconden. We vieren hindoeïstische feesten, Holi en Divali. Met Holi spelen we met poeder.”

Wat is je grootste droom?

„Gelukkig zijn! En dat de wereld wat beter is, wat meer milieuvriendelijk. Ik hoop dat ik actrice word. Daar heb ik talent voor.”