Dankzij hem lopen we allemaal hard

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

De Nieuw-Zeelandse hardloper Peter Snell (1938-2019) trainde anders. Beter.

Hardlopen is een klassieke sport en sinds 1960 een manier van leven. Op 2 september van dat jaar werd Peter Snell in Rome Olympisch kampioen op de 800 meter door in de finale op het laatste rechte eind de Belgische favoriet Roger Moens te passeren. Vier jaar later overtrof Snell deze prestatie in Tokio, door niet alleen de 800 meter, maar ook de 1.500 meter „met twee vingers in zijn neus” te winnen.

Snell, die op 12 december op 80-jarige leeftijd overleed, werd daarmee de enige atleet ooit die beide afstanden op één Olympische Spelen wist te winnen. Deze dubbelslag was des te indrukwekkender, omdat hij binnen een week zes wedstrijden moest lopen, hetgeen vooraf door kenners als gekkenwerk werd bestempeld. In de tussenliggende jaren had hij de wereldrecords op de mijl, de 800 meter en de 1.000 meter verbeterd. Het wereldrecord op de 800 meter, 1.44.3, staat tot op de dag van vandaag te boek als de snelste tijd die ooit op een inferieure grasbaan is gelopen.

Snell in 2006. Foto Getty Images

Niet alleen door zijn prestaties, ook door zijn fysieke verschijning wekte de Nieuw-Zeelander belangstelling: breedgeschouderd, gespierd, het postuur van een bokser, maar met het uithoudingsvermogen van een marathonloper. Wat gebeurde daar ‘down under’?

Mondjesmaat drong het verhaal achter Peter Snells successen tot de atletiekkringen door. Zijn trainer Arthur Lydiard, eveneens een Nieuw-Zeelander, had een nieuwe hardloopfilosofie ontwikkeld. Uitgangspunt was dat je een hardloopjaar in periodes moest indelen. In de voorbereidingsperiode lag de nadruk op het lopen van lange afstanden, niet op paden, maar in alle vrijheid dwars door het bos, afwisselend hard, dan weer rustig, met onderbrekingen voor krachtoefeningen en sprints heuvelop. Naarmate het wedstrijdseizoen naderde, werden de trainingen intensiever en korter.

Peter Snell was de Johannes de Doper van Lydiards evangelie. Hij had er ook het juiste lichaam voor. Snell blonk uit in elke sport die hij beoefende. Als tiener was hij bezeten van sport. Op latere leeftijd heeft hij zich wel eens laten ontvallen dat hij het betreurde dat kinderen vooral op hun academische prestaties worden beoordeeld. Hijzelf kon niet naar de universiteit.

In Nieuw-Zeeland werd hij op handen gedragen, in een nationale euforie die vergeleken kan worden met de heldenverering van Ard Schenk en Kees Verkerk in Nederland. Er zijn twee standbeelden voor hem opgericht.

Dankzij Snell kreeg zijn trainer Lydiard internationale bekendheid. Lopers over de hele wereld adopteerden zijn loopschema’s. Lydiard geloofde dat lopen gezond was voor iedereen. Daarom richtte hij in 1961 de Auckland Jogging Club op. Dagelijks hardlopen werd begin jaren zeventig een cultus, die meer vereiste dan een half uur lichamelijke activiteit. Hardlopers moeten voldoende rusten en nadenken over hun eten. De Amerikaanse trainer Bill Bowerman ging kritisch kijken naar de hardloopschoen. In 1964 richtte hij samen met Phil Knight een sportschoenenfirma op, die bekend zou worden onder de naam Nike. Hardlopen werd hip.

Ook in Nederland sloeg de hardloopfilosofie van Lydiard aan. In het hele land ontstonden loopgroepen. In Deventer was een groep talentvolle lopers actief bij Daventria rond Gerard Nijboer. Atletiekvereniging Ciko’66 in Arnhem was er trots op dat meer dan honderd leden de 800 meter onder de twee minuten hadden gelopen.

Een van hen, Bram Wassenaar, behoorde begin jaren zeventig samen met zijn clubgenoot Haico Scharn tot de Europese top op de 1.500 meter. In navolging van Snell begon hij veel kilometers te lopen. „Ik liep wel 180 tot 200 kilometer in de week, maar het werkte niet voor mij. Ik werd er langzamer van. Maar ik raakte door het voorbeeld van Snell supergemotiveerd; eerst als atleet en later als trainer.”

Cees Koppelaar, die eind jaren zestig bondscoach op de midden- en lange afstand werd, sprak begin jaren zeventig met Lydiard: „Ik ben door hem gesterkt in mijn overtuiging dat het allerbelangrijkste voor een topatleet is dat hij geen blessures krijgt. Een trainer moet het lijf van iedere pupil begrijpen en zijn training daarop afstemmen.”

Peter Snell besloot in 1965 na een reeks nederlagen te stoppen. In een van zijn dankwoorden betoogde hij dat zijn voorbeeld liet zien wat je met sport kon bereiken, maar hij was gefrustreerd dat hij zijn succes niet kon staven met wetenschappelijke feiten. Dit bracht hem ertoe om zich alsnog academisch te gaan scholen. Hij specialiseerde zich in de Verenigde Staten in de inspanningsfysiologie, waarop hij ook promoveerde. Zijn academische carrière kreeg een vervolg als assistent-hoogleraar aan de medische faculteit van de Universiteit van Texas in Dallas.

Snell bleef bescheiden onder zijn succes. Collega’s wisten dikwijls niet dat hij de held van de Olympische Spelen van 1960 en 1964 was. Ofschoon een ‘Kiwi’ in hart en nieren, bleef hij de rest van zijn leven wonen in het land dat in de greep was van de door hem ontketende looprevolutie.