Recensie

Recensie Boeken

De fatale liefde tussen de jonge moeder en de violiste

Pauline Delabroy-Allard Haar opmerkelijke debuutroman gaat over de hartstochtelijke en erotische liefde tussen een jonge alleenstaande moeder en een violiste. Als lezer raak je ervan buiten adem.

Het is oudjaar. Drie stellen zitten keurig te converseren voor ze aan tafel gaan. Alles is wat stijfjes, de inrichting van het appartement, de gespreksonderwerpen. Dan waait er nog een verlate gast binnen: Sarah, een violiste. Ze praat te hard, te snel, ze is slordig, te zwaar opgemaakt, niet goed gekleed, ze heeft haar haar niet opgestoken. Maar ze is levendig, opgewonden, gepassioneerd. Ze detoneert in het gezelschap. Ze fascineert de vertelster, die naast haar aan tafel zit.

Zo begint Dit gaat over Sarah, de opmerkelijke debuutroman van de 31-jarige Française Pauline Delabroy-Allard, documentaliste op een middelbare school. Tussen de vertelster, een jonge docente en alleenstaande moeder, en de violiste ontstaat een passie – hartverscheurend, ontregelend, tragisch en fataal. Een passie met een ritme en een intensiteit waar je ook als lezer buiten adem van raakt. De violiste speelt in een strijkkwartet dat voortdurend onderweg is. Bijna al haar bezittingen gaan in één koffer. Ze reist Europa door. Tussen twee vliegtuigen, tussen twee treinen zien de vrouwen elkaar – kort maar heftig. Ze ontdekken elkaars lichaam, raken verslaafd aan hun excessieve hartstocht, raken uitgeput van hun vulkanische liefde. ‘Ze laat mijn lichaam kronkelen, mijn borsten steigeren, ze houdt niet op.’

Het eerste deel van het boek behelst de passie en de erotiek, in korte zinnen, in rake alinea’s, in een voortrazende stijl, het bloed jaagt door het lijf. Fascinatie wordt obsessie. Obsessie verandert in waanzin. Het was een ‘opgeschort leven, dat op pauze was gezet, waarin ik mijn adem inhield, waarin ik gewichtloos was’. Al snel volgt het besef dat het ‘een catastrofe’ is, ‘dat herinner ik me, dat ik tegen mezelf zei geloof me maar, niemand komt hier ongedeerd uit.’

Broeierige sfeer

In het tweede deel veranderen de toon, het register en het ritme. Dan horen ze bij de desillusie, de irritatie en de ruzie, de ontgoocheling en het verdriet. Worden in het eerste deel verschillende strijkkwartetten gespeeld en beluisterd, in het tweede klinkt vooral nog Schuberts lied ‘De dood en het meisje’. Is er in het eerste deel volop beweging, in Parijs, in Europa, in het tweede deel rest er stilstand en wanhoop: de vertelster, verward en verlaten, zoekt haar toevlucht in een donker appartement in Triëst.

Deze knappe roman is verwant aan Alleen maar hartstocht (Passion simple) van Annie Ernaux uit 1991, waarin een afstandelijke, nieuwe, sociologische stijl wordt gehanteerd. Het is een autobiografisch récit over een vrouw die twee jaar lang volledig afhankelijk is van een man, een leven dat alleen nog bestaat uit wachten – wachten op de ander. Bij Delabroy-Allard werpt de dood zijn schaduw vooruit, de passie neemt het karakter aan van de destructieve hartstocht à la Marguerite Duras. Je waant je soms in het tragische universum van Hiroshima mon amour, de film van Alain Resnais uit 1959 waarvoor Duras het scenario schreef, of de ambiguë, tropische, zinderende sfeer van haar L’amant (1984).

Delabroy-Allard sleept je mee, van aftasten naar extase, van verlatingsangst naar versmelting, van harmonie naar haat – een schrijfster die het extreme niet schuwt.