‘Aanstootgevende’ kunst heeft het moeilijk buiten in Rotterdam

Kunst in publieke ruimte Kunstwerken plaatsen in de openbare ruimte (die géén instagrammable muurschildering zijn) is monikkenwerk. „We gaan naar een frictievrije publieke sfeer.”

Onder de fly-overs van het Kleinpolderplein komen de kunstwerken te staan die nergens anders meer terecht kunnen: Kunstzaal Kleinpolderplein.
Onder de fly-overs van het Kleinpolderplein komen de kunstwerken te staan die nergens anders meer terecht kunnen: Kunstzaal Kleinpolderplein.

Jules Deelder wist er destijds niets van, maar Woonstad verwierp najaar 2017 zijn gedicht Lotgenoten. De corporatie was bang dat het gedicht – bestemd voor de gevel van een woongebouw aan de Lieve Verschuierstraat – godsdienstige spanningen zou oproepen vanwege de strofe: God of Jehova / Allah Jahweh / De één is de ander / De ander de één.’

Een woordvoerder van Woonstad vertelt dat het besluit werd genomen na het polsen van enkele medewerkers. Maar er speelden, volgens hem, ook bouwtechnische bezwaren. In september 2018 werd het gedicht uiteindelijk aangebracht op een ander pand, niet in het bezit van Woonstad, op de hoek van de 2e Middellandstraat en de Aleidisstraat.

Deelder, die tot kort voor zijn dood de voorgeschiedenis niet kende, reageerde enkele weken geleden als volgt: „Ik geef geen commentaar op bekrompen mensen. Het gedicht hangt nu goed.”

Siebe Thissen, beheerder van Beeldende Kunst & Openbare Ruimte (BKOR), onderdeel van het Rotterdamse Centrum Beeldende Kunst (CBK), weet als geen ander hoe moeilijk het is om anno nu kunst in de openbare ruimte te plaatsen. „Het managen van publieke kunst in Rotterdam is een fulltime job.” Verwijzingen naar seks liggen moeilijk. Zoenende mannen zie je nergens. Thissen vertelt dat er op het moment een discussie is over een voorgenomen kunstwerk dat veel kinderen zou aantrekken „en”, zo is de redenering, „daardoor pedofielen.”

Het gedicht Lotgenoten van Jules Deelder op de hoek van de 2e Middellandstraat en de Aleidisstraat. Foto Walter Herfst

Het verleden is, volgens de beheerder, al evenzeer een probleem. „Sommigen vinden dat het beeld van tsaar Peter de Grote aan de Parkkade weg moet. Van Gijsbert Karel van Hogendorp, een van de grondleggers van ons staatsbestel, wordt gevreesd dat hij straks zal detoneren met de nieuwe roltrappen van het WTC – je kan het ook ómkeren, denk ik dan – en tegen het opknappen van Piet Hein in zijn geboorteplaats Delfshaven bestaan eveneens bedenkingen.”

Waar Hein voor de één een nationale zeeheld is, winnaar van de zilvervloot, is hij voor de ander een representant van Nederlands koloniale Gouden Eeuw. „Wat mij betreft gaat de restauratie door”, zegt Thissen. „Je kunt over Piet Hein van alles zeggen, en dat moeten we ook vooral doen, maar dit kunstwerk uit 1870 gaat over meer. Het staat tevens symbool voor dat typisch negentiende-eeuwse nationalisme, toen het trotse Nederland overal standbeelden plaatste. Ook dat verhaal moet je vertellen.”

„Het is geen idols

Het BKOR, waarvan filosoof Thissen nu zo’n twintig jaar beheerder is, werkt langs twee sporen: kunst van universeel niveau, die ongevraagd wordt neergezet vanwege Sculpture International Rotterdam – zo’n twee werken per jaar – en kunst die voortkomt uit een vraag, dat zijn er jaarlijks zo’n tien. Het verzoek kan komen van burgers, bedrijven, corporaties, overheden en noem maar op. Daarna begint de fase van kunstenaars zoeken, geld inzamelen en draagvlak scheppen in de buurt: praten, praten, praten. „Het lijkt erop dat we het steeds moeilijker gaan vinden om aan een plek een specifieke betekenis te geven”, is de ervaring van Thissen (59). „Publieke ruimtes moeten inwisselbaar zijn, generiek en frictievrij, terwijl kunst juist bedoeld is om te opiniëren. Om de beeldhouwer Gust Romijn te citeren: beelden moeten meespelen in de stad, en niet louter mooi of lelijk staan te wezen.”

Er is maar een kleine vonk nodig om een publiek kunstwerk te laten affikken. Hans Sibarani, directeur van literair festival Woordnacht, herinnert zich hoe een jaar geleden een basisschooldocente bezwaar maakte tegen het portret van Anna Blaman bij het voormalige woonhuis van de Rotterdamse schrijfster aan de De Vliegerstraat. Sibarani, initiatiefnemer van het Blaman-monument: „De vrouw stoorde zich aan de sigaret op de afbeelding. Ze dacht dat het reclame was en vond het een slecht voorbeeld voor haar leerlingen.” Een klacht van de docente bij de gemeente resulteerde al vrij snel in een ambtelijk telefoontje naar Thissen. „Of we dat portret misschien konden weghalen. Nou nee, zei ik.”

Hoe ga je om met publieke kunst in een stad die op alle fronten divers is: sociaal-economisch, cultureel, religieus en seksueel? Een samenleving waar, zo citeert Thissen NRC-columnist Bas Heijnen, vrijheid met vrijheid botst en ieder vindt dat de ánder in de publieke ruimte een toontje lager moet zingen. Soms wordt een compromis gezocht. De BKOR-beheerder kan zich voorstellen dat Piet Hein niet in oude glorie wordt gerestaureerd zodat de uitstraling wat meer gehavend en minder triomfantelijk zal zijn. Precies zoals het debat over Hein zich voltrekt. Een andere keer gaat een beeld tijdelijk ‘in quarantaine’, wat met ‘Kabouter Buttplug’ is gebeurd. „Die is eerst twee jaar in pension geweest achter een hek bij Boijmans”, herinnert Thissen zich. En soms wordt voor een kunstwerk simpelweg een andere plaats gezocht.

Dat gaat bijvoorbeeld gebeuren met een staalplastiek van André Volten in Schiebroek. Thissen: „De eigenaar, een school, heeft het niet goed onderhouden. Bewoners stuurden de gemeente recentelijk een brief dat ze niet meer op dat ‘vreselijke’ kunstwerk wilden uitkijken. Let wel: Volten is de crème de la crème van de Nederlandse beeldhouwkunst. Het plastiek gaat nu, na restauratie, naar de Dordtselaan.”

Een ander kunstwerk dat met ernstige barensweeën totstandkomt, is de Vos aan de Schiedamseweg. Zo’n drie jaar is Thissen er nu mee bezig, en telkens zijn er weer nieuwe bezwaren. „De Nicolaasschool wil het vanwege de forse afmetingen – dertig meter lang en tien meter hoog – liever niet voor haar gebouw. Verder heeft de Vos een zak in zijn bek, waar iedereen zijn angsten op projecteert. De marktkoopman van het Grote Visserijplein vreest dat het slaat op zijn afval, de shoarmabakker denkt aan zijn verpakking en de politie-agent vermoedt een verwijzing naar drugshandel.”

Tsaar Peter de Grote aan de Parkkade Foto Walter Herfst

Met de Vos, waarmee kunstenaar Florentijn Hofman de slimheid van de wijkbewoners wil eren, zou het dit jaar ten langen leste moeten lukken, inclusief de zak in de bek. „We hebben van Stadsontwikkeling een tijdelijke vergunning van vier jaar gekregen. In het gebied moet ook nog worden gebouwd en gesloopt. Vandaar.”

Voor publieke kunstwerken waarvoor compromis noch overplaatsing mogelijk is, rest slechts Kunstzaal Kleinpolderplein, ook wel het weeshuis van de kunst genoemd. Bijna geen Rotterdammer die het weet, maar hier, onder de fly-overs met hun verkeersgeraas, blazen ‘hopeloze gevallen’ hun laatste adem uit.

Het zijn er een stuk of twaalf: een buste van componist Bernard Diamant, ontworpen door Han Rehm – oorzaak van verbanning onbekend. Het Zonnehoofd van Carel Kneulman, ooit stralend middelpunt op het schoolplein van het Einstein Lyceum in Hoogvliet, maar na herinrichting in ongenade gevallen. En – wel het meest cynische geval – een kunstwerk getiteld Verschuivingen, waarmee de kunstenaars Wim van der Horst en George Degenhart ooit de verbinding wilden bevorderen tussen bewoners van de Agniesebuurt. En nu, vanwege wijkrenovatie, in het weeshuis.

Ach, Thissen had liever déze scheppingen in de stad gezien dan de vele reclamezuilen en commerciële kunstuitingen die er nu als paddenstoelen uit de grond schieten. „Muurschilderingen van Netflix, allerlei streetart, die vanuit citymarketing in de publieke ruimte verschijnt. Rotterdam Make it Happen staat er vaak op te lezen. Over die uitingen hebben wij als BKOR geen zeggenschap, en sommige zijn ook best leuk. Maar er is streetart die ik betreur. In de Tweebosbuurt bijvoorbeeld wemelt het van de vrolijke schilderingen, terwijl de bewoners aldaar gedwongen moeten verhuizen. Dáárover moet je streetart maken. Kunst is ook commentaar leveren op de omgeving. Het hoeft niet allemaal instagrammable te zijn, en fun, en geschikt voor selfies. Bij Kabouter Buttplug, nu aan het Eendrachtsplein, is op straat zelfs een cameraatje getekend waar je moet gaan staan voor je selfie.”

Maar er is ook goed nieuws: vanuit het weeshuis van de kunst zullen binnenkort twee werken verhuizen naar Rozenburg, en één tijdelijk naar Amsterdam. Dat stemt Siebe Thissen hoopvol. „Zelfs beelden waar geen liefde meer voor was, zoals deze in dit parkje, zijn niet verloren. Daardoor ga je toch weer geloven in de kunst, in Rotterdam, en in de kunstenaar als maker van de stad.”