Recensie

Recensie

Een SS’er vertelde hem wat er in Auschwitz gebeurde

Tweede Wereldoorlog Sytze van der Zee interviewde zo’n tachtig bejaarde Nederlanders over het beangstigend gewone leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. (●●●●)

Vlagceremonie van de Nederlandse Jeugdstorm op de Elandgracht in Amsterdam.
Vlagceremonie van de Nederlandse Jeugdstorm op de Elandgracht in Amsterdam. Foto ANP

Haarscherp herinnert Greet Visser (1932) zich hoe na de capitulatie in mei 1940 een kapitein van de Wehrmacht bij haar thuis in Rotterdam werd ingekwartierd. Op een dag liet hij zich tegenover haar ouders uit over de nabije toekomst en zei dat die ‘heel, heel erg’ zou worden. Een paar weken later vertrok hij op een ochtend naar de kazerne. Hij deed er zijn uniform uit, trok een badpak aan en schoot zich een kogel door het hoofd.

Het verhaal over deze Duitse officier, die het vertikte om in blinde gehoorzaamheid misdadige bevelen op te volgen, is een van de vele opzienbarende getuigenissen uit Wij overleefden. De laatste ooggetuigen van de Duitse bezetting van Sytze van der Zee (1939). Aan de hand van interviews met zo’n tachtig bejaarde Nederlanders, die vaak voor het eerst hun verhaal (durven) doen, schetst hij een caleidoscopisch beeld van het dagelijks leven tijdens de oorlog.

Bombardementen op Rotterdam, Nederland mei 1940. Compleet verwoeste huizen in de binnenstad van Rotterdam. ANP PHOTO

Op iemand die het niet heeft meegemaakt komt dat leven soms beangstigend gewoon over. Toch is van nivellering van het kwaad nergens sprake. De nazi-misdaden komen bij Van der Zee ruimschoots aan bod, ook al klinken de geïnterviewde NSB-kinderen en SS’ers soms naïef, alsof ze per ongeluk in het kamp van de vijand zijn beland. Voor veel Nederlanders, goed of fout, ging het leven in de eerste oorlogsjaren tenslotte door alsof er niets aan de hand was, terwijl drie straten verderop een Joods gezin werd weggehaald of een NSB’er door het verzet werd geëxecuteerd.

Buren met Jeugdstorm-pakjes

Het beeld van het sluipende kwaad wordt versterkt doordat Van der Zee zijn interviews uitsmeert over de vijf bezettingsjaren, waardoor je goed kunt zien hoe het gewone geleidelijk aan plaats maakt voor het gruwelijk ongewone van een oorlog en een bezetting.

De tweede druk van Bianca Stigters uitgebreide Atlas van een bezette stad is verschenen. Lees ook: In elke Amsterdamse straat huisde de oorlog

Zo vertelt John Blom (1930) hoe hij op 15 mei 1940 in Amsterdam de Duitse troepen de stad zag binnentrekken en zich voor het eerst bewust werd van zijn Joodse afkomst. Onder de indruk van omstanders, die de Duitsers bloemen toewierpen en ‘Houzee!’ riepen, besloot hij ook ‘Houzee!’ te roepen en zijn arm in de Hitlergroet te strekken. Tot zijn woedende vader opdook en hem zei: ‘Wij zijn Joden! Jij moet uit de buurt van de Duitsers blijven!’

Ontroerende nazi-muziek

Maar ook die woorden wekten John niet uit zijn bewondering voor de Duitse soldaten. Vooral de Duitse motorrijders vond hij prachtig. Hij probeerde ze te imiteren door op een zware transportfiets in de tuin rond te rijden. Ook was hij ontroerd door de Duitse marsmuziek. Toen hij in de volgende dagen niet meer met zijn buurmeisjes mocht spelen, die in het uniform van de Jeugdstorm liepen, was hij diep teleurgesteld. Hij benijdde ze om die pakjes, zo mooi vond hij ze. In juni 1943 werden Johns ouders en broer naar de concentratiekampen gedeporteerd en vermoord. Ondergedoken zou hij de oorlog als enige van zijn familie overleven.

In een andere getuigenis vertelt Dries Blommers (1931), zoon van de chauffeur van NSB-leider Mussert, dat hij niet bij Jeugdstorm wilde, omdat ‘die liederen, het gemarcheer en het houzee-geroep’ hem tegenstonden. ‘Bovendien zat ik al op voetbal’, zegt hij.

Frans Lavell (1935), zoon van een communist in Amsterdam-Oost, vertelt hoe zijn vader in 1941 de Februaristaking hielp organiseren nadat een Joodse partijgenoot was opgepakt. Voor communisten zoals hij waren de razzia’s de druppel die de emmer deed overlopen. De Duitse reactie op die staking was zo gewelddadig, dat vanaf het neerslaan ervan niemand zijn mond open durfde te doen.

Dreigen met zelfmoord

Uit de interviews blijkt ook hoe verschillend er aanvankelijk gedacht werd over het lot van de naar het oosten gedeporteerde Joden. Zo vertelt de Joodse Hans Aussen (1926) hoe hij en zijn oudere broer zich op 14 juli 1942 op het Centraal Station in Amsterdam moesten melden om in Duitsland te gaan werken. Als ze niet kwamen opdagen zouden zevenhonderd Joodse gijzelaars naar Mauthausen worden gedeporteerd. Aussens vader, een welgestelde fietsenhandelaar, zei toen tegen zijn zoons: ‘Ga maar, jongens, van werken is nooit iemand slechter geworden.’ Zijn vrouw wist beter en dreigde een einde aan haar leven te maken als hij hun zoons liet vertrekken.

Daartegenover staat Ernst Verduin (1927). Hij kwam uit een Joods gezin waar ze wel degelijk wisten wat de Duitsers van plan waren. Toen hij en zijn ouders op het punt stonden onder te duiken, werden ze door de Nederlandse Zwarte Politie opgepakt en naar kamp Vught gebracht. Daar kreeg hij van een SS’er die in Auschwitz had gediend tot in de details te horen wat er daar met de Joden gebeurde.

1942, eerste Joden op transport. In Amsterdam vond een razzia op joden plaats in Amsterdam-Centrum en Amsterdam-Zuid. ANP

Ook laat Van der Zee zien hoe je als Jood aan dat lot kon ontkomen door aan te tonen dat je al voor 1940 gedoopt was. Een doopbewijs leverde afstel van deportatie op, zo ervoer Henny Dormits (1929) in Westerbork, waar een bevriende dominee haar familie op het nippertje van die documenten voorzag. Een vergelijkbare bescherming bood sterilisatie aan gemengd gehuwde Joodse mannen, zo laat Van der Zee zien. Het is bureaucratische rassenwaanzin ten top, maar zo ging het nu eenmaal. Tenminste, als je geluk had.

Kaalgeschoren

Tegenover getuigenissen over de Jodenvervolging staan verslagen van bombardementen, zoals op Nijmegen, waar een meisje na de geallieerde aanval van 1944 alleen nog een hoge schoen met een stuk been van haar broertje terugvindt.

Gruwelijk is ook het verslag van Govert Janse (1937), wiens moeder verkering kreeg met een Duitse soldaat terwijl haar anti-Duitse man in een werkkamp zat. Na de bevrijding vreesde ze om, net zoals hun buurmeisje, als moffenhoer kaalgeschoren te worden. Ze zocht haar toevlucht bij een familielid dat haar met een getrokken scheermes moest verdedigen tegen een wraakzuchtige menigte.

Lees ook: Dit boek over de Tweede Wereldoorlog is een genot om te lezen

Aan het einde van zijn boek voert Van der Zee een getuige op die vertelt hoe na de bevrijding op het Amsterdamse Waterlooplein schavotten stonden waarop vrouwen die met Duitse militairen waren omgegaan aan de lopende band werden kaalgeschoren. De burgerij had het recht in eigen hand genomen. Vijf jaar ingehouden wraakzucht kwam ineens naar buiten. Alsof iedereen ‘goed’ was geweest. Alleen al zo’n getuigenis maakt Van der Zee’s boek aan het begin van het 75ste herdenkingsjaar van de bevrijding meer dan de moeite waard.