Mark Haddon, thuis in Oxford.

Foto: Manuel Vazquez

Interview

De bestsellerauteur die zichzelf opnieuw blijft uitvinden

Mark Haddon In zijn laatste roman blaast de Britse bestsellerauteur een vergeten stuk van Shakespeare – Pericles, gesitueerd in het oude Griekenland – nieuw leven in.

In 2003 verwierf Mark Haddon wereldfaam met zijn roman Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, over een jongen met Asperger, die zich verdiept in een moord op een hond. Tien miljoen exemplaren verkocht. Maar Haddon schreef sindsdien niets wat daarop leek. De opvolger was een luchtige roman over een getroebleerde vijftiger (Een akkefietje), daarna kwam er een mozaïekroman over een familievakantie (Het rode huis), vervolgens poëzie en een ijzersterke verhalenbundel over de dood (De pier stort in). Deze zomer publiceerde hij het raarste boek uit zijn oeuvre, en misschien wel het beste: de roman De Dolfijn.

Telkens iets anders schrijven getuigt van lef – maar in dit geval had hij wel bijzonder veel lef. De Dolfijn gaat over een rijkaard en zijn dochter in het heden, maar na enkele tientallen pagina’s transformeert alles en iedereen, en wordt het een verhaal over de Griekse oudheid. De Dolfijn werd genomineerd voor de Gold-smiths Prize, een prestigieuze literaire fijnproeversprijs – en werd door critici ‘terrifically exciting’ en ‘een sterke kanshebber voor de roman van het jaar’ genoemd.

De roman is Haddons versie van een verhaal van Shakespeare – een bewerking van het toneelstuk Pericles, over een Griekse held, op zijn beurt weer gebaseerd op de middeleeuwse mythe van Appolonius van Tyrus. Pericles is een van Shakespeares minder bekende stukken, het is „tamelijk slecht”, gnuift Mark Haddon (1962) in zijn werkkamer, in het souterrain van zijn huis in Oxford. De oorsprong van de roman, vertelt hij, ligt bij het idee van de Britse uitgeverij Hogarth om gerenommeerde auteurs een tekst van Shakespeare te laten bewerken – Jeanette Winterson deed het, Margaret Atwood, Jo Nesbø. „Een verbazend project, want waarom zou je dat doen: iets heel goeds nemen om er iets van te maken dat onvermijdelijk minder goed wordt? Ik zei tegen ze: je moet de schrijvers meer vrijheid geven, zodat ze iets kunnen maken wat echt van henzelf is.”

En toch zette u zich aan een Shakespeare-bewerking?

„Ja, ik dacht: ik neem een slecht stuk, dan kán het beter worden, door mijn bewerking. Pericles dus, het is melodramatisch en banaal. En ik had een grote afkeer van bepaalde morele kanten van de plot. Dus ik besloot dat ik ermee in discussie wilde.”

Het begint met een prinses, die een incestueuze relatie heeft met haar vader. Zij krijgt in het hele toneelstuk niet meer dan…

„Juist! Twee regeltjes! En ze wordt dus langdurig seksueel misbruikt door haar vader, verkracht, en alle academici die ik las hebben het over ‘incest’, alsof er sprake zou zijn van een verhouding met wederzijdse instemming. Vervolgens is dat gegeven alleen maar een springplank naar een avontuur dat niet meer over die prinses gaat. Ik vond dat haar onrecht werd aangedaan. Dus daarmee had ik een stuk dat te verbeteren viel, én een verhaal dat nodig verteld moest worden.”

Mark Haddon, thuis in Oxford. Foto: Manuel Vazquez

Bleef u dan niet toch zitten met een matig stuk?

„Jazeker wel – met een stuk dat nul psychologische geloofwaardigheid heeft. En met het probleem dat ze niet meer in het stuk voorkomt, dus daar moest ik iets op verzinnen. Ik bedacht: als je dat hele avontuur beziet vanuit het perspectief van die jonge prinses, als de enige man die haar ooit uit haar situatie kan bevrijden haar niet redt maar wegrent en alles wat na dat moment gebeurt háár verhaal is, dat haar helpt te leren leven met haar verlatenheid – dán wordt het allemaal psychologisch verklaarbaar. Je hoeft dat als lezer niet per se allemaal te zien. Ik vind het prima als dit een boek is dat je een tweede of derde keer moet lezen.”

Het verhaal begint nog in het heden, met een jong gezin en een vliegtuigcrash. Hoe kwam u daarvandaan in de Griekse oudheid?

„Precies weet ik het niet meer. Dat komt: ik heb begin dit jaar een hartoperatie gehad, drievoudig, ik was plotseling uitgeput tijdens het hardlopen, de arts kwam gelukkig op het idee om een CT-scan te laten maken – het is allemaal goed afgelopen, ik ben weer fit, alleen heb ik nog wat gaten in mijn geheugen. Maar ik weet nog dat ik graag de aandacht grijp: zeventig procent van de lezers haakt af als je je verhaal begint in hellenistisch Griekenland. Met een vliegtuigcrash daarentegen… Ik houd van beginnen met een knal: een instortende pier, een dode hond met een spitvork in zijn lijf…

„Er zit ook een serieuze kant aan. Misbruik is geen kwestie van het verleden, het is net zo goed hedendaags – en dat vergeet je gemakkelijk als zo’n verhaal zich geheel in het verleden afspeelt. Naaktheid is op een oud schilderij ook nauwelijks meer naaktheid, maar een voorstelling op een oud schilderij. Ik wilde mijn lezers vastgrijpen en meevoeren, om ze ervan te overtuigen dat dit soort verhalen niet alleen in een ver verleden speelde. Dan wordt het iets anders dan een historisch verhaal – en dan is het voor mij de opdracht om de personages menselijk, geloofwaardig, écht te maken. Ik moest een absurd verhaal waarachtig maken.”

Waarom was dat een opdracht waarmee u wel iets kon?

„Schrijven is voor mij: begrijpen hoe het is om in schoenen te staan die niet de jouwe zijn. Dat is per definitie een experiment. De menselijke ervaring vangen, dat interesseert me als schrijver. Verhalen over oorlog, liefde, ballingschap, reizen, de dood.”

Het voelt ergens ook alsof u uw vermogens wilde tonen: ik kán een tijdreis geloofwaardig maken.

„Nee, dat is niet de reden. Ik vond het wel sáái om het niet te doen.”

Saai?

„Mijn schrijven verveelde me. Schrijven over mensen zoals ik. Dat kennen we nu wel. En dan krijg je automatisch dat conservatieve schrijven volgens de wetten van het naturalisme, dat realisme van na Raymond Carver en Tsjechov, een stijl die gewoon is geworden en een ijzeren greep heeft op de literatuur, zeker de Britse en Amerikaanse. Dat is een weg die niet meer avontuurlijk voelde. Bovendien: als ik me af bewoog van de hedendaagse maatschappij, kon ik gemakkelijker schrijven wat ik wilde.”

Kan dat dan niet?

„De hedendaagse ballingschappen of oorlogen heb ik nooit gekend. Hoe kan ik daar dan over schrijven als een toch wat beschut levende witte man van middelbare leeftijd, zonder me het verhaal van iemand anders toe te eigenen?”

Het oude Griekenland kent u toch nóg veel minder?

„Daarover kan ik in elk geval schrijven zonder dat ik iemands verhaal steel. Aan dat stelen zit een moreel aspect, dat je teert op mensen die zelf niet in staat zijn hun verhaal te vertellen, maar je krijgt er ook slechte verhalen van.”

Wat doet u dan om die verhalen goed te krijgen? Historische research?

„Om geen historische fouten te maken: ja. Maar research is ook weer niet zó belangrijk, je hoeft echt niet alles te weten. Je gebruikt de leuke dingetjes. Want je maakt een verhaal niet geloofwaardig door de geschiedenis kloppend te krijgen, maar door de ervaring kloppend te krijgen, en die zo verleidelijk te beschrijven dat een lezer zich thuis voelt. Trouwens: Shakespeare maakte ook een potje van de geschiedenis. Hij plaatste Pericles vooral in het verleden om er in het heden geen last mee te krijgen.”

Mark Haddon, thuis in Oxford. Foto: Manuel Vazquez

Wat is uw manier om die ervaring kloppend te krijgen?

„Ik ben een schrijver die dat zoekt in sprekende details. Kevin Barry haalt zijn levendigheid uit de dialogen, iemand als Julian Barnes is weer anders, die beschrijft nooit de ruimtes waarin scènes zich afspelen, terwijl ik er niet zonder kan. Als ik schrijfles geef, zeg ik vaak: als je een detail kúnt noemen, doe het dan. Er komt nooit ‘een auto’ langs, altijd een specifieke, unieke auto. Maak het specifiek en het wordt een interessante auto. Kost je twee woorden, is meteen je beeld scherp gesteld.”

De politieagent aan het begin van ‘Het wonderbaarlijke voorval…’ had een herfstblad aan zijn schoen plakken.

„Precies. In het toneelstuk zat dat blad er ook, heel leuk vond ik dat.”

Is het erg dat een nieuw boek nooit meer zo groot zal worden als ‘Het wonderbaarlijke voorval’?

„Het zou mooi zijn als het ooit een voetnoot bij mijn necrologie wordt: ‘Hij schreef trouwens ook Het wonderbaarlijke voorval…’ Nee, eerlijk: het is geweldig dat dat boek nog steeds lezers trekt en weerklank krijgt, tot in Mongolië, ik krijg nog steeds e-mails van over de hele wereld, maar ik denk er allang niet meer op dagelijkse basis aan. Schrijvers zeggen vaak dat boeken hun kinderen zijn – dit is voor mij een robuuste 37-jarige die af en toe opbelt, maar mij niet meer nodig heeft. Dat is iets goeds. Ik had een hele carrière kunnen maken van het schrijver-van-Het-wonderbaarlijke-voorval-zijn, maar wat zonde zou dat zijn: al die andere boeken die ik in die tijd had kunnen schrijven!

„In plaats daarvan pakte mijn carrière sindsdien vooral uit als het afschrikken van Het wonderbaarlijke voorval-lezers. Ik weet dat ik behoor tot een kleine bubbel van mensen die graag verrast blijven worden door literatuur. De meeste mensen willen graag meer van hetzelfde. Ik weet niet wat ze verwachten van De Dolfijn – een dolfijn met een spitvork in zijn lijf? – maar zeker niet dit. Ik stel veel mensen teleur. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, niet mijn doel.”

Maar u probeert het ook niet te voorkomen.

„Wat Het wonderbaarlijke voorval me geschonken heeft, is de vrijheid om dingen niet te doen. Als ik een heel miserabel boek schrijf hoeft dat niet uitgegeven te worden maar kan ik het weggooien, ook al zit er twee jaar werk in.”