Opinie

Geniep

Ellen Deckwitz

Dus dit keer vierden we met een berg familie en vrienden de jaarwisseling in zo’n goedbedoelde kampeerboerderij en aangezien het gros van de genodigden dronk als een vis kon ik de volgende ochtend met mijn neefjes (13 en 11) in alle rust ontbijten terwijl de rest total loss boven de wc hing.

„Wat een heerlijke stilte”, glunderde mijn jongste neefje en inderdaad, het was best een aangename kampeerboerderij wanneer niet iedereen toeterlam door elkaar heen blérde. De genodigden waren stuk voor stuk individuen met een diep gekoesterde mening en naarmate de avond vorderde voelde iedereen een steeds grotere behoefte om die met de rest te delen. Mijn neefjes hadden aanvankelijk gemopperd dat ze bij het afsteken van vuurwerk gehoorbeschermers moesten dragen, maar rond tien uur ’s avonds liepen ze ook binnen met die dingen op. Diverse opvattingen werden over en weer geschreeuwd zonder dat iemand ook maar echt luisterde, het was net Twitter maar dan met dolbi surround.

Na het ontbijt schoten we onze jassen aan voor een nieuwjaarswandeling. Mijn neefjes stampten door het kale januaribos, her en der lagen vuurwerkresten, zag je tussen het kreupelhout de uiteengespatte ingewanden van een duizendklapper.

„Ik hou van mijn oren nu het zo stil is”, zei de jongste.

„Ja, echt genieten”, zei de oudste. Meteen stoof zijn broer op.

„Niet zeggen dat je geniet”, siste hij, „dat is een heel gevaarlijk woord.”

„Hoezo?”

„Zodra je van iets geniet valt het de volgende keer tegen. Het benoemen zorgt voor een te hoge verwachting.”

„Goed punt”, zei de oudste, en zo liepen we in het geniep genietend over de bospaden, want je hoopt bij plezierige dingen immers dat het de volgende keer even fijn is. De vogels floten harder dan normaal (die hadden door al dat knalwerk massaal gehoorbeschadiging opgelopen) maar los daarvan overheerste er een stilte die de trommelvliezen verkwikte.

„Mag ik dan wél zeggen”, begon de oudste na een tijdje, „dat ik toch erg blij word als iedereen even niét door elkaar schreeuwt?”

„Ja”, zei zijn broertje na er even over te hebben nagedacht, „dat mag wel, maar niet te vaak, anders ga je het weer missen.”

„Top”, zei de oudste, „fijn zeg, die rust. Nu houd ik erover op.”

En zo trokken we verder door de eerste uren van een nieuw decennium, door een nevel zo wit als zwanendons, en koesterden de absentie van talloze meningen en de noodzaak die aan ons op te dringen. De mist werd dikker, bomen doemden erin op en verdwenen weer, alsof het ideeën waren die opflakkerden, doofden en weer kalm werden opgenomen in het alles vergevende wit.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.