Recensie

Recensie Boeken

De veerkracht van het eerste Amerika

Amerikaanse geschiedenis De kolonisatie van de Nieuwe Wereld was voor de inheemse bevolking een catastrofe, maar de ‘hartslag’ van inheems Amerika stopte niet.

Links: Chasing Hawk, een Lakota uit South-Dakota. Rechts: Tome Roubideaux, uit de Lakota- en Metis-stam.
Links: Chasing Hawk, een Lakota uit South-Dakota. Rechts: Tome Roubideaux, uit de Lakota- en Metis-stam. Foto's Helen H. Richardson / Getty Images

Het begon al niet echt goed. De eerste Europeanen die in 1493 bivakkeerden in wat nu de Verenigde Staten zijn, hoorden bij de vloot van Columbus die in november dat jaar het anker uitwierp bij de Maagden Eilanden. Ze legden contact met de bewoners, maar al snel liep de zaak uit de hand. Bij schermutselingen sneuvelde een matroos, een indiaanse man werd de schedel ingeslagen, een jonge vrouw ontvoerd, afgetuigd en door een officier verkracht. ‘Uiteindelijk werkte ze mee alsof ze ervoor was opgeleid’, noteerde de dader tevreden.

En dan zijn we pas een paar pagina’s onderweg in Robert Goodwins América, zijn geschiedenis van Spaans Noord-Amerika. Zeker voor Nederlanders is dat onbekend terrein, maar Goodwin, auteur van boeken over Spaanse imperiale geschiedenis, maakt het belang ervan zonneklaar. Het Spaanse rijk strekte zich niet alleen uit van Madrid tot Alkmaar, maar ook van Mexico tot Californië, Nieuw Mexico en Florida. Met dramatische gevolgen voor honderden ‘indiaanse’ gemeenschappen, die werden onderworpen of uitgeroeid.

De pueblo’s van Nieuw Mexico kwamen in 1680 in opstand – toen de Nederlandse Republiek net zo’n dertig jaar vrede kende met Madrid – en joegen duizenden priesters en kolonisten hun land uit. Lang baatte het niet. Alleen de Hopi hoog op hun afgelegen bergtoppen in Arizona, wisten hun autonomie te bewaren.

Aangerand na kroegentocht

Goodwin zet de gebeurtenissen helder uiteen, al gaat het je op den duur duizelen van de adellijke conquistadores en bestuurders. Deprimerend is zijn relaas ook: het hangt aan elkaar van militaire expedities, wreedheden en bloedbaden. Zoals in zijn plastische beschrijving, op basis van contemporaine Spaanse bronnen, van de bestorming en halve uitroeiing van de pueblo Acoma in het huidige Nieuw Mexico, een van de oudste nog bewoonde inheems-Amerikaanse nederzettingen.

Vijfhonderd jaar later zijn we in de staat Nebraska, in de barre winter van 1972. In het gehucht Gordon wordt daar Raymond Yellow Thunder, een Oglala Sioux, na een kroegentocht aangerand door blanke hooligans. Ze trekken zijn broek omlaag, tuigen hem af en rijden dronken met hem rond. Een week later wordt hij gevonden met een hoofdwond, doodgevroren. Het treurige incident staat beschreven in het nieuwe The Heartbeat of Wounded Knee van David Treuer, zijn persoonlijke geschiedenis van het indiaanse Amerika.

De kolonisatie door Spanjaarden, Fransen, Engelsen en Amerikanen gedurende vier eeuwen was voor de oorspronkelijke bevolking een demografische en culturele catastrofe, zo niet genocide. Door epidemieën, honger en geweld was die rond 1900 uitgedund van ten minste tien miljoen – de schattingen lopen sterk uiteen - tot ongeveer 300.000 mensen.

Huilen bij Wounded Knee

De daders van de moord op Yellow Thunder werden wél gearresteerd. Ze gingen de bak in, zij het niet voor lang. Het incident gaf bovendien brandstof aan de verzetsbeweging van Amerikaanse indianen AIM, die in de jaren zeventig furore zou maken met de bezetting van Wounded Knee, waar in 1890 honderden Sioux werden afgeslacht in een laatste bloedbad.

Ook voor Treuer is die plaats een symbool, niet alleen van ondergang maar ook een van revitalisatie. Hij wil laten zien dat de ‘hartslag’ van inheems Amerika niet stopte, in weerwil van de koloniale mythe van een verdwijnend ‘ras’ van barbaren dan wel nobele wilden.

De laatste variant werd gepopulariseerd door Dee Brown in Bury My Heart At Wounded Knee (1970), een internationale bestseller waar ook talloze Nederlandse lezers tranen bij wegpinkten. Op Treuer maakte dat boek grote indruk, maar Browns saga van sublieme ondergang irriteerde hem tegelijk – en terecht. Het sentiment over nobele indianen, gereduceerd tot ‘natuurmensen’, is óók koloniale romantiek, die het zicht vertroebelt op de menselijkheid en dynamiek van inheems Amerika.

‘New Indian history’

Veerkracht is ook het sleutelbegrip in het magnifieke Lakota America van de Finse historicus Pekke Hämäläinen, die naam maakte met The Comanche Empire (2008). Daarin analyseerde hij de Texaanse Comanches als een regionale machtsfactor in plaats van, zoals gebruikelijk, als anarchistische nomaden. Zijn werk is een goed voorbeeld van de ‘new Indian history’ die sinds de jaren negentig in de VS in opkomst is, en waarin het perspectief van Native Americans eindelijk centraal staat, inclusief hun vormende rol op de geschiedenis van het Westen.

In zijn nieuwe boek laat Hämäläinen zien hoe de Lakota (of Sioux) zichzelf telkens weer aanpasten aan veranderende omstandigheden. Ook voor hen waren de Great Plains lang onbekend terrein, waar ze een nieuwe manier van leven en culturele identiteit vormden. Net als de Comanches waren de Lakota een regionale macht die hun actieradius gestaag vergrootten, tot ze botsten op de Amerikaanse expansie. Wat zich ten westen van de Missouri afspeelde was geen onstuitbare blanke bulldozer die over sluimerende natuurvolkeren rolde, maar de botsing van sterk verschillende imperia.

Hämäläinen werkt daarmee het beeld van de Great Plains uit dat Elliott West schetste in zijn fameuze Contested Plains (1998): de vlaktes waren geen ‘grote leegte’, maar een druk bereisd en roerig territorium. De inheemse bevolking verdubbelde er tussen 1820 en 1860, er werd voortdurend gevochten om jachtgebieden en handelsroutes. Een ecologisch verstild paradijs was het evenmin; de inheemse volken trokken, na hun transformatie in bereden prairie-nomaden, met overjacht en -begrazing een wissel op de natuurlijke omgeving.

Hollywood stereotype

Om de historische rol van de Lakota recht te doen, moet Hämäläinen dwars door dikke lagen beeldvorming boren waaronder Hollywood hen heeft begraven. Als krijgers te paard werden zij de ‘authentieke’ indianen. Terwijl ze tot voor kort nog, net als de meeste ‘indianen’, in dorpen en steden hadden gewoond en de bizonjacht te paard ook voor de Lakota een recente, betrekkelijk korte fase in hun geschiedenis was – en juist een voorbeeld van culturele vernieuwing (vooral door de komst van paarden) door contact met Europeanen.

De Lakota, afkomstig uit dorpen in het bosrijke gebied rond de Grote Meren, begonnen in de achttiende eeuw aan hun migratie naar het westen. Ze werden gelokt door bizonkuddes en handel, en stonden onder druk van andere inheemse naties verder oostwaarts. Aanvankelijk vestigden ze zich aan de Missouri, waar ze al snel de Mandans en Hidatsa domineerden, die werden verzwakt door een pokkenepidemie. Gaandeweg exploreerden ze de vlaktes van het Westen, waar ze eind achttiende eeuw de Black Hills ‘ontdekten’ en daar later de Crow uit verdreven. Allengs werden ze dominant in de regio; in 1776 werd niet alleen de USA gesticht, noteert Hämäläinen, maar ook de ‘Lakota Nation’. Hij spreekt ironisch van een ‘winning of the West’ door de Lakota, de uitdrukking die later triomfantelijk werd gebruikt voor de blanke verovering van het gebied. De Europese aanwezigheid in het Westen was toen nog beperkt tot een aantal ‘minuscule eilandjes’.

Weggestopt op reservaten

Dat veranderde pas – maar steeds sneller – na de Amerikaans-Mexicaanse oorlog (1846-1848) en de vondst van goud in Californië en Colorado. De Lakota wisten de Amerikanen nog enkele decennia op afstand te houden, door slimme diplomatie en sporadisch geweld. Eind negentiende eeuw werd de druk van boeren, kolonisten, spoorwegen, bizonjagers en militaire strafexpedities te groot, al versloegen de Sioux in 1876 nog fameus de cavalerie van George Custer. Hun macht werd gebroken, het volk weggestopt op reservaten die een fractie waren van wat hun in verdragen ooit was toegezegd.

Wat Hämäläinens boek voorbeeldig maakt is zijn nadruk op de historische en culturele agency van de Lakota en de manier waarop zij zichzelf telkens opnieuw wisten aan te passen aan veranderende omstandigheden. En, in navolging van West, zijn dynamische beeld van de Great Plains als een economische en culturele smeltkroes, al lang voor de eerste huifkarren er piepend en krakend verschenen.

Zes miljoen Native Americans

Inmiddels beleeft inheems Amerika een gestage renaissance. Er treedt demografisch herstel op (de VS tellen nu ongeveer zes miljoen Native Americans, vergelijkbaar met lage schattingen rond 1500), sommige naties zijn rijk geworden door casino’s of hebben hun grondgebied sterk weten uit te breiden (de Navajo). Indiaanse kunst en cultuur staan in de belangstelling. De federale overheid erkent, na even hardvochtige als vruchteloze pogingen tot assimilatie, de relatieve autonomie van inheemse naties. Al staat die autonomie in de praktijk onder zware druk van politieke en economische belangen, zoals de controverse rond de Dakota-pijplijn nog eens aantoont. Treuer schiet dan ook niet door in zijn optimisme, hij houdt een open oog voor de armoede, slechte gezondheid en het racisme waar de bewoners van reservaten mee kampen. Ook voor hun interne fricties overigens; hij laakt óók de AIM-beweging, wegens hun extremisme en hang naar geweld.

Ook een laatste nieuw boek onderstreept de veerkracht van inheems Amerika. Surviving genocide van Jeffrey Ostler is een reconstructie van de hartverscheurende etnische zuivering van oostelijk Amerika. Het bestrijkt de periode van de oorlog tegen de Pequots (1637) tot de deportatie van de Cherokees, Chockasaw, Choctaw, Creek en Seminolen (de ‘Vijf Geciviliseerde Stammen’, zo’n 123.000 mensen). Die kwam op gang vanaf 1831, juist toen zij zich aan de moderne tijd hadden aangepast. De deportaties waren een keerpunt; vanaf dat moment was segregatie het doel, in afwachting van het verwachte wegsmelten van de ‘natuurvolkeren’ onder de zon van de blanke vooruitgang.

Miljard schadevergoeding

Het begrip ‘genocide’ is nog steeds controversieel in de Amerikaanse geschiedschrijving. Kan die term worden gebruikt voor een kolonisatieproces van eeuwen en zonder blauwdruk van de staat, zoals in nazi-Duitsland? De term zou bovendien inheemse bevolkingen toch weer reduceren tot passieve slachtoffers.

In een nawoord licht Ostler toe waarom hij niettemin voor de term heeft gekozen. De combinatie van deportaties, demografische en culturele vernietiging, en het feit dat politici en ambtenaren daarvan op de hoogte waren, heeft hem overtuigd. Genocide was niet het beleidsdoel, maar men was bereid het te accepteren als uitkomst van een ‘natuurlijk proces’.

De Lakota vielen er niet aan ten prooi. Treuer en Hämäläinen beschrijven hoe zij zich bleven verzetten, ook in de twintigste eeuw. Het Amerikaanse Hooggerechtshof erkende in 1980 hun rechten op de Black Hills en kende de Lakota een schadevergoeding toe van 17,5 miljoen dollar (geld dat zij weigerden aan te nemen en dat, met rente, is opgelopen tot een miljard).

Hämäläinen wil dat Washington de Lakota volmondig erkent en weer zaken met hen doet als een soeverein volk. Dat lijkt een illusie onder Trump, die niets heeft met inheemse rechten. Maar zijn boek bewijst dat de Lakota vernuft, geheugen én geduld hebben.