Opinie

De misleidende Berlijnse mythe

Michel Krielaars

‘Pegasus auf dem Eise’, lees ik op het affiche aan de wand van restaurant Nolle, in de bogen van het Berlijnse metrostation Friedrichstrasse. Het laat een centaur zien met het bovenlichaam van een schrijver in rokkostuum. Op zijn rug torst hij een verleidelijke vrouw in avondjurk. Onder zijn rechterarm houdt hij een in inkt gedoopte ganzenveer geklemd, onder zijn linker een notitieboek. Hij is op weg naar het schrijvers- en journalistenbal op 7 december in het IJspaleis in de Lutherstrasse. Het oogt zo verleidelijk dat je meteen met hem uit dansen wilt.

Net zoals de andere affiches in Nolle voert de IJspaleisposter je mee naar het Berlijn van de jaren twintig. De idylle van dat losbandige sprookje is weer in de mode, ook gezien de op Christopher Isherwoods Goodbye to Berlin (1931) gebaseerde musical Cabaret, die met een blonde Sally Bowles volle zalen trekt.

Zittend tussen de Duitse stamgasten sla ik het net verschenen Berlin. Biografie einer grossen Stadt open van journalist Jens Bisky. In 976 bladzijden voert hij je door de geschiedenis van 1650 tot het heden. Het is een briljant boek. Door de veelzijdige aanpak, van sociale geschiedenis tot architectuur, zie je de stad per hoofdstuk tot een organisch geheel uitgroeien en in een metropool veranderen.

Isherwood staat in het register. En dan doe ik een ontdekking, want het homo-vriendelijke klimaat in Berlijn is niet te danken aan de door de Britse schrijver opgehemelde jaren twintig, maar aan een progressieve inspecteur van politie, Leopold von Meerscheidt-Hüllessem, veertig jaar eerder.

In 1885, zorgde hij ervoor dat homo’s en lesbo’s in Berlijn in hun eigen bars en cafés terecht konden. Ze waren er vrij om te doen en laten wat ze wilden, zolang er maar geen sprake was van prostitutie of criminele activiteiten. Door die Schwulen-gezelligheid te beschermen zorgde Meerscheidt ervoor dat het Berlijn van de Duitse keizer een eldorado voor homo’s werd. In de jaren vijftig stak de nieuwe Duitse Bondsrepubliek meer energie in hun vervolging dan de politie van het wilhelminische Berlijn.

Na restaurant Nolle ga ik naar de Wannsee, waar Max Liebermann (1847-1935) zijn zomerhuis had. Er is een tentoonstelling met zijn schitterende impressionistische schilderijen. Op de benedenverdieping wordt over zijn leven verteld. Toen de nazi’s aan de macht kwamen, werd Liebermann, die uit een geassimileerd Joods milieu kwam, tot paria gemaakt. Beroemd is zijn uitspraak over de SA, die in een fakkeloptocht langs zijn huis naast de Brandenburger Tor marcheerde: ‘Ach, wissen Sie, ick kann jar nicht soville fressen, wie ick kotzen möchte.’

Overal in Berlijn wordt het lot van de Joden in het Derde Rijk herdacht. Ook in mijn favoriete boekhandel Kohlhaas & Company in de Fasanenstrasse ontkom ik niet aan die benauwende Duitse schuldbelijdenis. Ik stuit er op Etwas seltenes überhaupt, de herinneringen van de Joodse schrijfster Gabriele Tergit (1894-1982), van wie in Nederland onlangs de vermakelijke roman Käsebier verovert de Kurfürstendamm uit 1931 verscheen. Het is een heerlijke sociale satire over een middelmatige Berlijnse volkszanger, die door een juichende recensie een hype wordt. Iedereen probeert van zijn succes te profiteren, tot het misgaat. Met veel gevoel voor humor beschrijft Tergit de zwarte kanten van die wilde tijd. Zo laat ze zien dat de idylle van de feestende jaren twintig vooral misleidende nostalgie is.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.