Recensie

De ijsmeesters van de Elfstedentocht hopen op vorst bij donkere maan

Recensie In het boek IJsmeester onthullen de oudste ijsmeesters van Friesland de geheimen van het Elfstedenijs. Maar of de Tocht ooit nog komt?

IJsmeester Luppo Wolthuis meet in januari 1996 de dikte van het ijs van de Geeuw in Sneek.
IJsmeester Luppo Wolthuis meet in januari 1996 de dikte van het ijs van de Geeuw in Sneek. Foto Marcel Antonisse

Als bij ‘donkere maan’ de vorst invalt, dan is de kans het grootst. Jan Oostenbrug, ijsmeester van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden tussen 2002 en 2014, gelooft heilig in de invloed van de maan op het weer. Niet voor niets vergadert ‘zijn’ ijsclub in Aldtsjerk sinds de oprichting in 1865 altijd rond volle maan. Oostenbrug heeft het precies uitgerekend. „Op 9 februari is het weer volle maan en dan hebben we vorst nodig op 26 januari.” Ongeveer zoals in 2012. „En je weet, toen waren we dicht bij een Elfstedentocht …”

Hoe langer de Tocht der Tochten uitblijft, hoe groter de hunkering. Zaterdag is de laatste editie 23 jaar geleden – nooit duurde het wachten langer. Maar de verhalen over de bijna tweehonderd kilometer lange tocht langs elf Friese steden blijven boeien. In het deze winter verschenen boek IJsmeester, mannen achter de schermen van de Elfstedentocht van Bas Sleeuwenhoek onthullen de oudste ijsmeesters van Friesland hun geheimen. Van de invloed van de maan tot het dichten van wakken, van ‘kistwerken en kwalsterkrabbers’ tot geheime stempelposten. Waarom het de ene winter net wel, en de andere niet tot een tocht kwam. En: zou het nog kunnen, ooit?

Op de vraag der vragen geven twintig ijsmeesters ieder in een eigen monoloog verschillende antwoorden. „It kin net”, is de stellige overtuiging van Gauke Bootsma, assistent-rayonhoofd in 1985 en 1986 en oprichter van het Eerste Friese Schaatsmuseum. Niet dus, in het Fries. Met de uitbreiding van het aantal deelnemers van 16.000 naar 30.000 en de massale opkomst van het publiek zal de druk op het ijs te groot worden, vreest Bootsma. En hij weet al precies waar. „Het vaartje langs de slaperdijk naar Workum.” Er zijn meer kwetsbare plekken. Op de Luts, een riviertje door het Friese Gaasterland, heb je met de verwachte mensenmassa „ijs nodig van 1 meter dik”, zegt Catharinus Nagelhout, rayonhoofd Woudsend.

De ijsmeesters Toornstra, Tigchelaar, Kroes en Sinnema (v.l.n.r.) keuren in februari 1986 het ijs op het Van Harinxmakanaal. Foto ANP

Anderen zijn optimistisch. „Gewoon kont in de broek en doorschaatsen”, zegt Oostenbrug. En niet alleen omdat hij gelooft in vorstinval bij donkere maan. Met boezembeheerder Pier Schaper ontwierp Oostenbrug in 2012 een speciaal ‘Draaiboek Vorst’, om te zorgen dat de gemalen ijsgroei niet in de weg staan. De huidige ijsmeester van de Elfstedenvereniging, Sytse Prins, is strateeg bij een marketingbureau. Alles is klaar voor een volgende tocht, verzekert hij. Mobiele kluunplaatsen, matrixborden die de schaatsers door knelpunt Sneek leiden. Er is een ijsmeet-app, computersimulaties leren hoe het ijs reageert op de massa. Al relativeert Prins ook. „Van algoritmes gaat het ijs niet groeien.”

In 1996 had het gekund

Als lezer word je heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees, juist omdat Sleeuwenhoek ervoor kiest elke ijsmeester ononderbroken zijn eigen verhaal te laten vertellen. Raak je bij de een overtuigd dat het nog kan, dan is de volgende weer sceptisch. En andersom. Zoveel ijsmeesters, zoveel meningen. Henk Kroes – die in 1985 als eerste de titel ‘ijsmeester’ kreeg en later voorzitter werd van de Elfstedenvereniging – onthult achteraf dat het in 1996 had gekund. Of zelfs had gemoeten. Collega Piet Venema blijft van mening dat de Tocht dat jaar terecht niet doorging. Dat hij op straat werd aangesproken als „die kerel die de Elfstedentocht niet door heeft laten gaan”, nam hij voor lief.

De beruchte Tocht van 1963, met de kopgroep bij Koudum. Foto Eric Koch/Anefo

Wat in elk van de monologen overheerst is de passie voor Friesland, ijs en schaatsen. Bijna poëtisch wordt het als Sytse Kroes, ijsmeester van de Friesche IJsbond, vertelt hoe hij met zijn vader Henk op de schaats delen van de route verkende. Zoals die zonnige middag op de Boazemer Faert. „We zwegen, omdat we niets hoefden te zeggen. Het was gewoon een mooie dag om vader en zoon te zijn.” Thuis aan de keukentafel bespraken ze de toestand van het ijs op „de Swette, de Blikfaart, het Heegermeer”. In gedachten zie je de schaatsers er zo weer rijden, al hadden voor niet-Friezen wat routekaartjes bij de tekst niet misstaan.

Jonge generaties hebben als referentiekader de heroïsche zwemtochten van Maarten van der Weijden, trending topic in de afgelopen twee zomers. Maar voor schaatsers blijft de kennis van de oude ijsmeesters onontbeerlijk. „Je praat over honderd jaar ijsgeschiedenis”, koestert ijsmeester Prins de verhalen van zijn voorgangers. Mocht het tot een volgende Tocht komen, dan zijn ze volgens hem van harte welkom. „En geloof me: dan komen ze ook, want het zijn echte wintermannen.”

Nu nog donkere maan, en vorst.