Arnon Grunberg over zijn tijd in het circus: ‘schrijven is een eenmanscircus’

Grunberg als circusartiest Schrijver Arnon Grunberg verbleef twee weken bij het Achterhoeks Circus Zanzara en deed mee aan hun kerstshow in Amsterdam. „De act kon niet fout gaan als ik het maar met overtuiging deed.”

Arnon Grunberg speelt een drenkeling tijdens de voorstelling van Circus Zanzara.
Arnon Grunberg speelt een drenkeling tijdens de voorstelling van Circus Zanzara. Foto Andreas Terlaak

Federico Fellini’s film 8 ½ uit 1963 eindigt in het circus; bij Fellini is het circus eigenlijk nooit ver weg. Het einde van 8 ½ heeft me vanaf de eerste keer dat ik die film zag aangegrepen. De hoofdpersoon, een filmregisseur genaamd Guido Anselmi, die met zichzelf, zijn kunst en het leven worstelt, gespeeld door Marcello Mastroianni, brengt in een circus de hoofdpersonen uit zijn film en uit zijn leven – film en leven lopen door elkaar – bijeen; de doden en de levenden. In het circus kan alles.

Samen met de muzikanten, een clown, een dwerg en nog wat andere circusartiesten, dansen de personages de polonaise door het circus. Het artificiële karakter van het circus zorgt niet voor verwijdering, maar voor verbinding, voor intimiteit. Het door Mastroianni gespeelde personage lijkt alleen op die manier echt dichtbij de mensen om hem heen te kunnen komen, via zijn kunst, via zijn circus. Maar het ontroerende aan dit einde is dat het niet bij deze tragische constatering blijft. 8 ½ eindigt met een viering, het theatrale, de waarachtige enscenering is een overwinning op Anselmi’s onmacht, die misschien de onmacht van ons allemaal is.

Eind december liep ik een kleine twee weken mee met het familiecircus Zanzara (Italiaans voor mug) uit de Achterhoek, ook dit jaar streken ze neer als wintercircus nabij de Westergasfabriek in Amsterdam. Ik leefde met de circusartiesten in een kleine, ietwat koude en vochtige caravan, maar de elektrische deken maakte veel goed, at met hen mee in de keukenwagen en speelde de voorstellingen mee tot en met Tweede Kerstdag. Ik had een kleine rol die gaandeweg ietwat substantiëler werd en de laatste voorstelling mocht ik van de regisseur Adrian een act doen die hij normaal gesproken zelf uitvoert. Adrian, die opera regisseert, circussen regisseert, straatartiest is en zichzelf geen clown wenst te noemen maar een ‘physical comedian’, liet me zijn Braziliaanse dans-act doen, een hoogtepunt in mijn leven.

Arnon Grunberg logeert in een caravan van Circus Zanzara Foto Andreas Terlaak

Elke keer als ik een tijd met een groep mensen leef, of dat nu in een gesloten jeugdinstelling is, een leger of een circus, gaat dat gepaard met aanpassing, hechting en noodgedwongen onthechting. Bij de laatste projecten gaat dat hechten en onthechten met meer emotie gepaard dan voorheen. Misschien omdat ik ouder word, misschien omdat de gesloten jeugdinrichting in september 2019 en dan een paar maanden later circus Zanzara mij meer raakten, mij anders raakten, dan bijvoorbeeld de slachters met wie ik in de zomer van 2016 een tijd heb geleefd en gewerkt.

Mayka is samen met dochter Jans de baas van het circus. Man en schoonzoon doen ook aardig mee, maar in het circus, althans in dit circus, is het matriarchaat een feit. Ze zei tegen mij: „Jij bent net als wij een reiziger.” Dat trof me als een onontkoombare waarheid; geen kosmopoliet, dat is een wat pretentieus woord waarachter dikwijls naargeestige associaties schuilgaan, nee een reiziger.

Het circus moet niet onnodig worden geromantiseerd. Na de voorstelling moet er in de tent en de voortent worden geveegd. Dat doen de artiesten zelf. Elke namiddag zeiden we weer tegen elkaar: „Wat zijn mensen toch vies.” Of: „Dit was wel een heel vies publiek.” Zakdoekjes, flessen, plastic glazen, zakjes, kerstkaarten. ‘Dit was een emotioneel jaar voor jullie, daarom hebben we besloten namens mama nog een keer duizend euro aan jullie over te maken’, stond op een achtergelaten kerstkaart. Ik zei tegen een collega: „Misschien moeten we die kerstkaart maar bewaren bij gevonden voorwerpen, je weet het nooit.”

Foto Andreas Terlaak

Na het gezamenlijk eten in de keukenwagen vullen de artiesten de zakken met popcorn voor de voorstellingen van de volgende dag, en dan moeten de zaagsel-wc’s nog worden schoongemaakt. Een taak die mij bespaard is gebleven en die veelal werd uitgevoerd door Paulo, Mayka’s man. Als hij dan ’s avonds laat terugkwam van het schoonmaken, haalde Paulo op de vraag hoe het was glimlachend zijn schouders op en antwoordde: „Wat wil je? Twee voorstellingen.” Paulo lijkt op een Italiaanse clown, een prachtige bos grijze krullen, weemoedige, liefdevolle ogen, hij straalt een milde vorm van permanente verbazing uit die misschien wel een essentieel onderdeel is van het circus: de bereidheid je te verbazen en te doen verbazen.

Ook moeten de blessures en de risico’s niet worden geromantiseerd. Toen Jans tijdens het repeteren van een act met de bascule (wip) zich zo blesseerde aan haar enkel dat we in alle haast de maandag voor Kerst naar een fysiotherapeut moesten, zei ze tegen me: „De fysiotherapeut zal wel zeggen ‘neem rust’, maar ik wil doen waarvoor ik getraind heb.”

Ze kon niet meer lopen, haar man Rik droeg haar, en tegen de fysiotherapeut zei Jans: „Om drie uur moet ik optreden, ik weet nog niet hoe, maar het moet wel.” De fysiotherapeut keek gelaten naar haar onderbeen en zorgde ervoor dat de enkel werd ingetapet. Die middag deed ze haar acts, dwars door de pijn, waarvan ik meende te kunnen te zien dat ze die had en ze lachte door de pijn heen naar het publiek.

Het is een levenshouding die mij aanspreekt, ik zou mij deze levenshouding eigen willen maken, voor zover ik dat niet al heb gedaan. Het publiek is iedereen, je ouders, je kinderen, je geliefden, vrienden en collega’s; dwars door de pijn blijven lachen, opkomen om te doen waarvoor je hebt getraind.

Schrijven is ook circus, een eenmanscircus misschien, met veel vrijwel onzichtbare mensen in de coulissen, en met een intellectuele kant die ik noodzakelijk vind, en die ik omarm, maar toch ook circus.

Drenkelingen

Een keer heb ik Jans zien vallen tijdens een act en vanaf die tijd kon ik niet naar die act kijken. Ik zat met het ensemble in de piste, wij speelden drenkelingen wachtend op redding, zonder me te concentreren op de zoon van Jans, Dorus (7), die vlak naast me zat. Dorus speelt mee in het circus. Hij had me verteld dat hij niet mee hoefde te spelen van zijn moeder, maar dat hij alleen niet meespeelde als hij ziek was en hij was nooit ziek als er gespeeld moest worden.

Foto Andreas Terlaak

Jans had gezegd: „Ik wil dat Dorus naast mijn moeder zit tijdens deze act, want als ik val komt iedereen naar mij toe maar ik wil dat een iemand zich om Dorus bekommert: zijn oma.”

Soms bekeek Dorus zijn moeder, die daar hoog in de piste door de lucht zweefde, soms staarde hij wat afwezig voor zich uit, dan weer speelde hij met zijn reddingsboei.

Wellicht zullen sommige mensen menen dat je een zevenjarig kind niet bloot mag stellen aan een mogelijke val van zijn moeder, een val die ernstige consequenties kan hebben, maar misschien zijn we in onze samenleving iets te veel gaan geloven dat veiligheid een recht is. De grootste onveiligheid is vermoedelijk veinzen dat we alle risico’s kunnen overzien en ons daartegen kunnen beschermen.

Een kind ziet zijn ouders vallen, maar ze staan weer op, ze lachen door de pijn heen, want om 4 uur is er weer een voorstelling. Zo kun je ook leven, zo móét je misschien wel leven.

Periferie

Het circus bevindt zich in de periferie, letterlijk: Jans en Rik met Dorus en Jans’ ouders wonen in woonwagens in de Achterhoek. Dorus heeft al zijn eigen woonwagen. Maar alleen al het feit dat de artiesten zelf de wc’s van het publiek moeten legen en schoonmaken geeft aan dat het circus, dit circus in elk geval, zich in de periferie van de kunsten bevindt.

Zanzara omarmen is ook de periferie omarmen. Ik doe dat met overgave.

Foto Andreas Terlaak

Geen wonder dat een aantal circusartiesten (er was helaas te weinig plaats voor alle circusartiesten) in een nabijgelegen restaurant op Eerste Kerstdag mocht aanschuiven bij een diner voor daklozen. Natuurlijk is een circusartiest geen dakloze, maar er zijn slechts gradaties van dakloosheid.

Laat op de avond werden nog kleren voor de circusartiesten gebracht en wat taart.

Jans zei over een korte, afgeknipte spijkerbroek die tussen de kleren lag: „Dat is een billenbroekje, daar houd ik niet van.” Waarop haar moeder zei: „Trek niet zo’n onschuldig snoetje, je bent dol op billenbroekjes, je het vindt het heerlijk als de mensen iets van je bil kunnen zien.”

Zo vierden wij Kerst: twee voorstellingen en ’s avonds gesprekken over billenbroekjes, waarna de regisseur nog wat verhalen over zijn rijke liefdesleven met ons deelde, verhalen die nauwelijks te onderscheiden waren van zijn clownsact. In het circus lopen de liefde en de clownsact in elkaar over.

Op een avond kwamen leden van een andere circusfamilie voorbij, leden van de beroemde circusfamilie Boltini, ze dachten dat er die avond een voorstelling was, maar die dag was er alleen ’s middags een voorstelling. De restanten van de familie Boltini stonden even in de keuken, dronken staand een glas limoncello en gingen toen weer huiswaarts met de belofte later terug te komen.

Als voorbereiding op de Braziliaanse dans-act zei acrobaat Martijn, met wie ik de act zou doen, dat het niet fout kon gaan als ik het maar met overtuiging deed.

Ik droeg een grote, witte onderbroek en had wat veren op mijn lijf geplakt, de verentooi op mijn hoofd viel voortdurend af, ik zag eruit als een merkwaardige tropische vogel, maar ik herinnerde me de woorden van Martijn: „Doe het met overtuiging.”

Met Adrian voerde ik een gesprek over de voor dit circus onontbeerlijke naïviteit, misschien voor alle kunst; geen gespeelde naïviteit, geen verheerlijking van onwetendheid, integendeel: alles weten en je toch verliezen, in je verhaal, in het verhaal van de ander (wat is bijvoorbeeld verliefdheid anders dan je verliezen in een verhaal?), in het publiek, in de ethische verplichting van het optreden. Je waardigheid behouden door er vrijwillig afstand van te doen. Alles weten, niets ontkennen, maar zelfbewust een merkwaardige tropische vogel spelen, of in de touwen hangen voor het oog van je zevenjarige zoon.

Bij Zanzara heb ik familie gevonden, heb ik mezelf gevonden: om drie uur moet ik optreden, ik weet nog niet hoe, maar het moet wel.

Wij doen waarvoor we hebben getraind.

Dit is het slot van een serie waarin Arnon Grunberg dagelijks verslag deed van zijn ervaringen bij Circus Zanzara. Eerdere afleveringen op nrc.nl.