Opinie

Aan het post-Antropoceen ben ik nog niet toe

Maxim Februari

Om onduidelijke redenen bezat ik in mijn jeugd een poesiealbum. Mijn grootmoeder schreef er als eerste een gedicht van Nicolaas Beets in. ‘Lachen’ heette het, en het raadde ons het lachen ten strengste af. „Lach niet te zeer; / Lach niet om veel; / En nimmermeer / Te luid van keel.” Het was een verwijzing naar de stoïcijnse dichter Epictetus en dus niet echt het gangbare poesiealbumversje, maar het werkte wel.

Ons schoolhoofd kwam vervolgens in mijn album aanzetten met een gedicht dat ik me niet meer kan herinneren. Alleen de uitroep aan het eind van de tekst is me in al zijn raadselachtigheid bijgebleven. „De kroon op de schepping: De Mens”. Met daarachter meteen de naam van het schoolhoofd zelf, wat ik indertijd verschrikkelijk grappig vond, zonder er overigens om te lachen. Het beeld van de mens als kroon op de schepping is me sindsdien steeds blijven amuseren en verbazen.

Tegenwoordig is de schepping duidelijk in protest. Hitte, droogte, overstromingen: het idee van de mens als kroon op de schepping is hierdoor opeens niet meer zo populair. Als met Oud en Nieuw de vuurpijlen nog een keer de lucht in gaan, om de dieren ouderwets de stuipen op het lijf te jagen, kun je zeggen dat ons bestaan als kroon Het Oude is. Gelijkwaardig samenleven met dieren en dingen is Het Nieuwe.

Nu doen denkers al jaren onderzoek naar deze nieuwe positie van de mens in de wereldorde, en dat doen ze meestal op papier of in een zaaltje. De gesprekken over posthumanisme en het post-Antropoceen vinden plaats in academische setting: vijf intellectuelen aan een tafeltje. Niemand kwaakt. Niemand bijt, vlagt, sist of bepaalt zijn positie met echolocatie. Geen van de sprekers gebruikt zijn tong als valstrik of jaagt op larven van dansmuggen in het slijk.

Insecten en amfibieën komen hooguit in de kunst aan het woord. Journalisten Lynn Berger en Anoek Nuyens maakten voor De Correspondent een paar jaar geleden een serie over de veranderde positie van de mens en daarin schreven ze over de ‘posthumanistische performance’: voorstellingen waarin ezels, robots of vliegenzwermen een rol spelen. De posthumanistische kunst laat de grenzen tussen natuur, techniek en cultuur vervagen, simpelweg omdat zulke grenzen er eigenlijk niet zijn.

De performances, schreven Berger en Nuyens, tonen een mogelijke nieuwe wereld waarin de mens niet langer gelooft in zijn uniciteit: hij leeft in een netwerk. In deze nieuwe wereld kan de plaats van de mens, als het zo uitkomt, worden ingenomen door een dier of een machine. Er was niettemin één aarzeling over het verschijnsel van de posthumanistische kunst in het theater. „Je verhoudt je tot indringende fictieve werelden die aan het denken zetten en ontroeren, maar je komt er nooit in terecht.”

Het is precies deze aarzeling die mij tegenwoordig weerhoudt om in gesprek te gaan over het post-Antropoceen. Je zou het gesprek pas echt kunnen aangaan als je de grenzen zou overschrijden die niet bestaan. Dat wil zeggen dat je niet op een stoeltje zit te praten in een theater of debatcentrum, maar ergens rondkruipt over het wad en zoekt naar een taal die bij die gelegenheid past. Of je plugt een elektrode in je bovenbeen en laat je lichaam in debat gaan met een auto.

Met het overschrijden van de grenzen wordt de mens vanzelf minder specifiek menselijk. Je kunt tegenwerpen dat daarmee onze culturele verworvenheden in het geding komen en vooral het recht en de moraal. Maar misschien zijn die verworvenheden wel natuurlijker en minder exclusief menselijk dan we lang hebben gedacht in onze poesiealbumbeschaving. Er valt ook rechtvaardigheid te vinden in de natuur. Misschien niet in de techniek, maar die moeten we er dan als de donder over bijpraten. Of laat de grote zoogdieren eens inpraten op de computer.

Tot nu toe is in het denken een aantal academische stromingen te onderscheiden. Er zijn filosofen die dingen bestuderen alsof ze mensen zijn. Economen die mensen beschouwen alsof ze dingen zijn. Juristen die dieren beschermen alsof ze mensen zijn. Futurologen die dingen beschrijven alsof ze dieren zijn. Bedrijfskundigen die dieren rondschuiven alsof ze dingen zijn. En daar hoog boven verheven de dichters die weten dat het allemaal dezelfde moleculaire processen zijn.

Ikzelf, als mens, ben nog te veel verzonken in de menselijke cultuur om de grenzen los te laten die niet bestaan. Aan het post-Antropoceen ben ik nog niet toe. Maar ik neem me voor in de nieuwe wereld eens wat vaker aan een tak te zwaaien en mijn tanden te laten zien, informatie binnen te halen via snorharen en wenkbrauwen en al met al gebruik te maken van mijn somatosensorische systeem.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.