Zenuwachtig wachten boven op de beroemde skischans van Garmisch-Partenkirchen

Skispringen Gerrit Jan Konijnenberg (56) is de enige Nederlander die het Vierschansentoernooi voltooide. „Hoe lekker was ik eigenlijk bezig?”

Gerrit Jan Konijnenberg in december 1986, een paar weken voor ‘Garmisch’.
Gerrit Jan Konijnenberg in december 1986, een paar weken voor ‘Garmisch’. Foto Herman Pieterse/ANP

Het is voor velen een houvast op 1 januari, na een doorgaans korte nacht. Eerst het Nieuwjaarsconcert in Wenen, dan het skispringen in Garmisch-Partenkirchen. De wedstrijd in het Zuid-Duitse dorp is onderdeel van de Vierschanzentournee, die de deelnemers sinds 1953 tussen 29 december en 6 januari ook langs Oberstdorf, Innsbruck en Bischofshofen voert. ‘Garmisch’ is de tweede schans en dankzij de live-uitzending op Nieuwjaarsdag – wereldwijd – de beroemdste van de vier. Ruim dertig jaar geleden verscheen voor het eerst een Nederlander aan de start: Gerrit Jan Konijnenberg.

Garmisch 1987 (I)

Middernacht heeft hij nog wel gehaald op Oudejaarsavond. Maar echt laat is het niet geworden. Er zijn heus wedstrijden dat hij met de andere springers de kroegen onveilig maakt, jonge jongens onder elkaar, maar niet in Garmisch-Partenkirchen. Een troosteloos gat, zo in het begin van de winter, maar vooral: een van de belangrijkste skispringwedstrijden van het seizoen. Helemaal voor een 23-jarige debutant uit Nederland.

Hij voelt zich fit. Of beter: wéér fit. De voedselvergiftiging die hij opliep door een steak bij restaurant Wienerwald in Oberstdorf – waar hij een paar trainingssprongen maakte – heeft hij, tot bloedens toe, uit zijn lijf gespuugd. Hij belandde zelfs even in het ziekenhuis. Zijn broer Jeroen, die met hem meereist, vond het nodig een ambulance te bellen.

Na het ontbijt jogt hij even langs de schans en draait zijn ontspanningsoefening af. Hij sluit zich af voor zijn omgeving en visualiseert zijn sprong.

Het begin: zomer 1984

„Door Garmisch ben ik gaan springen”, zegt Gerrit Jan Konijnenberg. „Die wedstrijd zag ik van kleins af aan op televisie. In 1984 waren de Olympische Spelen en daarna wist ik: dat wil ik ook. Ik was niet zonder ambities, nog steeds niet.”

Konijnenberg, inmiddels 56, verhuisde begin deze eeuw met zijn gezin naar Luxemburg. Hij werkt in de telecomsector. Maar zijn grote passie is skispringen. Hij heeft afgelopen zomer nog gesprongen, bij de masters in de Dolomieten. „Daar ging ik enorm op mijn bek, ribben gekneusd, één gebroken, schouderband gescheurd. Ik ben net een beetje genezen”, zegt hij in de skybar van het Sofitel, met uitzicht op het oude gedeelte van Luxemburg-Stad. „Skispringen is altijd in mijn leven gebleven, ook al heb ik er 25 jaar niets aan gedaan. Een paar jaar geleden ben ik weer begonnen. Het voelde op die balk als vanouds. Je gaat naar beneden en bent verkocht. Maar na deze crash weet ik niet wanneer ik het weer oppak.”

Konijnenberg groeit op in Den Dolder, vlak bij Soesterberg, waar hij met vrienden uren doorbrengt op de kunstskibaan. Ze hebben er een schans gebouwd om salto’s te kunnen maken. „Vooruit en achteruit, we landden in het water. Voor mij niet zo moeilijk, tot mijn zestiende turnde ik op regionaal niveau.” Konijnenberg doet een paar seizoenen aan freestyleskiën, onder anderen met de latere olympiër Michiel de Ruiter. „In de zomer van 1984 ben ik begonnen met skispringen. In het Sauerland, op zo’n kunstschans.”

Ruim een jaar later, rond Kerst, springt hij bij de Europa Cup in Sankt Moritz een Nederlands record: 65 meter. Drie meter verder dan Jan Loopuyt in de jaren dertig. Om in de winter aan wedstrijden mee te kunnen doen gaat hij op zoek naar sponsors. „Wat ik hun vertelde? Dat ik lekker bezig was. Maar ja, hoe lekker was ik bezig? Ik was de beste Nederlander, maar internationaal gezien ben je dan niet de allerbeste.”

Konijnenberg krijgt Subaru, KLM en Hitachi zo ver dat ze hem ondersteunen. Met de bijdragen van de Nederlandse Sport Federatie (NSF) en de Nederlandse Skivereniging is het voldoende om zich serieus te kunnen gaan richten op zijn olympische droom.

Gerrit Jan Konijnenberg tijdens Kerst in Zwitserland.

Foto Vivian Konijnenberg

Garmisch 1987 (II)

Hij wil niet te laat boven zijn. De lift – een hoog, metalen hok – brengt hem naar de nok van de 38 meter hoge toren van de Olympiaschanze. Het is waterkoud en het regent zacht. Hoe blijft hij warm de komende 25 minuten? Hij voelt aan zijn helm, waar hij zelf de letters H-I-T-A-C-H-I op heeft geplakt. Slechts één reclame-uiting van 12 centimeter is geoorloofd. Hij trekt zijn witte wedstrijdhesje aan. Daar staat in zwarte cijfers zijn startnummer ‘76’ op, vlak boven het in rode letters gedrukte Springertournee.

Deze schans is nieuw voor hem. De paar trainingssprongen waren niet genoeg. Maar als het zijn beurt is neemt hij plaats op de balk. Vanuit het dal klinkt gejuich als zijn naam wordt omgeroepen. Schuin voor hem staat een tv-camera. Miljoenen kijkers zien hem zitten, het maakt hem behoorlijk nerveus. Maar bang om af te gaan is hij niet.

Voorspringer: Calgary 1988

„Dat ik in 1987 meedeed in Garmisch, was eigenlijk te vroeg”, zegt Konijnenberg. „Maar ja, hoeveel tijd heb je als sporter? In de zomer van dat jaar ben ik met een looptrainer gaan werken, want ik wilde naar de Spelen. Hij heeft mij in conditie gebracht en ik ben daarna ook meer en verder gaan springen.” Maar het Nederlands Olympisch Comité (NOC), dan nog niet gefuseerd met NSF, was niet te vermurwen en hield vast aan de strenge kwalificatie-eisen.

Konijnenberg legt zich bij de beslissing van NOC-voorzitter Henk Vonhoff neer, maar is in februari 1988 toch aanwezig in Calgary. Als voorspringer. „Dat heb ik zelf geregeld. Tegenwoordig zijn voorspringers minder relevant, omdat op de schans een soort porseleinen strook is aangebracht waardoor je ski’s geen kant op kunnen. Maar in die jaren had je springers nodig die naar beneden gingen om in de sneeuw een spoor te trekken.”

Konijnenberg woont wekenlang in het olympisch dorp. Op een dag komt „een nette meneer” langs met een uitnodiging voor het Palliser Hotel, waar de NOC-delegatie verblijft. „Ik had alleen trainingsspullen bij me, dus ik heb nog snel even een grijze broek gekocht”, zegt Konijnenberg. „Vonhoff vertelde me dat hij had gelezen dat ik er toch was. Hij had nog iets voor me kunnen regelen. Ik kreeg van hem de Nederlandse olympische outfit. Daarna hebben we samen een screwdriver gedronken.”

Calgary is voor Konijnenberg een betaald trainingskamp, vanaf de zijlijn krijgt hij alles mee. De gouden medailles van Yvonne van Gennip en de hype rond Eddie Edwards, de bebrilde Brit die als ‘Eddie the Eagle’ wereldfaam verwerft. „Vaak heb ik gedacht: doe nou even normaal Eddie, ga skispringen. Maar in Calgary heb ik dat hele circus rondom hem zien ontstaan. Van zero tot hero. Daar zag ik de macht en de kracht van de media tijdens de Olympische Spelen.”

Garmisch 1987 (III)

Hij zet zich af van de balk en glijdt de tienduizenden toeschouwers tegemoet. Op de 82,5 meter lange aanloop van de Olympiaschans loopt zijn snelheid op tot zo’n negentig kilometer per uur. De rug gekromd, het hoofd naar beneden, vanuit zijn ooghoeken de blik naar voren gericht. In minder dan drie seconden is hij bij de tafel, de laatste meters van de schans. Daar moet hij vanuit die houding naar voren springen, de essentie van de sport.

Zijn afsprong is goed, al voelt hij meteen dat hij op zijn reserves springt. Hij hangt met zijn neus boven de punten van zijn bijna 2,5 meter lange ski’s. Geen risico’s nu. Hij richt zich een beetje op, al weet hij dat het hem zo’n tien meter zal schelen. Zijn sprong is voorbij, nu alleen nog netjes landen. En blijven staan. De ijzige uitloop is verraderlijk, het remmen op de hobbelige sneeuw lastig. Op het scorebord verschijnt zijn afstand: 64 meter.

Gerrit Jan Konijnenberg op de schans van Garmisch-Partenkirchen in 1988, het jaar dat hij het Vierschansentoernooi voltooide.

Screenshot YouTube

De enquête: Albertville 1992

„Na Calgary ben ik met een professionele springtrainer gaan werken”, vertelt Konijnenberg. „Odilo del Curto, de baas van de schans in Sankt-Moritz. Eindelijk had ik iemand die bij de schanstafel stond en me aanwijzingen gaf. Ik sprong ineens tachtig, negentig meter. Mijn record is officieel 97 meter, maar in trainingen ben ik veel verder gekomen.”

In die periode stopt Konijnenberg met zijn studie bestuurskunde in Leiden, hij zet alles op kwalificatie voor de Spelen van Albertville in 1992. Maar opnieuw weigert NOC hem een plaats in de olympische ploeg. Dit keer laat Konijnenberg het er niet bij zitten. Hij geeft in november 1991 het Nipo opdracht een nationale enquête uit te voeren. „De uitslag maakte ik bekend tijdens een persconferentie in een kroeg in Den Haag. Ik heb die avond zelfs het journaal gehaald. Meer dan de helft van de Nederlanders vond dat ik moest gaan. Maar de reactie van NOC was duidelijk: ‘Wij laten ons niet leiden door enquêtes maar door sportprestaties.’ Oké, bedankt.”

In de zomer van 1992 stopt Konijnenberg met skispringen, dat voor hem symbool staat voor zijn eigen leven. „Het is niet alleen letterlijk vallen en opstaan, het is ook een sport waarin je afgewogen risico’s neemt, leert incasseren en continu met angst en spanning moet omgaan. In de rest van mijn leven, ook in mijn werk, ben ik altijd risicobereid geweest. Niet alleen om vertrutting te voorkomen, ook om uitdagingen aan te gaan.”

Garmisch 1987 (slot)

Door de aanhoudende regen wordt het gevaar te groot. De jury grijpt in als de Joegoslaaf Matjaz Debelak met 109 meter een schansrecord springt en laat alle eerdere pogingen ongeldig verklaren. De balk gaat anderhalve meter omlaag en de wedstrijd wordt hervat. Hij haalt bij zijn tweede sprong 59 meter. Goed voor de 112de en laatste plaats. Direct na de wedstrijd vertrekt hij naar Nederland voor tentamens. Een jaar later zou hij als eerste en enige Nederlander de volledige Vierschanzentournee voltooien.