Recensie

Recensie Muziek

Glühwein, kerken en Janine Jansen: het Kamermuziekfestival Utrecht is weer thuis

Het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht is dezer dagen als vanouds weer hét klassieke winterfeestje. Met intieme prachtconcerten tussen Kerst en oudjaar en violiste Janine Jansen in het middelpunt.

Opening van het Int. Kamermuziekfestival Utrecht met v.l.n.r. Janine Jansen, Boris Brovtsyn, Lars Vogt (piano), Amihai Grosz, Jens Peter Maintz

Opening van het Int. Kamermuziekfestival Utrecht met v.l.n.r. Janine Jansen, Boris Brovtsyn, Lars Vogt (piano), Amihai Grosz, Jens Peter Maintz

Foto Majanka

Intieme kamermuziekconcerten tussen Kerst en oudjaar met violiste Janine Jansen in het middelpunt: het Kamermuziekfestival Utrecht nam dit weekend de vertrouwde succesgedaante aan van tussen 2003 en 2016. De twee zomerse edities onder artistieke leiding van celliste Harriet Krijgh (in ’17 en ’18) leken meteen ver weg. Het was immers Janine Jansen die dit winterfestival met een groep kamermuzikale vrienden in veertien jaar opbouwde; musici wier spel en aanblik je steeds beter leerde kennen en waarderen. De stoere rug van de geweldige en charismatische violist Boris Brovtsyn bij voorbeeld, de jongensachtige grijns van altvioolvirtuoos Amihai Grosz, de bedrieglijk vaderlijke uitstraling van cellist Jens Peter Maintz met zijn verleidelijke toon. Dat maakt het zinvol dat het festival doorgaat met o.a. hen als wisselende gastprogrammeurs. Janine Jansen kan dan zelf als “vriend” aanschuiven, zonder de extra belasting van het artistieke leiderschap.

De Utrechtse burgemeester Jan van Zanen (VVD), die Jansen in 2016 nog bedrukt uitwuifde, haalde haar vrijdag voorafgaand aan het openingsconcert in TivoiVredenburg in hoerastemming weer binnen. Dat hij het festival daarbij omarmde als „het toetje na Kerst dat niemand zwaar op de maag ligt” doet weinig recht aan de afwisselende programmering en kwam hem op een boe-roeper te staan.

Het wel uit repertoire-favorieten samengestelde openingsconcert kende een trechtervormige opzet: van zestien strijkers voor Johannes van Bree’s Allegro voor vier strijkkwartetten ging het naar acht strijkers in Mendelssohns Octet en vier strijkers (mét pianist Lars Vogt) in Dvoráks Pianokwintet (op. 81).

Onder het krimpend aantal musici nam de intensiteit toe. Van Bree’s Allegro was een feestelijk begin; Mendelssohnachtig, met rimpelingen die je door de kring van spelers zag en hoorde echoën. Janine Jansen and friends hadden hun geledingen hier versterkt met musici van de allerjongste generatie, geboren rond 2000. Sommigen, zoals de Noorse violist Ludvig Gudim, hadden naast technische perfectie nu al iets van de uitstraling van de twintig jaar oudere collega’s. Maar in Mendelssohns Octet viel ook op wat het verschil is tussen uitstekend en meeslepend spelen. Het duurde tot het slotdeel eer de jonge musici de muzikale bochten net zo scherp durfden te nemen als hun ervaren secondanten. In Dvórak laaide het vuur op als vanouds.

Zigeunerschwung

Vast festivalonderdeel is de kerkenmarathon: drie concertjes in wandelnabije kerken – met oliebollen en Glühwein voor ertussen.

In de Geertekerk klonk zaterdag Korngolds te weinig gehoorde Sextet zonder Janine Jansen in een wervelende uitvoering die opviel door de voorbeeldige balans tussen individuele vrijheid en eensgezindheid.

In de kleine Lutherse Kerk speelde Jansen met echtgenoot Daniel Blendulf (cello) wel mee in Lex van Deldens nog altijd overtuigende Fluitkwartet (1957), met fluitiste Clara Andrada de la Calle in het middelpunt.

Fascinerend was het Jansen weer eens echt van nabij te kunnen bekijken en beluisteren in Brahms Derde vioolsonate, opnieuw met Lars Vogt op piano. Ze speelde het alsof ze het terplekke doorvoelde: intuïtief, met een voorkeur voor late timing en zwellende fraseringen naast technische troeven als haar malse spiccato en zigeunerschwung in de dramatisch luide passages: in Brahms zeer passend.

Voor het laatste van de drie concertjes was de hulp ingeroepen van het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor (16 tot ca. 30 jaar), dat je met gesloten ogen kunt herkennen aan de klaroenheldere, loepzuivere en (waar nodig) zeer krachtige klank.

Voor vrouwenkoor en viool componeerde de Zweedse Britta Byström (1977) in opdracht van het festival het evocatieve To every thing there is a season. Jansen stond er bescheiden voor opgesteld achter het koor; haar reine intervallen versmolten soms fraai met de in bereik (deels) verwante vrouwenstemmen, dan weer klom ze daar bovenuit of tastte met dalende toonladders naar de diepten van het bestaan.