Waar is de rockster gebleven?

Column

Van alle kunsten is popmuziek het innovatiefst. In alle opzichten. Dat komt doordat muzikanten en aanhang steeds op zoek zijn naar iets nieuws: nieuwe artiesten, nieuwe stijlen, nieuwe klanken. Ook in technische zin: nieuwe apparatuur, muzieksoftware of distributiemiddelen.

De vernieuwingsdrang van de distributiemiddelen leidde ons het afgelopen decennium van downloaden naar ‘streaming’, ofwel van iTunes naar Spotify. Onbeperkt stroomt de muziek nu richting luisteraar, van alle genres, uit elk territorium.

Die plotselinge toegang tot bijna het volledige muziekaanbod, heeft de status quo veranderd. Door het nieuwe luistergedrag, bijvoorbeeld. Bij streamingdiensten hoeven luisteraars niet meer een volledig album te luisteren, maar horen ze een verzameling losse liedjes op afspeellijsten. Via algoritmes worden playlists samengesteld die geschikt zijn voor ontspanning of juist opwinding, voor koffiedrinken, douchen, huiswerk maken, wandelen of liefdesverdriet.

Als een tot dan toe onbekend liedje van een onbekende artiest door Spotify wordt opgenomen in een van de populaire playlists, zoals Today’s Top Hits, RapCaviar of Afternoon Acoustic, kan het worden gehoord en ontdekt door een grote groep luisteraars. Dan bereikt de onbekende artiest plotseling een miljoenenpubliek. Wat vroeger de radio deed, doet nu de playlist (al heeft ook radio nog steeds invloed).

En omdat het Spotify is, is het effect per definitie internationaal. Een artiest hoeft niet meer bekend te zijn in eigen land, voor hij de grens oversteekt. Want Spotify is een eigen universum, waar iedereen door iedereen gehoord kan worden. Vandaar dat de Westerse jongeren nu dansen op ‘African Beauty’ van de Tanzaniaanse Diamond Platnumz en happy zijn op ‘Adicto’ van Ozuna, uit Puerto Rico.

Zo wordt de Angelsaksische hegemonie ongemerkt aan het wankelen gebracht. Bij film en tv-series gebeurt hetzelfde. Bij streamingdienst Netflix zien we programma’s uit landen waar eerder geen toegang toe was: dramaseries als Tokyo Stories uit Japan, of een Braziliaanse comedyreeks.

Maar behalve dat Afrikaanse popmuziek nu populair is en Zuid-Amerikaanse reggaeton de dansvloer opstuwt, heeft de popmuziek nog een andere transformatie doorgemaakt.

Want de rockster, de heerser van weleer, is verdwenen. Tien jaar geleden waren rockbands als Queens of The Stone Age, Arctic Monkeys, Editors, Black Keys of Foo Fighters nog de keizers van de popmuziek. Zij waren de hoofdacts op grote festivals waar het publiek op af kwam.

En inderdaad, deze groepen kunnen nog steeds als hoofdact dienen en festivals uitverkopen – maar dat is juist het punt: de afgelopen tien jaar is er nauwelijks een bonafide rockband bijgekomen.

Hun opvolgers zijn dance-acts, hiphop-artiesten en mengvormen daarvan. De festivalweiden van Glastonbury (VK), Coachella (VS) of Lowlands (NL) liepen de laatste paar jaar vol voor Diplo, A$ap Rocky, Kanye West, NERD, Beyoncé, Dua Lipa en Martin Garrix.

Het grootste verschil tussen deze lichting muzikanten en de aloude rockband, is hun instrumentarium. Kenmerkend voor een rockgroep is dat die bestaat uit bas, drum en gitaar, eventueel aangevuld met keyboard. Deze instrumenten worden tijdens concerten live bespeeld en er wordt live gezongen.

Voor de moderne festival-acts is live spelen niet vanzelfsprekend

Maar voor de moderne festival-acts is live spelen – het ter plekke scheppen – niet vanzelfsprekend. Voor elektronische bands is dat ook nagenoeg onmogelijk, want de met digitale software door eindeloos programmeren verkregen klanken kunnen niet voor de vuist weg worden gereproduceerd.

Dus horen we de kant-en-klare partijen – eventueel tijdens het optreden aangevuld met filters en effecten, of een sax of drummer. Maar dat is decoratie; het fundament lag klaar.

Deze elektronische muzikanten – of hun hybride vakgenoten als Tame Impala en The XX – imponeren met een bombardement van elektronische beats, zijn altijd maatvast, zingen loepzuiver, en hun geluid is perfect in balans – juist omdat het (deels) niet live is.

Dat geeft deze artiesten een muzikale overmacht waar de rockgroep, die te maken heeft met een ontstemde gitaar of de kater van de drummer, niet aan kan tippen. Zo bekeken is het de vraag of aanstormende rockbands als Idles of Blossoms ooit tot de voorste linies zullen doordringen.

Een enkeling breekt uit de mal. Een van de grootste sterren van de afgelopen tien jaar is Kendrick Lamar, een rapper uit Los Angeles, geliefd om zijn scherpe maar gevoelvolle dictie. Lamar staat vaak als hoofdact op de grote festivals, zoals vorig jaar op Lowlands. Zijn optredens zijn sober, met kleurige achtergrondprojecties en nu en dan wat vuurwerk. Hij staat in zijn eentje op het grote podium.

De muziek, een combinatie van synthesizerdeuntjes en een funky cadans, lijkt voorgeprogrammeerd. Maar dat is schijn. Hier geen playbackende muzikanten op het podium – maar uit het zicht van de fans, in de coulissen verstopt, een volledige band die live staat te spelen. En het klinkt overweldigend. Kendrick Lamar doet het andersom.

Hester Carvalho schrijft over muziek.