Analyse

Vrije keuze, of dwang van de deeltijdklem?

Vrouwenquotum Tien jaar geleden ging Marike Stellinga er keihard in: het glazen plafond bestond in haar ogen niet. Denkt ze hier nu nog steeds zo over?

Illustratie Thomas Nondh Jansen

Je kon in 2019 niet om haar heen: de bekeerde topvrouw. Een indrukwekkende rij vrouwen uit het bedrijfsleven stapte dit jaar naar voren om hardop te zeggen dat er een quotum voor topvrouwen moest komen. Dat deden ook de twee hoogste vrouwen van het beursgenoteerde bedrijfsleven: Herna Verhagen en Nancy McKinstry, de bazen van PostNL en Wolters Kluwer. Beiden dachten lang dat vrouwen vanzelf boven zouden komen drijven, zeiden ze in een gezamenlijk interview in NRC. Maar nu concluderen ze dat het zonder een quotum niet lukt.

Ook in de politiek bekeerden vrouwen zich. „Ik merk dat ik aan het radicaliseren ben”, zei staatssecretaris Mona Keijzer (CDA) voor de zomer. Inmiddels is haar partij om, net als D66. Via de Sociaal-Economische Raad adviseerden bedrijven het kabinet een quotum in te voeren van 30 procent voor de raden van commissarissen van 88 beursgenoteerde bedrijven. Dat bedrijven de overheid vragen hun vrijheid in te perken, is uitermate bijzonder. Geen wonder dat de Tweede Kamer begin december het SER-advies steunde.

De omslag in denken over het quotum is begrijpelijk als je de afgelopen vier jaar bekijkt. Niet alleen was er hernieuwde aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik, vanwege bijvoorbeeld de #metoo-beweging. Ook stokte de opmars van vrouwen op de machtigste plek in het bedrijfsleven: de raad van bestuur. Het aandeel vrouwen is daar nu 8,5 procent. In de politiek was er ook al geen vooruitgang. Sterker, in de Tweede Kamer daalde het aantal vrouwen, net als het aantal vrouwelijke fractievoorzitters.

Je zag bij vrouwen in het bedrijfsleven en in de politiek het besef groeien: als wij ons niet uitspreken, dan gaat het niet goed. Meest gehoorde punt van irritatie: mannen die zeggen dat vrouwen niet te vinden zijn. Premier Mark Rutte (VVD) werd publiekelijk op de vingers getikt door prominente VVD-vrouwen nadat hij in 2017 had gezegd de man-vrouwverdeling in zijn kabinet als secundair te zien: zijn streven was de beste mensen vinden.

Ik herken een deel van die omslag. Tien jaar geleden schreef ik een boek over vrouwen en werk. Ik ging er keihard in: het glazen plafond bestond niet, Nederlandse vrouwen werden niet gehinderd maar deden precies wat ze wilden en ik was fel tegen een quotum. Bekeerd over het quotum ben ik niet, maar ik zou nu niet meer zeggen dat vrouwen minder ambitie hebben. Ik wil niemand een excuus geven om te denken dat het vanzelf goed komt. Diversiteit is hard werken. Ook voor mij is het nu evident: het gaat kennelijk niet vanzelf.

Maar net zoals we niet moeten denken dat vrouwen in hun werkzame leven geen extra hindernissen tegenkomen of moeten overwinnen, moeten we ook niet te makkelijk concluderen dat het kleine aantal vrouwen in de top het gevolg is van onrecht, discriminatie, onderdrukking of achterstelling. Daarvoor is de zaak veel te complex. Daarom wilde ik nog eens in de topvrouwenkwestie duiken: waarom gaat het niet vanzelf? Zou ik dezelfde conclusies trekken als tien jaar geleden?

Het Noorse voorbeeld

De beste plek om te beginnen, is het quotumexperiment in Noorwegen. Nederlandse voorstanders van het quotum verwachten dat het iets zal openbreken. „Het is geen mooie maatregel, maar het is wel nodig om een doorbraak te krijgen”, volgens minister Ingrid van Engelshoven (D66). Maar precies die verwachting is in Noorwegen niet uitgekomen. Terwijl het quotum daar al meer dan tien jaar van kracht is: 40 procent van de commissarissen van beursgenoteerde bedrijven moet vrouw zijn. Er zijn nog steeds weinig vrouwen in de raden van bestuur van Noorwegen. Het aantal vrouwelijke managers in de subtop nam ook maar mondjesmaat toe.

„Voor mensen zoals ik, die dachten dat het quotum zou leiden tot veel meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven, is dit deprimerend nieuws”, zegt Mari Teigen, hoogleraar bij het Instituut voor Sociaal Onderzoek in Noorwegen. Ze is directeur van een centrum dat genderongelijkheid onderzoekt. Ik sprak haar tien jaar geleden in Oslo, nu bel ik haar. Waarom het quotum niet voor meer vrouwen in de bedrijfstop zorgt, is volgens Teigen niet duidelijk. „Het zou kunnen dat mannelijke commissarissen nog steeds over benoemingen gaan, dat bedrijven te weinig hun best doen om vrouwen te vinden. Het zou ook kunnen dat er te weinig gekwalificeerde vrouwen zijn. Ik denk dat het beide is. Overigens was er wel één positief effect: de steun voor het quotum nam in de bedrijfstop sterk toe.”

Je zou juist verwachten dat als het quotum ergens zou werken, dit in Noorwegen zou zijn. Het land voert al decennia zeer actief gelijkheidsbeleid, biedt goedkope kinderopvang en riant ouderschapsverlof. „Dat het quotum niet doorsijpelt, verbaast me niks”, zegt Marianne Bertrand, hoogleraar economie aan de University of Chicago Booth School of Business, aan de telefoon.

De van oorsprong Belgische onderzocht het Noorse quotum en concludeerde dat er geen trickle down-effect was. „De voornaamste hindernissen die vrouwen tegenkomen als ze carrière maken, hebben weinig te maken met de zaken die een quotum wil doorbreken, zoals een old boys network, mannen die mannen benoemen, of met een gebrek aan vrouwelijke rolmodellen. De voornaamste hindernis heeft te maken met het krijgen van kinderen: dat heeft een sterk effect op de carrière van hoogopgeleide vrouwen en geen effect op de carrière van mannen.”

Eigenlijk kun je drie groepen onderscheiden, zegt Bertrand: mannen, vrouwen met kinderen en vrouwen zonder kinderen. De carrièreverschillen tussen mannen en vrouwen zonder kinderen zijn klein. Het grote verschil zit tussen die twee groepen en vrouwen met kinderen. Zij maken minder carrière, verdienen minder en bereiken minder vaak de top. Dat is te zien in Scandinavische landen als Noorwegen en Denemarken maar ook in de Verenigde Staten, dat juist weinig gezinsbeleid kent. „Ik zeg niet dat vrouwen zonder kinderen geen discriminatie ervaren. Ik zeg dat je het grote verschil tussen mannen en vrouwen aan de top in ontwikkelde landen kunt verklaren uit de moederschapsboete.”

Dat moederschap zo’n groot effect heeft, verbaasde onderzoekers van het glazen plafond als Bertrand aanvankelijk. Door afwasmachines en andere apparaten nam het werk in huis af. En de normen over wie – mannen of vrouwen – verantwoordelijk is voor huishouden en zorg veranderden sterk. Dat blijkt ook: vrouwen werken meer. Maar tegelijk werden de best betaalde topbanen waarschijnlijk veeleisender. Bertrand: „In het bedrijfsleven zijn er nu enorme beloningen voor banen met lange werkweken die geen flexibiliteit bieden.”

Bertrand onderzocht hoe het studenten verging nadat ze ‘haar’ Chicago-businessschool hadden verlaten. Ze zag dat vrouwen tien jaar later gemiddeld iets minder uren maakten dan mannen; 49 in plaats van 57 uur per week. Maar het verschil in inkomen was enorm; de premie van de je-werk-is-je-levenbaan. Vrouwen met kinderen blijken vaker dan mannen met kinderen waarde te hechten aan flexibiliteit, aan banen die ruimte laten voor het gezinsleven. Teigen wijst op een studie naar carrières in de financiële sector in Noorwegen; zij ziet hetzelfde als Bertrand. Juist het lange ouderschapsverlof lijkt de carrières van vrouwen in het bedrijfsleven te schaden.

Bertrand denkt dat vaderschapsverlof de meest veelbelovende manier is om de carrières van mannen en vrouwen gelijkwaardiger te maken. Noorwegen en andere Scandinavische landen hebben al daddy quota ingevoerd: verlof dat alleen door vaders kan worden opgenomen. Als vaders ook even moeten pauzeren in hun carrière, maakt dat de boete voor moeders mogelijk kleiner, is de gedachte.

Vrije wil

Ik vraag me af: zou het ook kunnen dat vrouwen dit willen? Dat vrouwen er gemiddeld vaker voor kiezen hun leven niet te laten opslokken door hun baan? We hebben het hier over hoogopgeleide vrouwen met goede banen, die weten wat ze willen. Bertrand: „Dit is een belangrijke vraag. Ik worstel met de vraag wat ‘vrije keuze’ betekent. We zijn sociaal geconditioneerd dat vrouwen de verantwoordelijkheid nemen voor de kinderen. Wat is vrije keuze dan?”

Hier zit voor mij de crux, de centrale vraag waar ik al vijftien jaar tegen aanloop als het om vrouwen en werk gaat. Wat doen vrouwen met de vrijheid die bevochten is? Voor mij ligt het antwoord op die vraag volledig open. Wellicht wordt de verdeling wel nooit volledig 50-50. Ongelijke uitkomsten aan de top kunnen ook een gevolg zijn van andere keuzes die vrouwen als groep maken dan mannen als groep.

Lees ook: Van excuustruus tot symboolfunctie

Toch is voor velen de zaak pas afgedaan als de verdeling wel gelijk is. De SER schrijft in zijn advies over het quotum dat het doel 50-50 is. Maar wat als vrouwen er vaker dan mannen in vrijheid voor kiezen géén topfunctie te ambiëren? Wie zijn wij om dan te zeggen: dat moet wél? Wie bepaalt hoe de cultuur moet zijn?

Neem Nederlandse vrouwen. Ze zijn kampioen deeltijdwerk vergeleken met andere westerse vrouwen. Het gros is tevreden met die keuze: slechts een klein deel zou meer willen werken. Is die keuze vrij, of een gevolg van de ‘deeltijdklem’ waar vrouwen volgens de SER in zitten, van een conservatieve cultuur die vrouwen klein houdt? In Nederland is het percentage vrouwen dat werkt uitzonderlijk hoog, ze maken alleen relatief minder uren. Ik denk dat de Nederlandse arbeidsmarkt een unieke mogelijkheid biedt: goedbetaald en interessant werk in deeltijd. In andere westerse landen is de keuze vaker zwart-wit: voltijds interessant werk of laagwaardig werk in deeltijd. Is wat wij hebben zo slecht? Meer vrouwen houden hier een connectie met de arbeidsmarkt. Dat beschermt ze bij scheidingen. Daar kun je negatief naar kijken, maar ook positief. Waarom zou die deeltijdcultuur geen eigen keuze van vrouwen zelf zijn en hun alleen maar overkomen?

Het is nogal wat om te concluderen dat vrouwen in de meest welvarende, vrije samenlevingen niet vrij zijn om hun eigen leven in te richten. Het gaat nog een stap verder om te besluiten dat die vrijheid door de overheid afgedwongen moet worden. Bijvoorbeeld via een quotum of verplicht vaderschapsverlof. Teigen: „Dit roept in Noorwegen behoorlijk wat controverse op: moet de staat zeggenschap hebben over hoe ouders het verlof onderling verdelen?”

De Scandinavische landen laten zien dat de maakbaarheid van de samenleving grenzen kent. Ondanks al het gelijkheidsbeleid zijn hun arbeidsmarkten zeer gescheiden: mannen werken overwegend in de private sector, vrouwen bij de overheid, in de zorg, het onderwijs en de kinderopvang. Daarom is de loonkloof tussen mannen en vrouwen ook in Scandinavië groot: de private sector betaalt beter. En als het gaat om aantallen topvrouwen in het bedrijfsleven, dan scoren de VS grofweg evengoed. Als je landen gaat vergelijken, zie je dat er geen gouden formule is.

Het is heel goed dat overheden, universiteiten en bedrijven blijven onderzoeken of vrouwen iets in de weg zit. Maar dat is iets anders dan pas tevreden zijn als alles 50-50 is. Want waar houdt de overheidsbemoeienis op? Ik stuitte op onderzoek dat laat zien hoe lastig de praktijk soms te sturen is. Op Amerikaanse universiteiten die jonge onderzoekers (m/v) die een kind kregen een jaar extra tijd gaven, werd het verschil in carrières tussen mannen en vrouwen groter. De mannen gebruikten de tijd om papers voor wetenschappelijke tijdschriften te tikken, de vrouwen besteedden die aan hun kinderen. Wat ga je daaraan doen? De computers van mannen afpakken?

Ik vind een eerlijke behandeling van mannen ook belangrijk. Quota verhogen de kans op discriminatie, omdat ze selectie op basis van geslacht bevorderen. Als mannen vaker voltijds werken of lange weken draaien, bestaat het risico dat mannen worden geworven uit een grotere poel kandidaten dan vrouwen. Dan wordt de kans van mannen op een topbaan kleiner dan voor vrouwen. In de VS zijn quota voor zwarte studenten niet voor niets tot in het Supreme Court afgewezen. Zo creëer je als overheid onrecht.

Daarmee zeg ik niet dat we ons moeten neerleggen bij de huidige man-vrouwverdeling aan de top. Voortdurend onderzoek, aandacht, actieplannen, kritiek op achterblijvers, topvrouwen die openhartig vertellen over hindernissen die ze hebben ervaren: het is allemaal nodig en van belang. Zolang we maar een open geest houden en niet amechtig turven of de maatschappij zich in de juiste vakjes sorteert – en de overheid de zaak anders wel even komt rechtzetten. Want het zou kunnen dat vrouwen andere keuzes maken dan werd verwacht toen hun vrijheid werd bevochten.