Overbevolking als ideale ramp voor onheilsprofeten

Bevolkingsgroei Dit kon zo niet doorgaan, was de stemming rond 1970. De geboortecijfers moesten nú omlaag, het was erop of eronder. Later nam de paniek over de groei van de wereldbevolking weer af.

Tjarko van der Pol

Er moeten toeslagen komen voor stellen die pas na hun vijfentwintigste trouwen en voor mannen die zich na hun tweede kind laten steriliseren, beloningen voor echtparen die de eerste vijf jaar van hun huwelijk kinderloos blijven en aantrekkelijke loterijen waaraan alleen kinderloze volwassenen kunnen deelnemen. En het is maar het beste rompertjes, kinderbedjes, luiers en duur speelgoed zwaar te belasten.

De jonge Amerikaanse bioloog Paul Ehrlich had in 1967 een heel draaiboek klaarliggen om de bevolkingsgroei in de VS stevig aan te pakken – als voorbeeld voor de rest van de mensheid. Je vindt het in zijn vermaarde The Population Bomb.

Vlinderspecialist Ehrlich, sinds 1966 hoogleraar, was na een bezoek aan India in de ban geraakt van de relatie tussen ongecontroleerde bevolkingsgroei, gebrek aan voedsel en daaruit voortvloeiende menselijke ellende. Uit de op dat moment beschikbare statistiek leidde hij af dat het de komende jaren alleen maar slechter kon worden. Het greep hem bij de keel.

Doe zoals wij doen

Hij riep op tot harde maatregelen, van vrijblijvendheid kon geen sprake meer zijn. Anticonceptie, sterilisatie: als dwang nodig was dan moest het maar. Tegen abortus was geen bezwaar, een foetus was immers nog geen mens maar slechts in potentie een mens.

De nood was evident het grootst in ‘onderontwikkelde’ landen als China en India, maar de ‘overontwikkelde’ landen moesten hun geboortecijfers ook aanpakken. Daar dreigde geen voedselgebrek maar uitputting van grondstoffen en ander ongerief. Sowieso moesten de overontwikkelde landen het goede voorbeeld geven. Het mocht geen zaak worden van do as we say, maar do as we do.

Vijf jaar later kreeg Ehrlichs hartenkreet steun van de systeemwetenschapper Dennis Meadows die, met een heel team geleerden, de kritieke situatie van de mensheid door een computerprogramma van het MIT had laten nabootsen. Het programma (‘van tientallen bladzijden’) had de variabelen bevolking, voedsel, grondstoffen, vervuiling en kapitaal op elkaar laten inwerken en er was één ding zonneklaar geworden: het kon zo niet doorgaan.

Zuurstofgebrek

De bevolkingsgroei was exponentieel, bij tijden super-exponentieel en de landbouw zou de vraag naar voedsel niet kunnen bijbenen, en als dat tóch het geval zou zijn, dan zou een vreselijke vervuilingscrisis de sterfte tot grote hoogte opjagen. De kettingformulieren met uitdraaien van MIT’s Wereldmodel spraken duidelijke taal: de geboortecijfers moesten nú omlaag, het was erop of eronder. In Nederland vond het Rapport van de Club van Rome veel aftrek, misschien ook omdat het voor een prikje te koop was. ‘Ramp bedreigt wereld’, begreep NRC Handelsblad ervan.

De fijnproever haalt zijn hart op aan de overeenkomsten en verschillen tussen de teksten van Ehrlich en Meadows. Beiden hadden het gevoel dat onbeperkte inzet van fossiele brandstof niet juist zou zijn, de een vreesde zuurstofgebrek, de ander opwarming van de lucht door de vele hete vuren. De bioloog Ehrlich brengt losjes ook de bedreigde ‘ecosystemen’ ter sprake, maar Meadows c.s. heeft geen enkele aandacht voor behoud van natuur en biodiversiteit en verwerkt ‘milieu’ alleen in abstracte zin. Waar Ehrlich vooral denkt aan het keihard aanpakken van zaadleiders en baarmoeders zoekt Meadows de oplossing in een andere hoek.

De systeemwetenschappers hadden waargenomen dat er voor de verschillende landen een opvallende relatie bestond tussen het bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking en het geboortecijfer. In het arme China en India werden wel 45 kinderen per duizend inwoners geboren, in Europa en de VS maar 15.

Arme ouders en rijke ouders

Meadows oppert de mogelijkheid dat de mooi lage geboortecijfers van Europa en de VS het voornaamste gevolg waren van het hoge bnp daar. Arme ouders nemen veel kinderen om er zeker van te zijn dat ze later verzorgd worden. Rijke ouders, om een simpel beeld aan te houden, zijn minder bang om onverzorgd achter te blijven. Ze zijn beter geschoold en bevinden zich in een milieu waarin extra kinderen veel extra kosten met zich meebrengen. Rijkere ouders beperken daarom min of meer vanzelf het kindertal, ze weten hoe dat moet en hebben er de middelen voor. Het was dus zaak de economie van de ontwikkelingslanden tot bloei te brengen, dat ging het snelst met vérgaande industrialisatie, en dan zou de zaak vanzelf goed komen. (De samenhang tussen toenemende welvaart en afnemend kindertal wordt nog steeds gevonden, maar over de causaliteit wordt inmiddels genuanceerder gedacht.)

Een nieuwe mijlpaal was het rapport Our Common Future in 1987. De Wereldcommissie voor milieu en ontwikkeling had er onder leiding van de Noorse politicus (en arts) Gro Harlem Brundtland drie jaar aan gewerkt en vestigde voorgoed het begrip ‘duurzaamheid’, inclusief de heldere definitie die later verloren ging. Het rapport concludeert dat het met de voedselproductie, anders dan Ehrlich had verwacht, juist de goede kant op was gegaan. Nooit eerder was per hoofd van de wereldbevolking zoveel voedsel geproduceerd.

Maar het voedsel kwam niet steeds op de goede plaats terecht en de Wereldcommissie zag een probleem in de ongebreidelde toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen. Na de ontdekking van de zure regen, het gat in de ozonlaag en de almaar stijgende atmosferische CO2-concentratie en na de Tsjernobyl-ramp, was het ‘milieu’ een zorgenkind geworden.

Grote hongersnoden zijn zeldzaam

Over de groei van de wereldbevolking deed Brundtland niet paniekerig. In de ontwikkelingslanden zou het wel wat minder mogen, maar daar stonden gunstige trends in de industrielanden tegenover. Tabellen in het rapport laten zien dat de jaarlijkse relatieve groei van de bevolking rond 1985 mooi begon af te nemen. Heel uitgesproken in de ‘meer ontwikkelde landen’ (tussen 1970 en 1985 een daling van 1,0 naar 0,6 procent) maar óók in veel ‘minder ontwikkelde landen’ (van 2,5 naar 2,0). Als de landbouw de bevolkingsgroei zou bijhouden zag het er voor de volgende eeuw helemaal zo slecht niet uit. Liever dan rechtstreeks op geboortebeperking aan te dringen benadrukte de Wereldcommissie het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, wat praktisch gesproken op hetzelfde neerkwam. Veel vrouwen blijken een gezin met twee of drie kinderen groot genoeg te vinden. In de ontwikkelingslanden is 39 procent van de jaarlijkse zwangerschappen ongewenst (Nature, 2016).

Belangrijk is dat de gunstige trends die zich in het Brundtland-rapport begonnen af te tekenen zijn blijven bestaan. De landbouw hééft de groei kunnen bijhouden.

Ging Meadows er in 1972 nog van uit dat er (mondiaal gemiddeld) 0,4 hectare landbouwgrond gebruikt werd om één persoon te voeden, (het was op dat moment eigenlijk al 0,32 ha) op dit moment is het minder dan 0,19 hectare. De FAO verwacht het tempo van de bevolkingsgroei nog lang te kunnen bijhouden als klimaatverandering niet te veel landbouwgrond aantast. Zoiets als de productiviteit van kleine landbouwers kan bijvoorbeeld nog sterk omhoog. Voorwaarde is dat het calorierijke Amerikaanse dieet niet de wereldstandaard wordt, dat de vleesconsumptie sterk beperkt blijft en dat het onzalige idee om op grote schaal biobrandstof te gaan produceren wordt losgelaten.

Moderne statistiek laat zien dat de vruchtbaarheid (fertility rate) in het grootste deel van de wereld stelselmatig en significant daalt. Toenemende welvaart, onderwijs, beschikbaarheid van anticonceptiemiddelen, gewijzigde inzichten (en nog meer) brachten de vruchtbaarheid in veel landen zelfs beneden de vervangingswaarde van 2,1 kind per vrouw. In Italië en Spanje is ze 1,3, in Brazilië 1,7, in Rusland 1,8 en Bangladesh 2,1. (Het wereldgemiddelde is 2,4). Het blijft makkelijk onopgemerkt omdat het pas na heel lange tijd doorwerkt in de groei van de bevolking. En natuurlijk ook door migratie-effecten.

De voorspelde rampen hebben zich niet voltrokken

Kortom: de rampen die Ehrlich en Meadows vijftig jaar geleden voorspelden hebben zich niet voltrokken. Grote hongersnoden zijn inmiddels zeldzaam. Een catastrofale uitputting van grondstoffen dreigt nog lang niet, de voorraden blijken groter dan gedacht, winning en gebruik zijn efficiënter geworden (Geochemical Perspectives, 2017). De aids-epidemie, die in 1982 uitbrak en die zo treffend in het doemscenario van Ehrlich leek te passen, is niet uitgegroeid tot een pandemie. Ook de SARS-epidemie van 2002 bleef beperkt.

Gaandeweg verdween de aandacht voor geboortebeperking als oplossing voor grote problemen. De botte sterilisatiecampagnes in India en de hardvochtige eenkindpolitiek van China (en tweekind-politiek van Singapore) hebben daarin zeker ook een rol gespeeld.

Het neemt niet weg dat in veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara de vruchtbaarheid nog pijnlijk hoog is, vaak hoger dan 5 kinderen per vrouw (met Mali en Somalië als uitschieters: 6,0 resp. 6,2 kinderen per vrouw). De bijdrage die de sub-Saharalanden aan de groei van de wereldbevolking dreigen te gaan leveren begint velen te benauwen. Niet alleen de inwoners van die landen zelf, maar ook – of vooral – de Europese landen die vrezen eindeloze hoeveelheden economische vluchtelingen te moeten opnemen. Zo kwam het instrument geboortebeperking opnieuw in de belangstelling te staan. Kom met educatie, kom met anticonceptiemiddelen, maak family planning bespreekbaar, bevorder de emancipatie van de vrouw, roepen de Europese verontrusten. Leg religieuze leiders uit dat religie zich meestal niet per se tegen family planning verzet.

Onevenwichtige leeftijdsopbouw

Economen spelen in het ontluikende debat een intrigerende rol. Een deel lijkt ervan overtuigd dat de te verwachten ongebreidelde bevolkingsgroei van de sub-Saharalanden een hinderpaal is voor hun economische ontwikkeling. Een ander deel vreest dat een te streng doorgevoerd programma van geboortebeperking tot een onevenwichtige leeftijdsopbouw van de bevolking zal leiden die op zijn beurt de economie in de weg zit. De buitenstaander ziet het als een meningsverschil tussen economen die menen dat economische groei bevolkingsgroei moet opvangen, en economen die menen dat bevolkingsgroei economische groei mogelijk moet maken. Vast staat dat de economie van Taiwan en Zuid-Korea geen schade ondervond van strenge geboortebeperking.

Vanuit een heel ander perspectief worden sinds een jaar of tien álle landen opgeroepen ernst te maken met geboortebeperking. Het wordt steeds duidelijker dat de mensheid er niet in zal slagen de uitstoot van broeikasgassen zozeer te verlagen dat een gevaarlijke klimaatopwarming wordt voorkomen. Dan wordt het tijd een andere benadering van het probleem prioriteit te geven, schreef BMJ Sexual & Reproductive Health drie maanden geleden. Een reeks onderzoekers, aangevoerd door Brian O’Neill, heeft in 2012 in The Lancet voorgerekend dat vertraging van de demografische groei tot een substantiële verlaging van broeikasgasemissies kan leiden. Niet op korte termijn, zoals de onderzoekers ook al snel werd ingepeperd in de PNAS (2014), maar wel binnen enige decennia.

Verdere geboortebeperking in Afrika zou een flink effect hebben omdat het zoveel mensen betreft. Ingrijpen in de VS en Europa zou flink effect hebben omdat daar de uitstoot per hoofd zo groot is. Het is overzichtelijke materie, een waarheid als een koe zou je bijna zeggen, en des te merkwaardiger dus dat het VN-klimaatpanel IPCC met geen letter of woord rept over geboortebeperking. Werkgroep III heeft honderden mooie dingen bedacht in het kader van mitigatie en adaptatie (verf de wegen wit!) maar ze blijft op flinke afstand van zaadleiders en baarmoeders. Hoe lang nog, is de vraag.