Protest bij een bankgebouw in de Libanese hoofdstad Beiroet tegen de heersende politieke klasse.

Foto Bilal Hussein/AP

Interview

Lukt het Beiroet en Bagdad een revolutie af te dwingen?

opstanden in de arabische wereld Betogers in Libanon en Irak eisen niets minder dan vertrek van de politieke klasse. Maar behouden ze hun vuur?

Het is zaterdagavond en in de uitgaanswijk Mar Mikhail in Beiroet kun je over de hoofden lopen. Plots rijdt een konvooi VW-busjes versierd met kerstlichtjes toeterend langs. Een gemotoriseerde betoging? Nee, gewoon, Kerst.

Zo’n 750.000 Libanezen uit het buitenland keren in deze periode gewoonlijk terug om feest te vieren. Nadat op 17 oktober de Libanese revolutie tegen de eigen politieke klasse was losgebarsten, beloofden veel Libanezen van de diaspora dat zij dit jaar nog massaler zouden terugkeren – om de economie en de revolutie een hart onder de riem te steken. Het omgekeerde lijkt te zijn gebeurd. In de hotels is de bezettingsgraad amper tien procent en de luchthaven van Beiroet meldt een daling van 30 procent in het aantal inkomende passagiers.

Hier in Mar Mikhail is daar niets van te merken. Op het afgeladen terras van het hippe café Internazionale zitten twee jonge vrouwen die in Zuid-Afrika een meubelzaak zijn begonnen. Zij proeven voor het eerst van de revolutie. „Hier hebben wij ons hele leven op gewacht”, zegt een van hen.

Aan het volgende tafeltje heft iemand het refrein „Hela hela hela hela ho” aan, waarin de christelijke politicus Gibran Bassil wordt beledigd. Het hele terras doet mee. De slogan over Bassil dateert van het begin van het straatprotest, in recente betogingen wordt hij niet meer gezongen.

Sektarisch denken

De Libanese opstand lijkt na meer dan twee maanden in een impasse te zijn beland. De aanstelling van een soennitische premier, Hassan Diab, zonder de steun van de grootste soennitische partij, heeft verwarring gezaaid. Toen het nieuws vorige week bekend werd, raakten aanhangers van de aftredende premier Saad Hariri meteen slaags met het leger. „Als jullie echt van mij houden dan gaan jullie nu naar huis”, smeekte Hariri. Wel zijn de aanvallen van aanhangers van de sjiitische partijen Amal en Hezbollah op betogers gestopt, nu hun leiders zich achter de nieuwe premier hebben geschaard.

Het lijkt erop dat Libanon nu even afwacht wat Diab doet. Diab, een hoogleraar, is dan wel voorgedragen door het sjiitische blok, hij zegt zelf dat hij zich door niemand laat vertellen hoe hij zijn regering moet samenstellen. Hij zegt ook dat hij geen ‘confrontatieregering’ wil: van de sjiieten en hun bondgenoten tegen de rest. Maar sommigen zien in zijn aanstelling ook een manoeuvre om de protestbeweging buiten spel te zetten.

„Wij hebben bewust niet opgeroepen om te betogen tegen Diab”, zegt Rami Rajeh (42) van Beirut Madinati, een burgerbeweging die in 2016 bijna de gemeenteraadsverkiezingen van Beiroet won. „Zo’n betoging zou het sektarische denken terugbrengen. En dat is precies wat de partijen die Diab steunen willen: dat het allemaal weer over de tegenstelling tussen soennieten en sjiieten gaat, over het pro-Syrische en het anti-Syrische kamp. De politici beseffen nog niet dat er nu een derde macht is: het volk. En wij hebben een vetorecht.”

Arabische Lente

Dit jaar braken opstanden uit in vier landen die in 2011 aan de zijlijn van de Arabische Lente waren blijven staan: Irak, Libanon, Algerije en Soedan. Alleen Soedan past in het traditionele plaatje van landen die – zoals in 2011 – van een dictator af willen.

Algerije deed in 2011 niet mee omdat daar in 1989 al een revolutie voor democratie was geweest. Die leidde tot een verkiezingsoverwinning van moslimfundamentalisten, gevolgd door een burgeroorlog. De Algerijnen gaven de voorkeur aan de stabiliteit die president Bouteflika vervolgens had gebracht. Tot een vijfde ambtstermijn voor de bejaarde Bouteflika toch de vlam in de pan deed slaan.

Lees ook: Libanon wil zijn kinderen terug

Irak en Libanon deden in 2011 niet mee omdat zij al democratie hadden: Libanon altijd al, Irak sinds de Amerikaanse invasie in 2003. Maar die democratie wordt in beide landen tenietgedaan door een politieke klasse die zichzelf blijft verrijken ten koste van het volk. In beide landen eisen de betogers dat „alle politici” weg moeten: in Libanon de politici die sinds het einde van de burgeroorlog in 1990 aan de touwtjes trekken, in Irak de politieke klasse die sinds 2003 aan de macht is.

Yogaklasje

In Irak, waar het protest sinds 1 oktober al meer dan 500 doden en 20.000 gewonden heeft geëist, boekten de betogers deze week twee kleine overwinningen. Het parlement keurde een nieuwe kieswet goed die nieuwe, onafhankelijke kandidaten een grotere kans moet geven. En president Saleh zei dat hij liever ontslag neemt dan een premier te benoemen die voorgedragen is door het pro-Iraanse parlementaire blok – en die wordt afgewezen door de betogers.

Libanon heeft behalve een sektarisch probleem ook een klasse-probleem. In de eerste dagen gingen mensen van alle religies en sociale klassen eensgezind de straat op. Sindsdien zijn de breuklijnen zichtbaar geworden. Als betogers op het Martelaarsplein de afgelopen weken werden aangevallen, gebeurde dat steeds vanuit één arme sjiitische buurt: Khandak al-Ghamik.

In Beiroet wonen de christenen grosso modo in het oosten, de soennieten in het westen en de sjiieten in het zuiden. Khandak al-Ghamik is een uitzondering: de achterstandswijk grenst aan het chique stadscentrum en een welvarende christelijke buurt.

Op 17 oktober waren de jongeren uit Khandak bij de eersten die de straat op gingen. Maar toen Hezbollah-leider Hassan Nasrallah zich distantieerde van het volksprotest, en sprak van een buitenlandse samenzwering tegen de muqawama, het verzet tegen Israël, keerden de jongeren uit Khandak zich tegen de betogers. Toen betogers vorige maand met een yogaklasje de Ring afsloten, het viaduct dat Khandak al-Ghamik scheidt van het centrum, maakten de buurtjongeren daar met geweld een einde aan. „Wie gebruiken die Ring elke dag?”, vraagt ene Hassan in een artikel in de Libanese krant L’Orient-LeJour. „Wij, om te gaan werken. Sommige mensen kunnen blijkbaar overleven zonder te werken, maar wij niet.”

Op het terras van café Internazionale legt een bebaarde man zijn gezelschap uit hoe de marxistische beweging de jongeren van Khandak al-Ghamik voor zich moet winnen door over hun sociaal-economische problemen te praten. Of dat ook gebeurt? „Eerst gaan wij de banken nationaliseren.”

Sommige cafébezoekers woonden een uur eerder een betoging bij voor het gebouw van Électricité du Liban. Het energiebedrijf heeft een symboolfunctie omdat het jaarlijks twee miljard dollar verlies lijdt, terwijl het ook niet in staat is om voldoende stroom te leveren. Met deze betoging begint een campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid, legt activist Roy Dib uit. „We vragen de mensen om hun elektriciteitsrekening niet meer te betalen, hun leningen niet meer af te betalen. We moeten de staat maximaal onder druk zetten.”

Dat dit de crisis kan verergeren, vindt Dib geen punt. „De politici willen ons weer in het sektarische keurslijf dwingen. Het moet erger worden voor het beter kan worden.” Pas als de mensen straks helemaal geen geld meer hebben, gaan zij zich weer verenigen achter de oorspronkelijke eisen van de revolutie.”