In de jaren 60 waren Nederlandse steden groter

Nederland

Na jaren van bevolkingstoename ging het inwonertal achteruit in de jaren 70 en 80. De verpauperde stad raakte uit de mode.
Tjarko van der Pol

Drenthe, de provincie met de minste inwoners per vierkante kilometer, was in 1904 ernstig overbevolkt. De Inspecteur van de Volksgezondheid schreef in het rapport Woningtoestanden in Nederland dat 54 procent van de Drenten in een overbevolkt huis woonde.

Het werk van de inspecteur wierp „een schril licht op de toestanden waarin een groot gedeelte van de bevolking van ons vaderland leeft [...]”. En dan nog was hij mild. Want wat was overbevolking? Voor een eenkamerwoning: „indien ze bewoond wordt door 5 of meer personen”. Voor een tweekamerwoning was de grens 7 personen, en bij drie kamers 10. En een kamer kon ook „een alcoof, een keuken, een glasdichte serre, een beslapen zolder, kelder of stal” zijn.

Maar overbevolking deed zich overal voor. Niet alleen op het verder dunbevolkte platteland, maar toch vooral ook in de steden. In de grote steden leefden arbeiders in sloppen en stegen, in kelders en op zolders. Bij de Volkstelling van 1899 had Nederland 5,4 miljoen inwoners en één miljoen woningen. Woningen – ook de niet-overbevolkte – hadden dus sowieso gemiddeld ruim vijf bewoners.

De nieuwe Woningwet moest een einde maken aan deze wantoestanden. Er waren meer en betere huizen nodig voor de arbeiders in de snel groeiende steden. Krotten moesten verdwijnen. In iets meer dan twintig jaar kwamen er ruim een half miljoen huizen bij. En dik tien jaar daarna, in 1934, had Nederland al meer dan twee miljoen woningen. Een verdubbeling, terwijl de bevolking slechts met 62 procent was toegenomen. Minder mensen per huis dus.

Maar niet ieders situatie verbeterde. Gemeentelijke krottencommissies bleven tot ver na de Tweede Wereldoorlog actief. Hun adviezen leidden tot de sloop van talloze oude, soms monumentale panden, na jarenlange overbewoning en verwaarlozing. In 1970 noemde de nieuwe minister van Verkeer en Waterstaat, Drees jr., de „volte en de overbevolking [van de binnensteden] het belangrijkste binnenlandse vraagstuk”. Eengezinswoningen moesten er komen.

Het was de tijd van de groeikernen, zoals Spijkenisse. Dat was in 1960 nog een dorp met 5.400 inwoners, maar toen Drees jr. aantrad woonden er al bijna 25.000. Vaak in de zo gewenste eengezinswoningen.

Overgangsperiode voor veel steden

Voor veel steden was het een overgangsperiode. Na jaren van bevolkingstoename ging het inwonertal achteruit. Amsterdam had zijn piek in 1964 (868.445 inwoners). Rotterdam een jaar later (731.564).

De verpauperde stad raakte uit de mode. Door de toegenomen welvaart kregen steeds meer mensen een huis met een tuin en een kamer voor elk gezinslid. In de eerste decennia na de oorlog waren nog vooral veel flats gebouwd, maar nu konden de woningen ruimer worden. Dat is nu nog terug te zien: woningen uit de jaren 50 zijn gemiddeld 101 vierkante meter groot, tegen 120 vierkante meter voor die uit de jaren 70. Het toppunt werd bereikt in het voorgaande decennium: 134 vierkante meter. De allernieuwste woningen zijn weer kleiner (115 m2).

En de stad is weer geliefd. Amsterdam heeft bijna net zo veel inwoners als in de jaren zestig – al waren daar ook annexaties van omliggende plaatsen voor nodig. Die mode heeft wel een keerzijde: de overbevolking keert terug. Jongvolwassenen kunnen een eigen woning vaak niet meer betalen en hebben noodgedwongen huisgenoten. Maar vijf mensen op één kamer, zo ver zijn we nog niet.