Het vuur spuwde recht zijn gezicht in

Vuurwerk De sierpot moest hoog in de lucht in felle kleuren uitwaaieren. Het liep anders. Het verhaal achter de eerste operatie van 2019 in het Oogziekenhuis Rotterdam.

Illustratie XF&M

Door de klap van het vuurwerk is het oog uitgescheurd. Een deel van de iris puilt de scheur uit. Een toefje is het, niet blauw zoals de iris in het oog, maar witgrijs. Er zitten zwarte spikkels op. Buskruit. Dat maakt het terugstoppen van de iris, terug de scheur door, te riskant. Er zou dan kans zijn op blindheid. De oogarts neemt het aangereikte schaartje in de hand. Hij plaatst de metalen bladen rond het witgrijze toefje. En begint te knippen. Het oog van de eerste geopereerde vuurwerkpatiënt van 2019 wordt nooit meer zoals het was.

I – De explosie

Paul en Rianne van Utrecht vertrekken vroeg met hun vier kinderen uit Dordrecht, knallers en sierpotten met de rest van de bagage achterin de blauwe Volvo XC90. Overijssel is hun bestemming. Rianne’s broer Jan ten Hove woont met vrouw Marjan en hun kinderen in een twee-onder-een-kap in een nieuwbouwwijk in Rijssen.

In de middag steken de kinderen rotjes af op straat. In de avond is de dis uitgebreid. Uiensoep met een dakje van bladerdeeg, biefstuk en aardappelkroketjes, prosecco en rode wijn.

Er is genoeg reden om te proosten. Het telecombedrijf voor de binnenvaart van Paul (44) en één van z’n broers loopt goed. De verloskundigenpraktijk van Rianne (39) breidt uit. In 2019 wacht de Van Utrechts een verhuizing naar een driehonderd jaar oude hoeve aan een Dordste dijk – deze oudjaarsochtend waren er kijkers voor hun huidige huis. En het belangrijkst: iedereen is gezond.

Paul van Utrecht heeft in een Dordtse vuurwerkzaak drie identieke vuurwerkpakketten gekocht. Twee heeft hij aan z’n broers gegeven. Het zijne maakt Paul rond negen uur op oudjaarsavond open met zwager Jan: de jongste kinderen mogen siervuurwerk zien voor het naar bed gaan. Paul en Jan lopen met het vuurwerk naar de overkant van de straat zodat de kinderen vanachter het raam het spektakel goed kunnen aanschouwen.

De mannen dragen geen vuurwerkbril. Paul heeft die alleen gekocht voor zijn kinderen, hij weet eigenlijk niet goed waarom. Jan draagt gewoon de bril die hij altijd op heeft.

Ze zetten het vuurwerk neer. Het is een cake. Een doos van twintig bij dertig centimeter gevuld met kartonnen lanceerbuizen. Buskruit in de buizen leidt bij ontbranding tot de ontsteking van de lading. Knetterende sterren, felgekleurde waaiers, fluitende pijlen horen het luchtruim in te racen.

Het lont gaat aan.

En een veilige tien tellen later doet de cake waarvoor-ie is aangeschaft. Een bloemenzee, rood, blauw, paars en groen, spreidt zich uit hoog boven de Rijssense nieuwbouw.

Straks, zo is de afspraak, is de beurt aan Lucas, de veertienjarige zoon van Paul en Rianne. De eerste cake na middernacht is voor hem.

De familie vervolgt de avond op de bank voor de tv. De jongste kinderen zijn naar bed. Lucas is nog op en zijn zusje Isabelle van acht ook. Voor het eerst mag zij opblijven voor Oud en Nieuw. De ouders van Rianne en Jan, die ook in Rijssen wonen, sluiten zich bij het gezelschap aan. Jan opent een fles Ballantine’s-whisky en bereidt voor Paul, zijn vader Albert en zichzelf een Irish coffee.

Het laatste beetje 2018 kijken ze tv: de Erasmusbrug in Rotterdam. Ze tellen af, joelen bij middernacht en wensen elkaar een gelukkig nieuwjaar.

Dan is het tijd voor Lucas en zijn cake. Hij loopt met zijn zusje naar buiten. Vader Paul, oom Jan en opa Albert lopen met hen mee. De kinderen hebben winterjassen aan, en vuurwerkbrillen op hun neuzen. Het is druilerig en mistig en niet meer dan een graad of zeven. Warm achter het raam staan Rianne, haar schoonzus en haar moeder.

Illustratie XF&M

Paul en Jan tillen het aangebroken pakket uit de Volvo en leggen het op de oprit. Paul bukt en pakt de cake voor Lucas uit de doos.

De jongen staat klaar met de aansteker in zijn hand. Hij kijkt naar zijn vader. Dan zegt hij: „Pap, kun jij hem afsteken? Ik heb zulke koude handen.”

„Tuurlijk”, antwoordt zijn vader. „Geef de aansteker maar.”

In zijn eentje loopt Paul naar de overkant van de straat, cake in de hand. Hij zet ’m neer en buigt voorover. Hij ziet twee lontjes zitten. Hij haalt er eentje los. Trekt zijn duim over het wiel van de aansteker. Met het vlammetje zoekt hij het topje van het lont.

Binnen een seconde spuwt het vuur zijn gezicht in. Hij slaat met zijn hoofd achterover en doet z’n handen voor zijn ogen.

Jan, die net een buurvrouw het beste wil wensen, rent op Paul af. „Ik zie niets!”, roept Paul. Jan pakt hem vast onder z’n arm. „Lopen!”, zegt Jan. „Met mij mee.”

„Oh, er is iets met Paul! Er is iets met Paul!”, roept Jans vrouw Marjan vanachter het raam. Rianne schrikt op, ze was net van het raam weggelopen en had het ongeluk niet gezien. Nu ziet ze Paul binnenkomen, zijn armen voor zijn gezicht. In de gang zoekt hij met bebloede handen houvast aan de muur. Zijn gezicht is zwart en gezwollen. Z’n ogen zitten dicht. „Spoelen, we moeten spoelen!” roept Jan, die EHBO-ervaring heeft. In de keuken duwt hij Pauls hoofd onder de kraan. Buren komen binnen, iemand belt 112.

Illustratie XF&M

De volwassenen hebben Lucas en Isabelle naar de woonkamer geleid, weg van de keuken. Isabelle is aan één stuk door aan het gillen. Lucas kijkt strak voor zich uit.

Paul ervaart geen pijn. Hij voelt wel de kou van water tegen zijn gezicht. „Zet alsjeblíéft dat water wat warmer, ik bevríés hier bijna”, roept hij zijn zwager toe. Die gaat voor hem staan. „Zie je mij? Zie je mij?” Paul: „Ik zie vaag schimmen.”

De ambulance rijdt voor, hulpverleners nemen het spoelen over. Rianne staat intussen in de noodmodus die ze kent van haar werk. Ze pakt snel wat kleren bij elkaar en neemt afscheid van de kinderen. Lucas is nog stil, Isabelle nog in paniek. Als Paul en Rianne de ambulance instappen, horen ze Isabelle’s gegil nog steeds. En dan gillen de sirenes.

In het felle tl-licht in het Almelose ziekenhuis kijkt Rianne naar haar man. Ze schrikt van wat ze ziet. Zijn gezicht staat bol. Zijn neus lijkt anderhalf keer zo groot. Zijn oogleden en ooghoeken zijn donkerpaars. Op zijn voorhoofd, neus en wang zitten donkerrode bloedvlekken. Uit een wond naast zijn neus stroomt bloed. Het haar in zijn wenkbrauwen is verschrompeld tot zwarte puntjes. Uit zijn rechteroog kijkt hij wazig. Zijn linkeroog is op een kiertje na dicht.

De oogarts van dienst schijnt met een lamp de kier van het linkeroog in en ziet dat het flink is opengescheurd. Hij weet meteen: deze patiënt moet weg hier. Dit vergt hoogspecialistische oogzorg, beschikbaar in Nijmegen en Rotterdam.

Dat wordt dan Rotterdam, zegt Rianne. Dichtbij huis. De arts loopt weg om het Oogziekenhuis daar te bellen en een ambulance te regelen.

Illustratie XF&M

II – Naar het ziekenhuis per ambulance

Tjeerd de Faber (63), een oogarts met een rond brilletje en een grijze borstelsnor, is bezig aan zijn eenentwintigste nieuwjaarsnachtdienst in het Oogziekenhuis in Rotterdam. Hij begeleidt arts-assistenten die zich ontfermen over binnenkomende vuurwerkslachtoffers. De Faber kijkt mee als zijn collega’s de zuurgraad meten van door buskruit getroffen ogen, als ze water door de ogen spoelen. In de ochtend van 1 januari, als slachtoffers lang genoeg nuchter zijn voor narcose, volgen de operaties.

Lees ook: Kinderoogarts Tjeerd de Faber strijdt onvermoeibaar tegen vuurwerk

Honderden vuurwerkslachtoffers heeft De Faber door de jaren heen behandeld. Hij heeft opengespleten ogen uit hun kassen verwijderd, kruitresten uit gezichtshuid weggeschraapt om blijvende sporen te voorkomen, duizenden liters aan gezouten water door ogen gespoeld. Definitief tegenstander van vuurwerk werd hij zestien jaar geleden, toen een hard huilend jongetje van drie het ziekenhuis werd binnengedragen. Zijn oog was geraakt door een babyvuurpijl. Het jongetje verloor rechts zijn zicht.

De Faber neemt de telefoon op. Almelo aan de lijn. Een vuurwerkslachtoffer heeft een opengescheurd oog. Laat maar komen, zegt De Faber. Hij beseft dat dit een operatie wordt, en slaat aan het rekenen. Het is nu twee uur ’s nachts. Voor een narcose mag je acht uur niet gegeten hebben. Het slachtoffer zal op z’n laatst rond middernacht iets hebben gegeten. Middernacht plus acht is acht uur ’s ochtends. Dus ja, bedenkt De Faber, ik heb tijd om even te slapen. Hij rijdt naar huis, op tien minuten van het ziekenhuis.

Vlak voor hij gaat slapen komt op zijn werkmobieltje een foto binnen van het slachtoffer. Hij kijkt naar zijn scherm en ziet een opgezwollen gezicht: pneumatisch trauma door de drukgolf van de ontploffing. Hij ziet weggeschroeide wenkbrauwen als gevolg van thermisch letsel. Hij ziet de zwarte spikkels: chemische schade door kruit. En hij ziet het dichte oog. Ja hoor, denkt De Faber. Een voltreffer. En hij valt in slaap.

Om tien voor zes ’s ochtends, De Faber slaapt nog, komen de Van Utrechts aan bij het Oogziekenhuis in Rotterdam. Paul en Rianne zijn niet alleen. Ook een schoonzus van Paul is mee. En Rianne’s vader Albert: met zijn vingers tracht hij de weigerachtige elektrische deuren van het Oogziekenhuis te forceren. Een zuster ontvangt het gezelschap. Dan kijkt ze langs hen heen door de glazen schuifdeuren naar buiten. „Hè?” zegt ze met een verbaasde blik in haar ogen. „Ik zie geen ambulance?”

III – Naar het ziekenhuis per ambulance met de Volvo XC90

Nieuwjaarsnacht heeft zijn eigen wetten. Er zullen autobranden zijn, vonkenregens uit metershoge brandstapels, belaagde politieagenten, ambulancemedewerkers en brandweerlieden van Friesland tot in Limburg. Er zullen doden en gewonden vallen.

Steden en dorpen in opperste staat van paraatheid zijn zuinig op hun ambulances. Alleen in geval van levensgevaar mogen ze de regio uit.

Dat dringt pas tot het ziekenhuispersoneel in Almelo door nadat de Van Utrechts een ambulance naar Rotterdam in het vooruitzicht is gesteld.

Maar Paul van Utrecht is niet in levensgevaar.

Suf van de morfine ligt hij op een brancard als hij het, met Rianne naast zich, hoort: er is nu geen ambulance die naar Rotterdam kan. Jullie moeten met eigen vervoer.

Paul krabbelt overeind. Platliggen maakt hem misselijk, merkt hij.

„Wacht even”, zegt Rianne. „We komen hier net met loeiende sirenes binnen. En dan zegt u dat mijn man, die zó beroerd is, in een auto moet gaan zitten? Echt: hoe dan?”

Het antwoord op die vraag luidt, zo bedenkt Rianne al snel: Alies van Utrecht.

Alies van Utrecht, de vrouw van een van Pauls broers, is in de buurt van Almelo vanwege haar jarige moeder. Ze kent als inwoner van Dordrecht de weg in Rotterdam. Én, essentieel: ze staat binnen de familie bekend om haar bescheiden inname. Ook tijdens Oud en Nieuw proost ze met fris. Van geluk kan Rianne na zo’n start van 2019 niet spreken, maar, zo zal ze later beseffen: als je man dan toch vol door vuurwerk is getroffen en misselijk van de morfine zonder ambulance van Almelo naar Rotterdam moet zien te komen, dan tref je het als je een schoonzus hebt als Alies van Utrecht.

„Ja”, zegt Alies van Utrecht als Rianne haar belt. „Ik kan rijden.”

In de felblauwe Volvo XC90 die hen op oudjaarsochtend nog naar Rijssen bracht, zetten de Van Utrechts diep in de nieuwjaarsnacht koers naar Rotterdam. Alies achter het stuur, en naast haar Rianne’s vader Albert, die haar heeft opgepikt. Hij is meegegaan voor het geval Paul onderweg onwel wordt en er extra handen nodig zijn. Achterin zit Rianne met naast zich Paul. Hij ligt dwars achterover op de achterbank. Hij ziet nog steeds nagenoeg niets, voelt zich misselijk en kreunt zo nu en dan. Hij zegt weinig.

Illustratie XF&M

Ook de andere passagiers praten nauwelijks. De rit van bijna tweehonderd kilometer over doodstille snelwegen biedt bij uitstek gelegenheid om in de greep te raken van gedachten. Zal ik ooit mijn kinderen nog zien? (Paul). Laten we alsjeblieft snel in Rotterdam zijn (Rianne). Jongens, hoe moet dit ooit weer goed komen (Alies). Ik hoop maar dat de dokter er iets aan kan doen (Albert). Dit zal wel de A12 zijn (Paul). Wat als hij blind wordt? (Rianne) Ik ben zó blij dat het Lucas niet was (Paul). Ik wil koffie (Alies). Hoe vindt hij straks z’n weg in het nieuwe huis? (Rianne).

Als ze zich vanuit de snelwegstilte plots omringd weten door de nieuwjaarsdrukte in hartje Rotterdam, waar drommen mensen feesten en joelen, denkt Paul: Laat al die mensen toch wéggaan alsjeblieft, ik zit hier diep in de shit.

IV – De operatie

Vier minuten na de ontvangst in het Oogziekenhuis („Jullie zijn met de auto gekomen? Dat méén je niet”) begint een arts-assistent op de spoedeisende hulp Pauls oog te spoelen met gezouten water. Alleen rechts, het betere oog. Paul voelt het water langs zijn nek naar beneden sijpelen – het is gelukkig warmer water dan uren geleden in de keuken van zijn zwager. Het slechtere linkeroog laat de arts-assistent met rust. Door de druk van de waterstraal zou de inhoud van het oog naar buiten kunnen druipen.

Na onderzoek blijkt dat er goed en slecht nieuws is. Het rechteroog bevat geen kruitresten. Geen chemisch letsel, geen kans op blindheid. Het oog is 100 procent in orde.

Paul van Utrecht is een introvert man. Als hij al juicht, dan doet hij dat van binnen. Zodra hij het nieuws hoort – hij wordt niet blind – doet hij precies dat. Van binnen juichen. Heel hard. Polonaise door z’n botten. Hij zal zijn kinderen weer zien.

Het slechte nieuws is dat de scheur in zijn linkeroog liefst vijf ‘klok-uren’ beslaat: zou zijn oog een wijzerplaat zijn, dan liep de scheur van zeven tot twaalf. Een deel van de iris puilt de scheur al uit. En er zit kruit in het oog. Tjeerd de Faber gaat, na zijn slaappauze, met z’n team proberen te voorkomen dat het oog moet worden verwijderd. Mocht dat al lukken, dan blijft de vraag wat er aan zicht overblijft. „Oké”, zegt Paul, terwijl hij innerlijk nog aan het hossen is. „Doe maar wat.”

Na triage, het beoordelen van alle binnengekomen oogslachtoffers, blijkt dat Paul eerst mag. De eerste in 2019 op de Rotterdamse operatietafel – hij die net de Erasmusbrug zag op een tv in Overijssel.

Koud in de operatiekamer, vergezeld door Rianne, wordt de mix van biefstuk, wijn, Ballantine’s en morfine Paul te veel. Gul keert zijn maag zich binnenstebuiten. Spuug nou niet, denkt Rianne, straks valt je óóg eruit. Ze zegt het niet.

De narcose sust hem in slaap. De Faber, collega-oogarts Theo Nieuwendijk en de rest van het medisch team treden aan. De Faber neemt het aangereikte schaartje in de hand. De metalen bladen gaan om het witgrijs van de uitpuilende iris.

Na het knippen begint het hechten.

Want de echte wond zit in zijn oogwit, 2 à 3 millimeter van zijn iris vandaan. In de diepste laag van het wit, de harde oogrok die zorgt voor stevigheid van een oog.

Blijft zo’n wond onbehandeld, dan zou Paul binnen een paar dagen links blind raken.

De Faber en Nieuwendijk knippen het slijmvlies in het oogwit open om bij de wond te komen. Het hechten doen de twee oogartsen samen. Ze zetten een hechting of tien.

Nu is Pauls oogbol dicht. Maar omdat er kruit in heeft gezeten, kan het oog zo gaan ontsteken dat het eruit moet. Antibiotica zijn noodzakelijk. De Faber injecteert het goedje met een stomp spuitje in Pauls oog. En dan is het 24 uur afwachten of een ontsteking uitblijft.

Het wegschrapen van buskruitspikkels uit Pauls gezicht duurt twintig minuten. Ze gebruiken de scherpe kant van een scalpel. Zonder narcose zou hij het uitschreeuwen. Zouden de spikkels een paar weken blijven zitten, dan groeit er huid overheen, en zou Paul een bespikkeld gezicht houden, tenzij hij ze zou laten weglaseren als bij een betreurde tattoo.

Op 2 januari komt Tjeerd de Faber met het nieuws. De antibiotica hebben hun werk gedaan. Het linkeroog is niet ontstoken. Paul behoudt zijn oog. Maar, benadrukt De Faber, het is onzeker hoeveel hij ermee zal kunnen zien. Paul vindt het best. Hij juicht weer van binnen. Als hij naar huis mag, op 4 januari 2019, is zijn zicht links slechts 1 procent.

Illustratie XF&M

V – Nieuwjaar

Tijdens de jaarwisseling van 2018 op 2019 leidt een zware explosie in Morra, Friesland, tot de dood van een 41-jarige man. In Enschede sterft na een harde knal een man van 54. Bijna vierhonderd mensen belanden met vuurwerkletsel op de spoedeisende hulp. Van hen is bijna één op de drie geraakt in het oog. Tien mensen zijn sinds nieuwjaarsnacht aan één oog blind, onder wie de jonge man die meteen na Paul van Utrecht aan de beurt is in de Rotterdamse operatiekamer.

„Nederland verdient veilige jaarwisseling”, staat in mei paginagroot in een advertentie in het AD, ondertekend door de politie, de burgemeesters van de vier grote steden, oogartsen en hulpverleners. Ze vragen om een landelijk verbod op knalvuurwerk en pijlen. Het kabinet besluit in juli om vanaf de jaarwisseling van 2020/2021 alleen het zwaarste consumentenvuurwerk te verbieden, zoals Chinese rollen. Minder zwaar knalvuurwerk en vuurpijlen blijven toegestaan. Politiekorpschef Akerboom noemt het kabinetsbesluit „zeer teleurstellend”. De helft van de Nederlandse bevolking is voorstander van een algemeen vuurwerkverbod voor particulieren, blijkt begin december uit een peiling van I&O Research in opdracht van vakblad Binnenlands Bestuur. En 45 procent is tegen.

Het Oogziekenhuis in Rotterdam heeft zijn eerste geopereerde vuurwerkpatiënt van 2019 naar huis gestuurd met een „chemisch laboratorium aan oogdruppels”, in de woorden van de patiënt zelf. Paul van Utrecht bezoekt het ziekenhuis gedurende het jaar zo’n „twintig à dertig keer”. In januari draagt hij een paar weken een veiligheidsbril om te voorkomen dat de gehechte oogwond opengaat als hij bijvoorbeeld zijn hoofd stoot. ’s Nachts slaapt hij die maand met een ooglapje, zodat hij niet in zijn oog wrijft.

Zijn gezichtswonden helen nog in januari. Het bloed zakt ook weg uit zijn oog. Maar, zo blijkt: door de klap van de explosie is zijn lens vertroebeld en ontwikkelt hij staar. Oogarts Peter van Etten verwijdert in een tweede operatie die maand Pauls lens en implanteert een kunstlens. Na de operatie ligt Paul van Utrecht vier dagen plat door felle hoofdpijn. Ook in de weken erna heeft hij er last van. De afspraak is acht paracetamol per dag. Hij slikt er tien.

Maar hij ziet meer, 10 procent nu. Scherp ziet hij echter niet, vertelt hij in februari. „Het is net alsof ik door een beslagen ruit heen loop te kijken.”

Hij begint weer met werken; halve dagen voorlopig. Thuis, tussen de middag, slaapt hij. „Dan voel ik me net een oude man.” Autorijden gaat nog niet dus collega’s brengen en halen hem – of werknemers eigenlijk, want al heeft hij een hekel aan het woord, hij is hun baas. De afhankelijkheid steekt. „Je wilt gewoon zelfstandig zijn.”

Vanaf maart werkt hij weer fulltime, maar hij blijft last houden van vermoeidheid. Hij ziet nog steeds maar 10 procent met links. Tijdens een netwerkborrel heeft hij moeite bekenden ertussenuit te pikken. Op straat of op zijn werk schrikt hij soms: ineens staat er iemand links naast hem. „Ik moet echt opletten dat ik mijn hoofd blijf draaien.” Door het gat in zijn iris is de dosis licht in zijn oog hoog. Rond een lamp ziet hij standaard een halo van licht.

Maar zijn zicht verbetert verder, onder meer door opheldering van het hoornvlies. Half augustus ziet hij 30 procent met links, constateert Tjeerd de Faber tijdens een controle. „Je hebt ontzettende pech gehad bij Oud en Nieuw, maar er zijn er niet veel bij wie het zo goed afloopt.” Zelfs mét vuurwerkbril was oogletsel waarschijnlijk geweest, zegt De Faber. Zo groot was de schokgolf die Pauls gezicht trof.

Kijk je naar zijn gezicht, dan zie je rechts een normaal blauwgekleurd oog, en links een oog met veel zwart omdat zijn pupil niet meer klein wordt. Een kunst-iris, te plaatsen in operatie nummer drie, moet de hoge dosis licht-inval gaan verlagen, vertelt Paul eind september in de woonkamer van zijn nieuwe huis – de hoeve aan de Dordtse dijk. De operatie staat gepland voor januari.

De Van Utrechts hebben vuurwerk afgezworen. Dit Oud en Nieuw brengen Paul en Rianne en hun kinderen door in Oostenrijk. „Even helemaal iets anders”, aldus Paul. Zwager Jan uit Rijssen, zelfbenoemd „vuurwerkgek”, blijft ditmaal van het spul af. „Toch maar even niet.”

Tjeerd de Faber zal zijn tweeëntwintigste vuurwerkdienst draaien. Hij staat paraat vanaf zes uur op oudjaarsavond. Schaar en scalpel zullen klaarliggen.