Goede bedoelingen eindigen meestal in de kliko

Column

Winkelcentrum Zuidplein, Charlois, Rotterdam. Een koude donderdag in november, nog voor 11 uur. Ik had net een rapport gelezen waarin stond hoe Rotterdam het afgelopen decennium een fastfoodvloed had ondergaan, veel meer döners en donuts, vooral in buurten met een ‘sociaal lagere score’ – zoals Charlois. In het gigantische winkellabyrint leiden alle wegen naar eettentjes en overal zaten mensen. Niet alleen bij Délifrance en de lunchroom van de Hema, maar ook bij Burger King, KFC, Has Döner en McDonald’s. Vooral bij McDonald’s. Scholieren rond een tafel vol hamburgers. Een moeder met een peuter in zijn buggy. Knoeiend met zijn cola, een doos kipnuggets op schoot. Een meisje dat ontbeet met twee Egg McMuffins en pancakes.

Je hoort vaak dat mensen tegenwoordig hun identiteit ontlenen aan wat ze eten. Maar waar sta je voor als je een Egg McMuffin eet? Dit zag er toch meer uit als moderne armoede.

Even daarvoor had ik een rondje door de Markthal gelopen. Tien jaar geleden gingen de palen in de grond voor zo’n overdekte markt zoals je die in Spanje en Italië wel ziet. Waar het naar vis, kruiden en vers fruit ruikt. Maar het eerste waar je in de Markthal tegenaan loopt is het Kroket Loket. Zo was het vast niet bedoeld.

Hoe en wat we eten zit vol paradoxen. De aandacht, noem het een obsessie, voor eten is de laatste tien jaar niet bepaald afgenomen. NRC schrijft er dubbel zo veel over. En niet alleen NRC. Er verschijnen meer kook- en dieetboeken dan literaire romans, je kunt 24 uur per dag kook-tv kijken en Instagram heeft sinds 2011 meer dan 10 miljoen avocado’s uitgespuugd.

Maar zijn we daardoor gezonder gaan eten? Een heel klein beetje maar, een mandarijntje meer per week. Intussen krijgen we nog net zoveel calorieën binnen en heeft de helft van de volwassenen overgewicht. In de statistiek zijn we met z’n allen één dikke puntenwolk die nauwelijks vooruit te branden is.

En wie zijn ‘we’? „ Ik bén de gemiddelde Nederlander niet”, denkt de één, als ze bij Ekoplaza het etiket van de dadelstroop bestudeert. „Ik doe er niet aan mee”, zegt de ander, terwijl hij een côte de boeuf van de Green Egg haalt.

En ik roer moedeloos in de pompoensoep terwijl de jongste de McDonald’s kalender op haar telefoon laat zien. „Elke dag een aanbieding! Vandaag een Big Mac voor een euro! Donderdag cheeseburgers, yeah.” Dan kun je wel op de goede plek in de puntenwolk zitten, als hoogopgeleide, stedelijke verspakketmoeder, maar buiten is het een jungle. Goede bedoelingen eindigen meestal in de kliko.

De paradox – eten houdt ons meer bezig dan ooit, maar ons gedrag verandert nauwelijks – zie je nog het sterkst bij vlees. Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen dat ze echt niet meer elke dag vlees eten? En hoe valt dat te rijmen met het feit dat we gezamenlijk nauwelijks minder vlees consumeren, eerder meer? Ligt het aan de buurman met z’n barbecue? Aan de opmars van steaktenten? Of compenseer je zelf die vegetarische kipstuckjes met een extra grote gehaktbal? De vegan restaurantjes met ludieke namen als Dophert of Rawsome moeten wel vol zitten met parttime vleeseters, want van 1 procent voltijds veganisten kan de schoorsteen niet roken.

Je kunt er heel zorgelijk en cynisch over doen. Hoe we aan vraatzucht ten onder gaan. Hoe we links lullen en rechts grillen. Nu we steeds beter weten dat elke hap meetelt voor onze voetafdruk, is het onbevangene er wel vanaf.

Maar er valt wel wat te genieten, meer dan tien, twintig jaar geleden.Waar waren we vóór Ottolenghi, de Israëlisch-Britse kok die de groentekeuken definitief van zijn muffige imago verloste? Veel creatiever dan Jamie Oliver werd het in de gemiddelde Nederlandse keuken voor 2010 niet. En ook als je alle hypes en trends van sterrenkoks of ‘influencers’ niet volgt kun je ervan profiteren zodra ze doorsijpelen in de supermarkt. Met groener gemakseten en spullen waarvoor je vroeger alleen bij de toko, de Turkse groenteboer of de natuurwinkel terecht kon.

Nu we steeds beter weten dat elke hap meetelt voor onze voetafdruk, is het onbevangene er wel vanaf

De ergste ‘health’-hysterie, belichaamd door gojibessen en chiazaad, ebt vanzelf weer weg. Wat blijft zijn de verse kruiden, de verspakketten, allerlei nieuwe granen en peulvruchten.

En kijk hoeveel keus je nu buiten de deur hebt.

Oké, niet overal in Nederland. En niet altijd ligt de culinaire lat even hoog. Maar de diversiteit is enorm. Wie vega wil, hoeft geen genoegen meer te nemen met alleen quiche of salade-geitenkaas. Je kunt nu ook een poké bowl laten bezorgen op een e-bike in plaats van een pizza op een brommer. Dat mensen in de rij staan om in een avocadorestaurant te lunchen, is idioot, maar in diezelfde golf van niche-horeca kregen we ook veel om blij van te worden. Japanse ramen, Koreaanse kimchi, alles met ei, alles van open vuur of alles met groente. Voor iedere doelgroep is er wel een concept: sla voor fitgirls, vleesrestaurants met wandbrede droogkasten voor mannen met baarden. Al eten ze ook heus weleens in elkaars restaurant.

We hebben een beetje de neiging gekregen tot polariseren, de vleeshufter tegenover de soja-latte-hipster. En het zal ook vast dat sommige mensen zich superieur voelen omdat ze altijd gezond eten, of nooit iets dierlijks. Of ze identificeren zich zo met wat ze eten dat ze een chilipeper of een steak op hun arm tatoeëren. Maar de meeste mensen doen maar wat, of zijn op z’n minst niet altijd even consequent. Ze rommelen zich een weg door de koelkast, de supermarkt en het winkelcentrum. Je doet je best, en soms even niet. Je bent heus niet altijd wat je eet.

Het McMuffin-meisje bij de McDonald’s bleek trouwens een heao-student met haast en trek. Ze at eigenlijk nooit fastfood, zei ze. Nou ja, één keer per week of zo. Maar die avond schoof ze gewoon weer bij haar moeder aan. Rijst met groente.

Martine Kamsma schrijft over voeding.