Tjarko van der Pol

Interview

Fokken konijnen echt als konijnen?

Durf te vragen Konijnen staan symbool voor seksuele bedrijvigheid. Is hun voortplantingssnelheid echt bij de konijnen af?

Op de Poolse televisie was eind 2017 een bijzonder reclamespotje te zien. Daarin knagen konijnen in een grazig Teletubbielandschap aan enorme wortels, en liggen ze languit te luieren in de zon. Te midden van die idylle kijken een jonge man en vrouw elkaar diep in de ogen. Op het eind schiet vanachter een heuvel opeens een man in overhemd met rode stropdas tevoorschijn, en maant de kijker aan om het voorbeeld van de konijnen te volgen. Niet wat betreft die wortelconsumptie, maar wat betreft dat ándere waar konijnen zo goed in zijn: zich voortplanten. Het tv-spotje was een poging van het Poolse ministerie van Volksgezondheid om het lage geboortecijfer in het land op te krikken.

Het konijn staat ook buiten Polen symbool voor seksuele bedrijvigheid: to breed like rabbits, zeggen de Britten. Paus Franciscus verkondigde in 2015 dat katholieken geen kinderen hoeven te krijgen als konijnen (fare figli come conigli). De Duitsers gebruiken de minder salonfähige uitdrukking ficken wie Kaninchen. Is de voortplantingssnelheid van konijnen echt bij de konijnen af?

Bosmuis, eekhoorn en vos

Het aantal nakomelingen per keer valt mee: de Zoogdiervereniging meldt dat een moer (een vrouwtjeskonijn) per keer drie tot zeven jongen krijgt, met uitschieters naar negen. Dat is aan de hoge kant, maar niet abnormaal: veel andere kleine zoogdieren – zoals de bosmuis en de eekhoorn, en ook de vos – hebben eveneens een gemiddelde worpgrootte van vijf nakomelingen.

In Nederland loopt het voortplantingsseizoen van konijnen pakweg van februari tot juli, waarin een moer twee of drie keer werpt. Die frequentie is niet uitzonderlijk, maar gecombineerd met het aantal nakomelingen per worp kan de hoeveelheid konijnen snel oplopen. Hoeveel worpen er plaatsvinden, hangt ook van het klimaat af, blijkt uit het boek Wilde Konijnen van bioloog Marijke Drees. Na een strenge winter worden de eerste jongen later geboren, en in Zuid-Europa kennen konijnen een langer voortplantingsseizoen dan in Noord-Europa.

Tamme ‘binnenkonijnen’ kunnen zich het hele jaar voortplanten, zegt voortplantingsbioloog Bart Gadella van de Universiteit Utrecht. „De vrouwtjes zijn maar 31 dagen drachtig, dus ze kunnen met gemak vijf of zes keer per jaar bevrucht worden.” Wat ook meespeelt is de hoge paringsbereidheid, zegt hij. „Vooral bij binnenkonijnen zie je dat ze het erg vaak met elkaar doen. Dat heeft ermee te maken dat tijdens de dekking de eisprong wordt gestimuleerd. Zowel voor de fysieke daad als door een stof in het zaadvocht komt die eisprong op gang.”

Wiskundig vraagstuk

De Italiaanse wiskundige Leonardo van Pisa, beter bekend als Fibonacci (1170-1250), nam konijnen zelfs als voorbeeld voor een beroemd wiskundig vraagstuk. In 1202 stelde hij in zijn Liber abaci de vraag: „Als een konijnenpaar elke maand een jong konijnenpaar voortbrengt, dat na twee maanden zelf ook weer een nieuw konijnenpaar voortbrengt, hoeveel konijnenparen heb je dan na verloop van tijd, ervan uitgaand dat ze allemaal in leven blijven?”

Het antwoord is de beroemde fibonaccireeks, waarin elke term de som is van de twee voorafgaande termen. Ofwel: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144… Fibonacci droeg met zijn vraagstuk vermoedelijk bij aan het wellustige imago van de soort, maar biologisch gezien gaat de regel niet op. Er gaan immers altijd konijnen dood in de natuur, en niet elk konijnenpaar brengt elke maand twee nieuwe jongen voort.

Sterker: het dominante mannetje binnen een groep krijgt veel meer nakomelingen dan andere mannetjes. Konijnen leven in groepen van zo’n 2-3 mannetjes en 3-4 vrouwtjes, schrijft Drees. „Het dominante vrouwtje heeft het meest succes bij de voortplanting en is agressief jegens andere vrouwtjes. Lager geplaatste moeren beginnen later in het seizoen met hun eerste worpen.”

Dicht op elkaar leven

In een dichte konijnenpopulatie zullen processen optreden die de groei afremmen, schrijft Drees. „De jonge, niet-dominante vrouwtjes krijgen minder jongen, mannetjes sterven eerder door de verhoogde agressie, alle dieren lopen meer parasieten op en de juvenielen worden gemakkelijker gepakt door roofdieren.”

Tegelijk zijn er voordelen: als konijnen dicht op elkaar leven, ontstaat sneller immuniteit tegen konijnenziekten en blijft het gras kort (en daardoor beter verteerbaar). Er vallen wel veel dieren ten prooi aan vossen en hermelijnen, maar dit doomed surplus heeft géén invloed op het konijnenaantal, want de overlevingskans van de rest wordt er juist door verhoogd: er zijn meer holen en voedsel beschikbaar.

Dat konijnenaantallen soms toch snel kelderen, komt door ziektes: in de jaren 80 zorgde het myxomatosevirus voor blinde en dove konijnen, die uiteindelijk het loodje legden. In de jaren 90 kwam het viraal haemorrhagisch syndroom (vhs) op: binnen een paar dagen sterft een besmet konijn aan inwendige bloedingen. Maar afgezien van die virale ziektes is er weinig wat een rem zet op grote konijnenpopulaties.

Verwoest door konijnen

Soms tieren konijnen naar smaak van de mens té welig: in Australië bijvoorbeeld. Begin twintigste eeuw is in Australië een duizenden kilometers lange rabbit proof fence aangelegd, omdat het aantal dieren in enkele decennia enorm uit de hand was gelopen en vruchtbaar landbouwgebied werd verwoest.

Nog altijd worstelen landen met konijnenaantallen, en de invloed daarvan op landbouwgrond: in Nieuw-Zeeland werd in 2018 een Zuid-Koreaans virus geïntroduceerd dat de populatie binnen de perken moet houden. Toch moet het aantal konijnen niet té laag worden, schrijft Drees: „Vreemd genoeg profiteren konijnen er niet van als ze met weinig zijn. Er zijn dan vooral nadelen, waardoor de populatie zich niet gemakkelijk herstelt: de holenstelsels zakken in, de vegetatie wordt te hoog waardoor de kwaliteit van het voedsel slecht is en de vos remt de toename van de populatie omdat het konijn zijn favoriete prooi blijft.”