Globalisering lijkt op haar retour

Economische toekomst De wereldeconomie heeft een fantastische periode achter de rug. Maar het komende decennium zal worden bepaald door afnemende globalisering.

Illustratie Sjoerd van Leeuwen

De eurocrisis, het opkopen van staatsleningen door centrale banken, Apple dat 1.000 miljard waard is op de beurs, negatieve rentes, een door Amerika ontketende handelsoorlog. Het afgelopen decennium voltrok zich dag na dag, jaar na jaar, met allerlei opmerkelijke economische hoogte- en dieptepunten – maar het ging evengoed in een vingerknip voorbij.

Intervallen van tien jaar maken duidelijk hoe verrassend pieken dalen kunnen uitpakken. Had iemand zich in 1970 kunnen voorstellen dat er tien jaar later niet alleen een eerste oliecrisis was geweest, maar dat een tweede aan de gang was, met de zwaarste recessie sinds de jaren dertig? Dat de economie stagneerde terwijl de inflatie steil opliep? Dat was in 1970 voor veel economen een onvoorstelbare combinatie.

In 1980 was het ondenkbaar dat tien jaar later, in 1990, het IJzeren Gordijn verdwenen was, na een decennium waarin zakendoen ongekend populair werd en hebzucht tot een deugd verheven was. Het liberale kapitalisme had opeens geen tegenstanders van betekenis meer.

Nóg een keer fast forward, nu naar 2000. Niet alleen was er plots internet en mobiele telefonie voor iedereen, maar ook stond de dotcom-zeepbel op knappen: de grootste beurskrach sinds die van 1929. En wéér tien jaar verder had de Lehman-crisis tot een recessie geleid waarbij die van begin jaren tachtig verbleekte. Het ‘nieuwe normaal’ werd aangekondigd, waarbij de economische groei én de inflatie voorlopig zeer laag zouden blijven.

En nu, een decennium verder, liggen de zaken wéér anders. Aan de vooravond van 2020 maken de Verenigde Staten hun langste periode van economische groei door sinds de statistieken worden bijgehouden. En is het presidentschap in handen van een New Yorkse celebrity-projectontwikkelaar zonder politieke ervaring, die over een breed front handelsoorlogen voert met vriend (de EU) en vijand (China).

In grote delen van de westerse wereld hebben bedrijven, overheden en burgers nu te maken met negatieve rentes: tien jaar geleden een volstrekt ondenkbaar verschijnsel. En dat nadat centrale banken met grootscheepse aankopen van staatsleningen en bedrijfsleningen hun gewicht in de economie al hadden verviervoudigd. En, oh ja, op de valreep stapt het Verenigd Koninkrijk uit de EU.

Twijfel aan kapitalisme

De intervallen van tien jaar laten zien hoe lastig het is om, aan de vooravond van de jaren twintig, een decennium vooruit te kijken. Toch is er houvast. Voor wat het waard is: de komende tien jaar komen drie ontwikkelingen samen die al geruime tijd spelen. Dit zijn de opkomst van China, de twijfels aan het kapitalisme zoals we dat nu kennen, en het einde van wat de Grote Moderatie is genoemd. Dat laatste is het tijdperk sinds begin jaren tachtig, waarin de inflatie door tal van oorzaken telkens lager werd, tot op het negatieve af.

Om met China te beginnen: calamiteiten daargelaten mag worden verwacht dat de Chinese economie over tien jaar even groot is als de Amerikaanse, of misschien al iets groter. Mocht de economische groei in China 6 procent per jaar bedragen en die in de VS 2, dan is het precies in 2030 zover. Maar groeivoeten kunnen anders uitpakken. De VS kunnen harder gaan dan verwacht, of China juist langzamer. En een tussentijdse crisis is nooit uitgesloten.

Met de Chinese opmars wordt in wezen een ‘vanzelfsprekende’ orde rechtgezet. Totdat het Westen aan zijn ontdekkings-, kolonisatie- en industrialisatiegolf begon, behoorden China en India tot de machtigste economische blokken in de wereld. Dat is logisch: in een wereld waarin de inkomens weer overal min of meer vergelijkbaar zijn, bepaalt inwonertal de economische macht. Nu de wereldeconomie in snel tempo convergeert, is ook dit proces in volle gang. Niet overal gaat dat even snel: China zal er korter over doen dan India, dat meer inwoners heeft, maar een inkomen per hoofd dat slechts een vijfde is van het Chinese. Het kastenstelsel blijkt hardnekkig en hindert de sociale mobiliteit die de economie extra dynamiek geeft.

Wat doet dat met de wereldeconomie? Een van de interessantste boeken van het afgelopen jaar is The Rise of the Civilizational State van Christopher Coker, hoogleraar aan de London School of Economics and Political Science. Hij beschrijft hierin dat de natiestaat, het negentiende-eeuwse concept waarin bevolking en staat samenvallen, langzaam verandert in de ‘beschavingsstaat’. Natiestaten bewogen zich tot nu toe in een wereld waarin de meeste normen, waarden en begrippen waren gedefinieerd door het Westen. Maar naarmate de emancipatie van landen als China en India vordert, verbleken ook de universele waarden die vanuit het Westen aan de rest zijn opgelegd.

Om het economisch te houden: een voorbeeld is de Chinese combinatie van het kapitalisme met een eenpartijstaat. Die werd lange tijd onhoudbaar geacht, maar is buitengewoon bestendig gebleken. Het idee dat kapitalisme en democratie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en elkaar zelfs voortbrengen, blijkt niet zo universeel als gedacht. En er zijn veel meer potentiële verschillen. De nadruk op het individu, met zijn of haar bijkomende rechten. Eigenbelang of opoffering als motor voor de welvaart. De voorkeur voor het contract als anker van een transactie, in plaats van een door langdurige verbanden gemaakte afspraak. Het westerse concept van corruptie. En ga zo maar door.

Elk blok, redeneert Coker, definieert zijn eigen beschaving als contrapunt tegenover de afnemende invloed van het Westen. Of die eigen beschaving nu, net als de natiestaat van destijds, voor een deel gefabriceerd is of niet.

Intussen is ook het Westen zichzelf aan het herdefiniëren als beschaving. Van het steeds vaker aangehaalde ‘joods-christelijk’ tot, om een recente te noemen, ‘boreaal’. Of, in de Amerikaanse traditie, van een land waarin trots op de individuele zelfredzaamheid prevaleert.

Rusland, waaraan Coker veel aandacht besteedt, definieert zich onder president Poetin als een geheel ander beschavingsconcept dan de rest van Europa. India wordt onder president Modi steeds meer een puur hindoeïstische staat. En ook de gedeelde Atlantische waarden staan onder druk. De recente Europese twijfel aan het huidige harde, Amerikaanse, kapitalisme is voor een deel ook een hang naar het eigen Rijnlandse model, waarin arbeid en kapitaal meer samenwerken.

Ieder zijn eigen variant, dus. Het laat zich raden dat China zich, in zo’n wereld, niets aantrekt van het westerse volkenrecht om in de Zuid-Chinese zee territorium te claimen dat het land in eigen ogen toebehoort. Zeker als dit een essentieel onderdeel is van de Chinese beschaving. Het laat zich raden dat mensenrechten niet zo universeel worden geïnterpreteerd als nu. Of dat westerse bedrijven zich feller beginnen te verzetten tegen het anticorruptiebeleid bij hun buitenlandse activiteiten.

Wankele wereldorde

Dat belooft allemaal weinig goeds voor de wereldeconomie. Dat internationale handel nu lijdt onder de rivaliteit tussen de oude macht Amerika en de nieuwe macht China is al erg genoeg. Maar wat als er steeds minder universele regels overblijven waaraan iedereen zich houdt? En als de heersende supermacht Amerika zich langzaam terugtrekt uit de internationale wereldorde die het zelf na de oorlog heeft geschapen? De Wereldhandelsorganisatie, die geschillen beslecht volgens algemeen aanvaarde regels, wankelt al.

Globalisering lijkt op haar retour, en verwacht mag worden dat dit proces de volgende tien jaar doorgaat. In een wereld waarin handel lastiger wordt, keert de industrie terug naar een plek zo dicht mogelijk bij de afzetmarkt. Naar huis, dus: productieketens worden korter. En aangezien de aanvoer van goederen, halffabrikaten en grondstoffen onzekerder wordt, is een grotere hang naar autarkie niet uit te sluiten.

De wereldeconomie heeft een fantastische tijd achter de rug. In het Westen kenmerkten de afgelopen decennia zich, de Lehman-crisis daargelaten, door relatief hoge economische groei en een steeds gematigder inflatie. Want handel maakt welvarend: de productie kwam daar terecht waar hij het best kon plaatsvinden. Tegen steeds vriendelijker prijzen. Zeker omdat de reus China toetrad tot de wereldeconomie.

De Grote Moderatie, zoals dit proces sinds begin jaren tachtig is genoemd, was goed voor vrijwel iedereen. Maar wat gebeurt er als de globalisering de komende tien jaar in z’n achteruit wordt gezet? Logischerwijs zou mogen worden verwacht dat dit ten koste gaat van de welvaartsgroei, terwijl het gevaar bestaat dat de prijzen harder stijgen dan waaraan we gewend zijn geraakt. En dan is de stagflatie uit de jaren zeventig – economische stagnatie bij oplopende inflatie – terug van weggeweest.

Dat is moeilijk voorstelbaar in een tijd dat centrale banken bezig zijn met lage rentes en andere paardenmiddelen om de te lage inflatie juist omhóóg te krijgen. Maar het kan snel omslaan. Via oplopende invoerprijzen stijgt de inflatie, en hoe langer dit proces doorgaat, hoe eerder de verwachting van hogere inflatie wordt verankerd in de psyche van consument en ondernemer. En hoe hardnekkiger zij wordt.

Het is, net als in de jaren zeventig, de vraag hoe beleidsmakers hiermee omgaan. Aan de ene kant moet de tegenvallende economie worden gestimuleerd met extra uitgaven en lange rentes. Anderzijds moet de inflatie worden getemd met hogere rentes en lagere uitgaven. Je kunt niet tegelijk op het gaspedaal en de rem trappen.

Vandaar dat er niet alleen politiek, maar ook economisch, veel afhangt van het openhouden van de grenzen. Niet uit naïviteit, maar uit collectief zelfbehoud. Want niet alleen het klimaat, ook de welvaart zelf is gebaat bij blijvende samenwerking, net nu de geopolitieke scheuren dieper dreigen te worden. En dat vergt een gemeenschappelijke beschaving die iederéén zal moeten opbrengen.