Recensie

Recensie Boeken

Dit is het geilste oeuvre uit de Nederlandstalige poëzie

B. Zwaal Met zijn bloemrijke vocabulaire vol dubbelzinnigheden maakt dichter B. Zwaal de erotiek springlevend. Zijn verzameld werk toont het geilste oeuvre uit de Nederlandstalige poëzie.

Illustratie: Paul van der Steen

Voordat dit decennium voorbij is, besteed ik graag nog aandacht aan zeesnede, het vuistdikke verzameld werk van B. Zwaal (1944) dat eerder dit jaar verscheen. Zo’n vijfhonderd bladzijden omvat het. Dat suggereert een omvangrijk oeuvre en dat is het ook, al zijn Zwaals gedichten kort. In uitzonderlijke gevallen, vooral in zijn vroege werk, overspoelen ze meer dan één pagina. Doorgaans volstaat de dichter met een aantal regels. Die moeten het evenmin van hun lengte hebben.

Zwaals tweede bundel, bos in ’t rot (1986), begint met zulke summiere fragmenten: ‘adem sluipt door het bekken / ontwaak / dutbot / sluimerspier’. Ik citeer de vier gedichten die hierop volgen: ‘vrucht ketste / steen / boom barstte’; ‘schemervlier / verberg het pad / schreeuw’; ‘wind op zee / wakkert land aan’; ‘pier / rotst zich / uit de beuk der golven’. Van een erotisch tafereel verschuift het perspectief hier naar een kustlijn die de erotische spanning opvoert. De natuur – gevat in de woelige baren van de zee, maar ook in het drassige laagland – ligt in Zwaals poëzie altijd dicht bij de erotiek: ‘de aarde was in negligé gehuld / aan haar besteedde de ochtend al zijn zaad / heb je veel, fluisterde zij’.

Tepelpret

Ergens nabij Rotterdam bevinden we ons in de eerste gedichten van de recente bundel oever drinkt oever (2013), getuige de talloze verwijzingen naar de Maasdelta. Het openingsgedicht, een van mijn favorieten, bestaat uit slechts twee woorden: ‘tij / grijst’. In de derde afdeling kleurt hij het landschap verder in:

boeren beglijden hun wegen

pluimblauw blaast suikerbiet

spruwt tepelpret over de daken

Net als de boeren ligt de dichter, vaak verstrengeld met zijn geliefde, verankerd of verzonken in het Nederlandse, of beter gezegd: Hollandse, landschap. Ik zei dat natuur en erotiek dicht bij elkaar liggen, maar ik moet dat herformuleren: natuur en erotiek zijn in zijn mannelijke blik altijd gelijktijdig aanwezig. Het een bestaat in dit oeuvre niet zonder het ander. Tepelpret is niet alleen voor de mens, getuige dit vers uit een drifter (2004):

een reinet bloost zeeuws een reisstok ranonkelt de krombonige aarde ejaculeert in het zeel grond stuitert druppels ververst mens heelal

Dat natuur en erotiek elkaar impliceren komt onder meer door de dubbelzinnige taal in zeesnede. In zijn nawoord benadrukt Jan Kuijper dat die dubbelzinnigheid niet incidenteel is, maar structureel, zodat je ‘in hele teksten of tekstgedeelten doorgevoerde parallelle werelden’ aantreft. Zwaal heeft uit het arsenaal van Nederlandse woorden een bloemrijk vocabulaire van dubbelzinnigheden samengesteld: ‘voegzaam betast / de borsten als droeve vazen / beduimeld de dorstige wieren / opschuddend de melkbloem’.

Schaambot

Wanneer het Nederlands tekortschiet, verrijkt hij zijn eigen taal (en zodoende het Nederlands zelf) met neologismen. Welke woorden van verrukking ik wel niet tegengekomen ben om de erotiek springlevend te maken. Hierboven heette het al dutbot of sluimerspier: in dwang parasang (1990) is het ‘vrijdij’, in zee bestookt (1999) ‘vulvatische streken’, in oever drinkt oever (2013) ‘schaambot’ en ‘het benat zeikdal’ uit zouttong (2008) komt eveneens in aanmerking.

Toch blijft, ondanks de regelrechte geile lading van deze woorden, het mysterie van de erotiek intact. De scènes, de handelingen en het stromende verlangen komen nooit helemaal scherp in beeld.

deuk in mij de passie nachtelijk gierende rem

tem ik mijn haren trillen zij buiten de driehoek het speeksel kleurt gevaren

gekrompen élégance is mij fijn de boothals slaglijn

de nagels van mijn rivale slaan huls om hals hermetisch toe

vrij de bloedgeul ontbloot mijn schaamte

Je moet het doen met een aantal aanwijzingen, net zoals zijn tekening van het weidse landschap: ‘het land / haar lijf’. Daarin sijpelt het mysterieuze evengoed door: ‘de zee beneemt mij het uitzicht’.

Drankgedrag

Het is, als ik op Jan Kuijper afga, Zwaal soms aangerekend dat zijn gedichten en bundels weinig van elkaar verschillen, dat er weinig ontwikkeling in zit. Na vijfhonderd pagina’s Zwaalse eigenheid weet ik dat het met het verloop in deze poëzie wel goed zit, omdat dat niet lineair is, maar cyclisch als het getij.

Aan het begin van een bundel is Zwaal vaak spaarzaam en sober, maar gaandeweg komt de vloed op: ‘de zee zwemt genadiglijk op’, zoals het in oever drinkt oever heet. De gedichten worden niet alleen langer, ook bruisen ze van beweging, lust en dynamiek. In een aantal gevallen zijn ze zelfs vrij concrete vertellingen of lyrische taferelen: ‘de maatbeker doet afbreuk aan het drankgedrag / zo morst de overdaad zich niet makkelijk uit / en weet de drankziel maar zuinig / het drankhart te raken / wens uzelve een slok / sluit daarop aan met een tweede / en slik’.

Zoals het water zich uiteindelijk altijd weer terugtrekt, zo doet Zwaal dat ook. Ik heb het nog steeds over oever drinkt oever. Het slotgedicht eindigt met ‘oever drinkt oever’, woorden die ik ook al in het zevende gedicht was tegengekomen. Maar eb is niet altijd het slotakkoord: soms eindigt hij met springvloed, zoals in bos in ’t rot dat besluit met een gedicht dat tweeënhalve (!) pagina beslaat.

Hitsige interactie

Nooit spoelt hetzelfde water opnieuw aan: het tij grijst elke keer net iets anders. Nooit biedt het land dezelfde aanblik: een duin is een dag later weer verwaaid of verder geërodeerd. Deze logica zie ik terug in Zwaals poëzie. De hitsige interactie tussen de dichter en zijn geliefde wordt telkens opnieuw aangevangen en altijd even dramatisch voltooid.

geknield in het zand was zij warm, en spoot loog. ik klemde mij vast aan het water en was weelde. ik sloeg uit de golven mijn tasten en beurtelings was ik het gekroonde, de toppret. het gelukte mij wel aan marmer te denken, veelkantig kuste ik haar hekken van benen.

Dezelfde woorden, vergezichten, beelden en hoogtepunten keren in andere gedichten en bundels terug. In zee bestookt (1999) lees ik: ‘zee bestookt // het hemelschreien’. De bundel vers vee (2004), een even schitterende titel, opent met dit gedicht: ‘diep / in / de / zon // zee / bestookt // zeesnede’. Dat neologisme is tevens het laatste woord van de niet eerder verschenen bundel averij grosse waarmee zeesnede besluit. Zwaal laat ermee zien na vijfendertig jaar nog even beweeglijke als secure, nog even blozende als lieflijke gedichten te schrijven; bij elkaar het geilste oeuvre uit de Nederlandstalige poëzie: ‘het dorst in de heupen // pers zon uit / prijk perelaar zoet // zie toe dat gij valle’.