Recensie

Recensie Boeken

Hoe te ontsnappen aan een Twitterstorm

Jens Christian Grøndahl Zijn nieuwe roman gaat over zijn vertrouwde thema: het onvermogen om je naaste écht te kennen, ook al denk je van wel. Deze keer speelt ook #metoo een rol.

David Alan Harvey/Magnum Photo's/HH

Jens Christian Grøndahl (1959) is er een meester in: je slaat een van zijn boeken open en het is alsof je een vertrouwd vakantiehuis binnenstapt. De gordijnen zijn behaaglijk dicht, de haard is aan, glaasje wijn bij de hand. Maar je bent nog geen twintig bladzijden verder of het dak gaat lekken, je bed blijkt tien centimeter te kort en je hoort verdachte voetstappen rond het huis. Je gaat je oncomfortabel voelen, onrustig, er begint iets te jeuken en te steken.

Op de eerste pagina’s van Grøndahls nieuw vertaalde roman De storm begint het meteen al te tochten. Een man en een vrouw voeren een gesprek, aan het ontbijt. Achtentwintig jaar zijn ze samen, ‘leeftijd is niets anders dan een zichtbaar worden, een duidelijk maken met wie je te maken hebt’.

Uit de conversatie begrijp je een paar dingen: de vrouw gaat weg, een vader heeft zijn dochter niet herkend, er moet een makelaar gebeld, iemand stopt met werken terwijl dat niet zo’n goed idee is, een vrouw heeft nog één kans zwanger te worden en een schrijver is niet aan het schrijven.

Langzaam ontvouwt de situatie zich: de vrouw die aan het ontbijt zit, Harriët, heeft besloten bij haar dementerende vader te gaan wonen om voor hem te zorgen. Haar man Adam, de verteller, een schrijver met een writer’s block, moet op zoek naar zijn verslaafde dochter met wie hij al jaren geen contact meer heeft. Hun zoon zoekt de redding van zijn huwelijk in een zwangerschap.

Indirecte zelfverdediging

Het zijn allemaal inleidende manoeuvres en omtrekkende bewegingen om uit te komen bij de paar thema’s waarvan de hele roman doortrokken is. Tegen de tijd dat die echt gaan opspelen heeft Grøndahl ze vakkundig ingebed in een netwerk van menselijke relaties. Dat je de ander niet kent, niet écht, ook al denk je van wel, illustreerde Grøndahl al in eerdere romans. Extra pijnlijk is het als je je moet realiseren dat dat net zo goed geldt voor je eigen kinderen. Adam verloor zijn dochter, uit een eerder huwelijk, uit het oog. Hij herinnert zich het moment waarop ze hem een handtekening vroeg om model te kunnen worden: ‘ik geloof wat mijn kinderen tegen me zeggen, ik weet dat het naïef is’. Hij herinnert zich hoe ze ondanks zijn protest tóch van school ging en hoe hun contact verwaterde. Hoe die ‘fucking afstand’ groter en groter werd. ‘Je weet zo weinig van je kinderen’, denkt Adam, ‘nog minder dan zij van hun ouders weten’. Met zijn zoon heeft Adam ook een lauwe relatie, die trok van kinds af aan meer naar zijn moeder. Dat doet pijn, ‘niemand praat over de banaliteit van het onvermijdelijke. Of de onvermijdelijkheid van de banaliteit. Daar zou je wel over moeten praten.’

Zoals in al Grøndahls romans waait ook het heden naar binnen: een #metoo-affaire. Zelf deed de Deense schrijver een onhandige uitspraak in de zaak van de dood van de Zweedse journaliste Kim Wall („dit is een meisje dat vraagt om problemen”) op de onderzeeër van de Deense uitvinder Peter Madsen, die inmiddels voor de moord op haar is veroordeeld. In het boek is daar een duidelijke echo van terug te vinden, je zou het zelfs als indirecte zelfverdediging kunnen lezen.

In De storm neemt de verteller ruim de tijd om het milieu te schetsen waarin de #metoo-affaire plaatsvindt (de boekenwereld en uitgeverij) alsmede de betrokkenen (een prachtige, provocerende schrijfster en haar flirtende, ervaren uitgever). Hij gaat terug naar de vrije jaren zestig, toen ‘je iedereen kuste’, toen in de ‘hippiewereld’ gold dat ‘seks regeert’, toen ‘de autoriteit van de lust’ door iedereen werd erkend. Andere tijden. Tegenwoordig ‘incrimineerde je jezelf, nog voordat iemand op het idee kwam je aan te klagen’.

Veel situaties tussen man en vrouw zijn niet eenduidig, laat Grøndahl zien – gedetailleerd en genuanceerd, zonder stelling te nemen. Hoe een zinnetje te interpreteren? Wat moest je als man met een vrouw die ‘haar stralen op [je] neer laat schijnen als één grote uitnodiging om mee te doen aan het feest dat zij was’?

De codes zijn veranderd: uitspraken, houdingen betekenen inmiddels iets anders. Zelfs Adam, die erom bekend staat dat hij zich zo goed in vrouwen kan verplaatsen, weet niet meer hoe hij zich moet gedragen. Zelfs hij, die zichzelf niets te verwijten heeft, voelt zich schuldig en onzeker – het is mannelijke verwarring alom.

Terreur tegen vrouwen

Maar als lezer vraag je je toch af of Adam, de sympathieke schrijver met een writer’s block, die twijfelaar, überhaupt enig idee heeft van het karakter van machtige mannen die vrouwen door hun positie kunnen terroriseren en misbruiken. Is hij nu echt zo naïef?

Ja dus: op een borrel laat hij zich een gedachte ontvallen die hij beter voor zich had kunnen houden. Zijn uitspraak wordt, verdraaid, op Twitter gezet. Terwijl de storm buiten toeneemt en hij in de auto stapt om zijn dochter op te halen, steekt er een andere, onzichtbare, maar des te agressievere storm op, een Twitterstorm, op hemzelf gericht. Hij duikt onder, verbijsterd over de manipulatie, over de heftige reacties.

Adam reageert met het enige middel waarover hij beschikt: hij schrijft een boek. Dat is wat hij kan: ‘je zo sterk op iets concentreren, in iets opgaan dat je jezelf vergeet, dát is de omschrijving van mijn werk’.

Maar is het genoeg? Zet het zoden aan de dijk? Wat vermag de literatuur in een wereld die geregeerd wordt door menselijke kwaadaardigheid die zich vrijelijk uit via de sociale media? ‘De vraag is of je de fictie fictie wilt laten zijn’, schrijft de verteller dan ook, ‘met een storm [...] wordt alles behekst. Er zullen mensen zijn die gaan rondneuzen in het overige doen en laten van de schrijver in plaats van zijn boek te lezen. Het zijn slechte tijden voor verhalend proza’.

Juist niet, denk je als lezer: alleen fictie kan op zo’n manier de werkelijkheid onderzoeken. Het is precies waarom literatuur bestaat.