Recensie

Recensie Boeken

De arme familie die in de natuur als ‘oerbritten’ leeft

Sarah Moss Re-enactors doen de IJzertijd na: ‘oerbritten’, volgens de vader van hoofdpersoon Silvie, die een hekel heeft aan buitenlanders.

Er wordt een meisje geofferd. Naakt wordt ze naar een veenpoel gevoerd. Weldra zal ze een zetje krijgen en in het veen wegzinken. Maar vooralsnog staat ze aan de rand, ‘in de tijd en ruimte tussen leven en dood, te laat om terug te keren naar de levenden maar ook nog geen tijd, nog niet – dat zal nog even duren – om volledig dood te zijn’. Het is de onheilspellende proloog van Geestgrond, die de hele novelle blijft doorwerken. Want beschrijft Moss een mensenoffer uit de IJzertijd, of staat dit een van de (hedendaagse) personages te wachten?

De 17-jarige Silvie, haar ouders, een archeologie-professor en drie studenten brengen een zomer door in een veengebied aan de Engelse noord-oostkust. Gekleed in schurende, jeukende tunieken leven ze van wat ze in de natuur aan eetbaars kunnen vinden. Het doel: ‘de leefgewoonten van de premoderne jager-verzamelaars herontdekken’. Silvies vader, die er een obsessieve interesse voor de IJzertijd op nahoudt, ziet in de jager-verzamelaars vertegenwoordigers van ‘zijn eigen voorgeschiedenis, zijn eigen stamboom’. Deze ‘oerbritten’ lieten zich niet intimideren: ze bouwden een muur om de Romeinen tegen te houden. Precies het oorsprongsverhaal waar hij behoefte aan heeft, nu al die ‘buitenlanders hiernaartoe komen en ons vertellen wat we moeten denken’.

Zijn argwaan doet denken aan het sentiment dat de Britten massaal voor een Brexit deed stemmen. Schrijfster Sarah Moss (zelf Schots) lijkt die argwaan als een vorm van projectie te beschouwen. Silvie en haar ouders – hij buschauffeur, zij caissière – behoren tot een lagere sociale klasse dan de andere re-enactors. Dat Silvies vader een hekel heeft aan buitenlanders komt, zo lijkt Moss te willen betogen, doordat hij zijn frustraties over die sociale achterstelling op andere minderheidsgroepen projecteert. Niet alleen buitenlanders komen er bij hem bekaaid vanaf, ook vrouwen, met name zijn echtgenote en zijn dochter, moeten het ontgelden.

Afrossen met een riem

Hier wordt de novelle in mijn ogen wat problematisch. Het onrecht dat Silvies vader begaat wordt in grove streken opgezet: als hij mensen met een donkerder huidskleur ‘negers’ noemt, doet deze man een concessie, want ‘hij gebruikte zelf liever een nog beledigender term’. Zijn vrouw krijgt tikken en beschimpingen te verduren. Zijn dochter rost hij af met zijn ‘IJzertijdriem’, bloedende striemen achterlatend op haar huid. Het is veel. Zeker in het korte bestek van een novelle. De tragiek van dit in zijn eer aangetaste personage valt in het niet bij zijn onverdedigbare gedrag.

Door de parabelachtige kwaliteit van het verhaal (deze personages ‘staan ergens voor’) ontstaat de ongelukkige indruk dat Moss (1975) een direct causaal verband veronderstelt tussen armoede, racisme, misogynie en huiselijk geweld. Dat lijkt me een oversimplificering: ik ervoer het als beledigend dat een personage dat zich zo misdraagt fungeerde als vertegenwoordiger van de armere, witte middenklasse.

Overtuigender was de novelle wellicht geweest wanneer Moss zich tot de gezinssituatie had beperkt. Tijdens de afranselingen dissocieert Silvie; ze is er en ze is er niet, bevindt zich ‘in de tijd en ruimte tussen leven en dood’. Mooi, hoe de proloog daarin weerklinkt. Ook sterk, en tragisch: hoe Silvie zich beschouwt als haar vaders ‘offer’; zijn geweld als een bewijs van zijn liefde. Daar had ik graag meer over gelezen: over hoe de definitie van ‘liefde’ verdraaid raakt in de ogen van een mishandeld kind. Moss gunt het amper ruimte. Haar ambitie om in Geestgrond vrijwel alle sociale misstanden aan de kaak te stellen, doet uiteindelijk geen van haar thema’s recht.