Recensie

Recensie

Negentien boeken om deze winter te lezen

Boek van het jaar

Negentien Nederlandstalige schrijvers, onder wie Roxane van Iperen, Bart Van Loo en Peter Buwalda, vertellen over het boek dat in 2019 de meeste indruk op hen maakte.
Illustratie Nanne Meulendijks

Over een halve eeuw zullen historici 2019 mogelijk omschrijven als een van de meest chaotische jaren uit de moderne geschiedenis. Zo startten in de VS de Democraten in 2019 een impeachmentprocedure tegen president Trump en behaalde de Britse premier Boris Johnson een overwinning in de Lagerhuis-verkiezingen, waarna hij een brede parlementaire goedkeuring verwierf voor zijn Brexit-plannen. Ook bereikte de #MeToo-beweging in 2019 een vervolg met het seksschandaal rondom Jeffrey Epstein en de Britse prins Andrew. Maar 2019 was ook het jaar van het verder oplopende diversiteits- en inclusiviteitsdebat, van de mislukte klimaattop in Madrid, van het stikstofprotest van de Nederlandse boeren, van de aanhoudende protesten in Hongkong tegen het Chinese gezag, van oproer in Zuid-Amerika, van de moord op de Amsterdamse advocaat Derk Wiersum en de arrestatie van Ridouan Taghi.

Om dat bewogen jaar te markeren vroegen we negentien schrijvers naar een bijzonder boek dat ze in 2019 hebben gelezen. Het leverde verrassende visies op.

Michel Krielaars, chef Boeken

p.s. Wilt u in 2020 op de hoogte blijven van de beste nieuwe boeken? Schrijft u zich dan in voor onze wekelijkse Boekennieuwsbrief.

1. Gideon Samson over Derk Visser: Drama Queen

Dit was het jaar van de diversiteit. Het jaar van inclusiviteit. Van kinderboeken met niet-witte hoofdpersonen, met fietsbandplakkende moeders, met kinderen van twee vaders en met Fatima en Jan-Willem die samen een avontuur beleven. Tenminste, daar werd dit jaar harder dan ooit om geroepen.

Ik schijf kinderboeken, en ik heb het er een beetje moeilijk mee. Aan de ene kant juich ik alle variatie van harte toe, aan de andere kant voelt het soms ook zó geforceerd. Ah, denk ik tijdens het lezen dan, daar heb je weer het vriendje dat Mohammed heet, de oom die homo is of de oppas die een hoofddoek draagt. Ze zijn er wel, maar ik geloof niet in ze.

Toch is er hoop, en die hoop heet Derk Visser. Hij schreef Drama Queen, een jeugdboek over een lesbisch meisje met ADHD in een achterstandswijk. Say what?! Maar dat is het ’m nou juist. Visser weet het zo op te schrijven dat het daar helemaal niet over gaat. Niet in de eerste plaats. Drama Queen gaat bovenal over het leven en de liefde. En waar dat leven zich afspeelt en wat voor soort liefde dat is, lijkt meer bijzaak. Visser krijgt dat voor elkaar omdat hij een bijzonder goede schrijver is. Zijn personages gedragen zich waarachtig, zijn oog voor detail is grandioos en zijn dialogen spatten van de bladzijden af. Visser schreef waar dit jaar om gevraagd werd. Drama Queen is divers en inclusief, zonder dat het divers en inclusief wil zijn.

2. Bart van Loo over Géraldine Schwarz: De geheugenlozen

Op een dag ontdekte Géraldine Schwarz dat haar Duitse grootvader in 1938 voordelig een Joods bedrijf kon overnemen. Niet veel later kwam ze te weten dat haar Franse opa als gendarme onder het Vichy-regime diende. Ze vergrootte het perspectief en onderzocht hoe Duitsland en Frankrijk omgingen met het feit dat een groot deel van de eigen bevolking actief of passief de oorlogsgruwelen mede mogelijk had gemaakt. Het blijft onthutsend dat talloze oorlogsmisdadigers nog decennialang een belangrijke rol in de Franse en Duitse politiek hebben gespeeld. Dat Schwarz een historisch onderzoek koppelt aan een autobiografische queeste maakt de eerste helft van haar boek (waar het om Duitsland en Frankrijk draait) onvergetelijk. Als schrijver benijd je haar om het complexe familiale kluwen! Als lezer ben je blij dat je ethische vraagstukken niet met de gecompromitteerde levens van je (groot)ouders moet oplossen. Maar vooral zie je dat je als burger wel degelijk een verschil kunt maken door bijtijds je stem te verheffen. Toen de nazi’s het arische ras van ‘de waardeloze levens’ van gehandicapten wilden zuiveren, reageerde de Duitse bevolking snel. Hitler zwichtte voor de druk en hield er in 1941 tijdelijk mee op. Toen de Joden aan de beurt waren, bleef het protest uit. En dus gingen de nazi’s door. Schwarz toont even helder als meeslepend aan dat je de herinnering kunt inzetten tegen oprukkend populisme.

Lees ook het interview met Géraldine Schwarz: ‘Streven naar consensus kan een excuus voor lafheid zijn’

3. Marian Donner over Herman Melville: Bartleby

‘Liever niet’, dat is wat de klerk Bartleby antwoordt als zijn baas hem iets opdraagt: ‘I would prefer not to.’ Bartleby weigert nog langer zijn bullshit-baan op Wall Street uit te voeren, weigert zich te houden aan de kantoorregels en weigert daarmee de wereld zoals hij is. Hij speelt het spel niet langer mee. Dit jaar gingen meer mensen de straat op dan ooit tevoren. Van Chili tot Frankrijk tot Libanon, van leraren tot boeren, het verzet was overal. En al verschilden de aanleidingen van de protesten, tegelijkertijd doemden telkens dezelfde patronen op. Simpelweg omdat mondiaal hetzelfde neoliberale sociaal-economisch systeem regeert. Vangnetten verdwijnen, de publieke sector raakt uitgehold, in dit systeem staat nu eenmaal de groei van het bedrijfsleven centraal, de winst van aandeelhouders, en worden de kosten afgewenteld op de samenleving.

‘Liever niet’, dat is wat al die demonstranten in feite zeiden. In de meeste gevallen hadden ze geen duidelijke eisen of voorwaarden, geen precies plan hoe het dan wél moet, maar lieten ze een algehele weigering horen: niet op deze manier. Wat doe je met de buitenstaanders, de verliezers en de weigeraars? Uiteindelijk is dat de vraag die Melville stelt. Hij geeft daarop geen antwoord, Bartleby sterft eenzaam en anoniem in de cel, Wall Street wint. Maar nu steeds meer Bartleby’s van zich laten horen, zou je kunnen zeggen: misschien is het tijd voor andere spelregels.

4. Clarice Gargard over Radna Fabias: Habitus

Moeilijk, een boek kiezen dat deze tijdgeest weergeeft. Eén waarin een jaar een eeuwigheid lijkt te duren maar tegelijkertijd een enkele dag kan beslaan. Een tijd van ongemak, maar ook van ongekende schoonheid. Daarbij hebben talloze boeken mij geraakt, zoals Vallen is als vliegen en Wit is ook een kleur. Maar één boek blijft mij bij: het debuut van Radna Fabias. Een dichtbundel om precies te zijn. Deze tijd kenmerkt zich door het grote openbreken. Van o.a. de norm, de taal, van wat het betekent om schrijver of kunstenaar en geëngageerd te zijn. Ook Fabias breekt dingen open. Ze doet je anders kijken naar en voelen over dingen die je dacht te kennen. Haar gedichten zijn zinnelijk en zintuiglijk. Als ze schrijft over het eilandleven is het alsof je de tamarindebomen en ‘huizen in snoepkleuren’ kunt aanraken. Hoewel ze af en toe in herhaling lijkt te vallen, heeft ook dat iets ritmisch. Habitus is in andere werelden thuiskomen en raakt aan actuele thema’s als identiteit, maar blijft verrassen. Bijvoorbeeld de ode aan Nederland, waarin de schrijver de ‘ballotant welkom heet’: ‘de alomtegenwoordigheid van Arnon Grunberg/ het glazen plafond/ het polderen/ de verheerlijking van maakbaarheid/ de norm/ de aanbidding van onhaalbare fysieke schoonheid/ de polemiek/ het postmodernisme/ het ietsisme/ het populisme.’ Fabias schrijft over het grote maar neemt het kleine en alledaagse mee. Een must en troost in deze tijd.

5. Charlotte Van den Broeck over Johka Alharthi: Celestial Bodies

Drink minstens twee glazen water voor het slapengaan om te voorkomen dat de ziel ’s nachts dorst krijgt en het lichaam verlaat. Een studente geneeskunde – ze had beter moeten weten – valt voor een dichter. Haar vader smeekt zijn vader nog elke dag om hem los te maken. Nog steeds is hij twaalf en hangt hij voor straf ondersteboven in de donkere waterput. Een vrouw die ‘Maan’ heet wil een minnaar zijn en geen echtgenote. Een man vraagt of zijn vrouw van hem houdt, ze antwoordt met een lach die het huis doet instorten. Moeders van alle standen krijgen dochters en sturen hen met kisten vol wierook een huwelijk in. Slavernij verweeft zich op een donkere manier met gezinslevens. Celestial Bodies van Johka Alharthi is een complex en intrigerend weefsel van personages en vertellers dat enigszins aan Faulkner doet denken en aan de uitvoerige genealogieën van Garcia Marquez. Verwacht geen lineair verhaal. Stilte en geheugen, twee onbetrouwbare mechanismen, verstoren het narratief, maar het levert een fascinerend boek op over drie generaties vrouwen in Oman van de 20ste eeuw. Ondanks de patriarchale wetten weerstaat het verhaal clichés over gender, liefde en macht. Het raam op een gesloten samenleving op een kier. Bovendien is Alharthi de eerste vrouwelijke auteur uit Oman die in het Engels is vertaald en de eerste vrouwelijke Arabische auteur die de Man Booker International Prize won.

Lees ook: Dit zijn de 125 beste boeken van 2019 (volgens NRC)

6. Roxane van Iperen over Manon Uphoff: Vallen is als vliegen

Als schrijvers welbeschouwd componisten zijn, komt dit boek het dichtst in de buurt van een magistraal concert. In de eerste hoofdstukken waan je je nog veilig toeschouwer, maar bijna terloops slorpt de schrijfster je op en wordt het lezen een zintuiglijke ervaring. Je bevindt je middenin het universum van de beschikkende vader en zijn liefdevolle dochters, waarin voorleesboekjes en een zaadspoor in de ochtendplas gelijke leggers in een doorsnee bestaan vormen. Het rangschikken van het triviale naast het onvoorstelbare vormt een loepzuiver en daarmee angstaanjagend samenspel. Alles is verraderlijk duaal, onvoorspelbaar en mogelijk, de lezer zoekend in een wereld waarin een uit steen gehouwen waarheid de nieuwe deugd lijkt te zijn. Dat is het vakmanschap van Uphoff, die deze partituur al die tijd helder voor ogen had. Alledaagse waanzin, dat vat dit tijdsgewricht goed samen. Grillige politiek die steeds meer gedijt, het wennen aan haat en excessen. Daartegenover een groeiend verzet van vrouwen – nog grotendeels bedolven onder eeuwenlange machtsverhoudingen en zelfonderschatting, maar de eerste breuklijnen worden zichtbaar. De vanzelfsprekendheid van een goede dochter, vrouw, moeder zijn, wordt langzaam ontveld. De vallende zus die met haar uitgemergelde lichaam als een lucifer langs de traptreden vonkt en zo een vuur van woede ontsteekt, is het beeld waarmee ik het nieuwe jaar inluid. Woede die afrekent met verstikkende gewenning. Manon Uphoff schreef geen boek over incest, maar een ode aan de veerkracht van de vrouw.

7. P.F. Thomése over Rachel Cusk: Contouren, Transit en Kudos

Als de literatuur een huis is met vele kamers, dan hoop ik dat er ook kamers zijn waar het raam open kan. Indien we de vakkenvullers van het boekenvak hun gang laten gaan worden alle vensters op de oneindigheid hermetisch dichtgetaped met etiketten als ‘fictie’, ‘non-fictie’, ‘identiteit’, ‘autobiografie’, ‘verbeelding’, ‘werkelijkheid’, waarvan niemand weet wat ze betekenen, maar waarbij iedereen doet alsof hij het begrijpt. In zo’n potdicht huiskamerklimaat kan een schrijver niet meer ademen, laat staan tot leven komen. Ziezo, die open deur staat ook weer open. Entrez! Het boek dat ik wil laten bewonderen, zijn er eigenlijk drie: Outline, Transit en Kudos van Rachel Cusk. Ze behelzen het gefragmenteerde relaas van de gescheiden Fay, maar dat zegt al meteen helemaal niets. Het beste typeer ik de hoofdpersoon als een gat, een leegte – een echoput, waarin alle confidentiële verhalen weergalmen die vrienden, vreemden en voorbijgangers ongevraagd aan haar vertellen. De contouren van de verteller Fay worden gevormd door de persoonlijke verhalen van anderen. Haar ruimte wordt begrensd door wat anderen haar toestaan. Deze passieve Frau ohne Eigenschaften spiegelt haar staat van verwarring aan de verhalen die haar omringen. Het zijn stuk voor stuk exclamaties van verlies, scheiding, afscheid, gemis, afstand, nederlaag, hoe opschepperig ze vaak ook klinken. De vertellers die haar bestoken hebben ieder hun point of no return bereikt. Als een lezer ‘leest’ ze die omringende levens, en daarmee haar eigen leven.

Lees ook het interview met Rachel Cusk: ‘Ik ben mijn gevoel voor humor kwijtgeraakt’

8. Peter Buwalda over Ronan Farrow: Catch and Kill

Het liefst lees ik fictie, maar zo nu en dan glipt er iets waargebeurds tussendoor. In 2019 kwam het indrukwekkendste boek dat ik las uit de journalistiek: Catch and Kill, waarin Ronan Farrow uiteenzet hoe hij in The New Yorker Harvey Weinstein ontmaskerde als een stelselmatige aanrander en verkrachter. Opmerkelijk genoeg verscheen tegelijkertijd She said, het boek van The New York Times-journalistes Jodi Kantor en Megan Twohey over dezelfde boef. Wat een weelde om ze na elkaar te lezen. Wat een weelde dat twee kranten Weinstein simultaan in zijn hemd zetten. Ook dat is Amerika, terwijl de president leugens verspreidt, bereikt de onderzoeksjournalistiek grote hoogten. Zowel Twohey en Kantor als Farrow ontvingen een Pulitzer-prijs voor hun onthullingen. Welk boek is beter? She said is zakelijker, een beetje droog zelfs, en biedt een technischer inkijk in investigative journalism. Farrow maakt er een good read van met cliffhangers en grapjes over zijn liefdesleven. Wanneer de boeken precies hetzelfde onderzoek zouden beschrijven, had ik voor Kantor en Twohey gekozen, vanwege hun dead pan-toon, hun methodische zuiverheid, hun symbolische heroïek. Twee jonge vrouwen die de beer schieten en stropen – fantastisch. Maar Catch and Kill is gelaagder. Aanvankelijk wil Farrow het Weinstein-verhaal op televisie brengen, maar de directie van NBC News dwarsboomt hem dermate dat hij uitwijkt naar The New Yorker. Wat bezielt NBC? Farrow ontrafelt dat Weinstein zelf zijn directeuren de mond snoerde. Wat een plot.

9. Sjeng Scheijen over Andrej Platonov: Verhalen

Alles is actueel in de verhalen van Platonov. Maar het is vooral de strijd rond de klimaatcrisis, vintage 2019, die hij op een verschrikkelijke manier voorspelde. In 1927 beschreef hij in de novelle De etherbaan een groep archeologen die uit de toendra van Siberië resten opgroeven van een verloren beschaving, die ten onder was gegaan omdat ‘ze leefden dankzij de verwoesting van de planeet.’ De hoofdpersoon in zijn verhalen is vaak een ingenieur die de laagopgeleide bevolking wil redden van misoogsten en overstromingen. Met behulp van de logica wil hij de natuur inbannen en de mens verlichten. Maar hij komt er al snel achter dat de irrationaliteit van de mens net zo’n natuurkracht is en al even destructief. Platonovs door de ratio gedreven helden komen in bloedig conflict met de gevestigde belangen, de meningen en tradities van de lokale krachten. Ze moeten dan tot de conclusie komen dat wie de mens wil redden, eerst moet accepteren wat de mens werkelijk is. En dat blijkt moeilijker dan het irrigeren van een woestijn of het vinden van eeuwige energiebronnen. De onthutste hoofdfiguren van Platonov doen me vaak denken aan de klimaatactivisten van vandaag – ze kunnen er maar niet bij dat mensen amechtig vasthouden aan hun wortels, aan hun zelfbewuste onwetendheid. Platonov leerde me dat als we onze wereld willen redden we eerst het dier dat mens heet diep in de ogen moeten kijken en zijn hele ijdele, gepassioneerde, kortzichtige, destructieve, creatieve, opwindende, schamele en kwetsbare eigenheid voor lief moeten nemen.

10. Jet Steinz over Margaret Atwood: The Handmaid’s Tale

In mijn herinnering had ik zelf bedacht dat ik dit jaar eindelijk eens The Handmaid’s Tale wilde lezen, Margaret Atwoods dystopische roman uit 1985, maar het was wel erg toevallig dat kort nadat ik het uit had het langverwachte vervolg op komst bleek — misschien had ik dat nieuws toch al ergens opgevangen en onbewust opgeslagen. Hoe dan ook, The Handmaid’s Tale dus: een van de betere boeken die ik 2019 las, origineel, psychologisch sterk, beklemmend en ja, ook profetisch. Plaats van handeling is Republiek Gilead, een deel van de VS dat in een niet al te verre toekomst veranderd is in een christenfundamentalische dictatuur waar vrouwen nauwelijks rechten hebben — een tegenwoordig niet geheel onvoorstelbaar scenario. Maar zo eenduidig-politiek schreef Atwood het 34 jaar geleden niet op, het is vooral de mysterieuze dreiging die het boek bepaalt: doordat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van dienstmaagd Offred, zelf onwetend van hoe het regime precies te werk gaat, komt elke scène onder een subtiele spanning te staan. En dat is indrukwekkend. Helaas, zo geraffineerd als dit boek in elkaar zit, zo potsierlijk bleek opvolger The Testaments, met z’n oppervlakkige personages, enigszins voorspelbare plot, onnodige expliciteringen en routineuze cliffhangers, die niet eens hun werk deden, want doorlezen kostte me moeite. Wat een teleurstelling. Ik doe maar gewoon alsof Atwood The Testaments nooit geschreven heeft, en ze het gehouden heeft bij haar tijdloze klassieker.

11. Carolina Trujillo over Rutger Bregman: De meeste mensen deugen

Aan De meeste mensen deugen van Rutger Bregman begon ik met een gulle dosis scepsis, niet omdat ik de mensheid allang opgegeven had, noch doordat dat boek al doodbejubeld was en ook niet door de meewarige blik van de boekverkoopster. Het zat hem vooral in de dikte. Als je zoveel woorden nodig had om te tonen dat de meeste mensen deugen, ging er al iets mis, leek me. Op de eerste pagina staat: ‘De mens zal beter worden als je hem toont hoe hij is. Anton Tsjechov’.

Daarna gaat Bregman over tot het laten zien hoe we niet zijn. Hij dient het ene na het andere bizarre onderzoek op dat ons heeft willen tonen dat we kwaad, egoïstisch en wreed zijn, en een voor een ontkracht hij ze. Gesjoemel met resultaten, beïnvloeding van testpersonen, verdraaiing van feiten, alles komt voorbij en laat tevens zien dat sommige onderzoekers niet heel erg deugden.

Daarna toont Bregman met ontroerende verhalen die het nieuws nooit halen maar die we wel samen maken, dat we vooral grote onbehaarde puppy’s zijn die graag samen spelen.

Tijdens het lezen raakte mijn vertrouwen in mijn medemens, in u dus, iets hersteld. U bent er helemaal niet op uit om anderen te grazen te nemen, u wilt spelen. Wij allemaal. En wie verhinderen dat? Zij die van ons wantrouwen leven: onze leiders en wij van de media. Waarom en hoe we dat doen, leert u als u Bregman heeft gelezen.

Daarom lijkt dit mij een noodzakelijk boek in deze tijden.

Lees ook de recensie van De meeste mensen deugen: Is de mens van nature goed? (●●●)

12. Arie Storm over Ian McEwan: Machines zoals ik

Komedie is beter dan tragedie, groteske is beter dan psychologische waarachtigheid en poëzie is belangrijker dan proza – wist Frans Kellendonk al. Juist als de prozaschrijver zich hiervan bewust is, kan hij opeens aan het leven zelf raken en er iets over zeggen. Ik hou enorm van romans waarin schrijvers of dichters voorkomen, of zelfs de hoofdpersonages zijn, ook als die schrijver of dichter haiku’s schrijft en een robot is, zoals in Machines zoals ik van Ian McEwan het geval is. Dat is komedie, groteske en poëzie ineen. Adam, zo heet de robot bij McEwan, begint vrolijk een driehoeksrelatie met de man die hem heeft gekocht en diens vriendin. Voor die laatste schrijft hij liefdespoëzie. Hij leert veel over het leven door Shakespeare te bestuderen. Ontspannen spreidt hij zijn kennis ten toon. Hij heeft maar één minpuntje: hij kan niet liegen en hij kan niet tegen liegen. Voor Adam draait het om de waarheid, en dat terwijl hij in een alternatieve versie van de jaren tachtig is beland, waar alles net een beetje, of behoorlijk veel anders is dan in werkelijkheid het geval was.

Via deze omweg zegt McEwan veel over onze tijd. Je gaat vergelijken. Alles staat op losse schroeven. De robot blijkt in dit parallelle universum het ontroerendste personage te zijn. We herkennen ons in hem. Maar dat is een misverstand. Of niet? We weten niet of we op hem lijken. Dat zou ook erg zijn, want dat zou betekenen dat we niet veel anders zijn dan een robot en dat alleen het vermogen om te kunnen liegen ons mens maakt.

13. Nicolien Mizee over T.H. White: Arthur, de koning van eens en ooit

Als iemand mij een boek zou geven met als aanprijzing dat het ‘zo goed aansluit op de tijdgeest’, zou ik dat boek ongelezen in een diepe la gooien. Er is al veel te veel tijdgeest en die stemt nooit tot vrolijkheid. Gelukkig heb ik een kast vol boeken die me wegvoeren uit deze tijd. Eén van die boeken is Arthur, de koning van eens en ooit (The Once and Future King).

De Britse schrijver T.H. White (1906-1964) schreef het in 1938, toen hij, wanhopig om een naderende oorlog, de middeleeuwse verhalen over Koning Arthur op een zeer aanstekelijke wijze bewerkte tot een vierluik waarvan het eerste deel, over de jonge Arthur, zich bijna als een kinderboek laat lezen. (J.K. Rowling geeft ruiterlijk toe dat ze voor haar Harry Potter-boeken schatplichtig is aan White). Ik las Arthur, de koning van eens en ooit ademloos toen ik twaalf was, in een pocketboek dat al snel uit elkaar viel. Uitgeverij Athenaeum had dit jaar het bijzonder gelukkige idee om het boek van White opnieuw uit te geven, in een nieuwe vertaling van Jolande van der Klis. Ik herlas het en zag talloze verwijzingen naar het communisme, de Eerste en Tweede Wereldoorlog, het populisme en dictators, die ik de eerste keer dat ik het las goeddeels heb gemist. Aan het slot kun je zelfs aan de Brexit denken. Het hoeft niet. Maar je kunt het wel als aanprijzing gebruiken als je het cadeau geeft. ‘Prachtig boek. Zo actueel! Hélemaal van deze tijd!’

14. Wessel te Gussinklo over Witold Gombrowicz: De pornografie

Daar zit je dan in de waterdichte huid met twee spleetjes om naar buiten te kijken. En om je heen zijn de anderen, ook in waterdichte huiden; en de dingen, en de ruimte , en de tijd en alles wat op je afkomt en tegen je aanduwt en aan je trekt, je misvormt en je dreigt te onteigenen; horig geworden aan dit, horig geworden aan dat, weggesleept daar naartoe… Die beelden. In 1967 las ik het boek De pornografie van Gombrowicz, maar verder dan halverwege kwam ik niet – het was alsof ik me brandde. Hier had iemand woorden gevonden voor dat waar ik geen woorden voor vond – de vele krachten die dringen en misvormen en de daden en houdingen waarmee men zich steeds in die wolkachtige chaos met moeite vormgeeft, en vooral: de raadsels die hij wist te raken. Hem verder lezen zou mij tot een plagiator maken, een onteigende die alleen maar met zijn blik kon zien. Ik ben een ander geworden, met diezelfde wereld. Gombrowicz is een kijker en een observeerder, bij mij is de onderdompeling in en het ondergaan van al die krachten en aanwezigheden het onderwerp. In 1997, ik had drie literaire prijzen voor De opdracht, wat kon mij gebeuren, probeerde ik opnieuw De pornografie te lezen en ook zijn andere boeken. Maar opnieuw, alsof ik me brandde aan de dwingende blik die niet de mijne is op een wereld die ik met deze toeschouwer deel. Ik haal dit boek aan, want kwaliteit is tijdloos en daardoor nog steeds hoogst actueel.

15. Marijke Schermer over Rachel Cusk: Contouren , Transit , Kudos

Ze verschenen in 2014, 2017 en 2018 maar ik las ze dit jaar, achter elkaar, en het maakte een verpletterende indruk. Het is intens en precies proza. Rachel Cusk is een meesterobservator maar gaat voorbij de positie van uitkijkpost: ze schept de omgeving en bekritiseert de werkelijkheid. Ze schrijft in de ik-persoon maar vertelt nooit direct over de gevoelens of gedachten van die ik; ze vertelt alles via de verhalen van anderen. Dat is knap, want ik voelde me toch steeds dicht bij haar. Ze lapt de bezopen regel dat ieder personage een eigen vocabulaire zou moeten hebben superieur aan haar laars: alle personages hebben één stem: haar stem. In allerlei ontmoetingen, tijdens vliegreizen, buitenlandse tournees, masterclasses, interviews en etentjes praten ze tegen haar. Collega’s, leerlingen, buren, interviewers, redacteuren en gidsen. Ze portretteert die mensen, en via hen de wereld. In een jaar waarin het anekdotische autobiografische gehalte van romans alomtegenwoordig was, leert dit boek eens te meer dat de verbeelding ook uiterst persoonlijk en onthullend zijn. De trilogie drijft op de universele kurk van het herscheppen van de wereld in taal, en het is toch een onmiskenbaar werk van nu, niet alleen om dat er in een paar tussenzinnen voor Brexit wordt gestemd. Het leven voltrekt zich in al zijn moderne vervreemding, stuurloosheid, ritueel en rolverdeling. Het gaat over mannen, vrouwen, gezinnen, ouderschap, boekverkopen, macht, omgangsvormen, kunst. Allerlei zaken die ook mij in 2019 bezig hebben gehouden.

16. Manon Uphoff over o.a. Svetlana Alexijevitsj: De laatste getuigen

In 2019 had ik weinig tijd om te lezen. Aan het eind van dit jaar voelt dat als een pijnlijk gemis. Toch kwamen er veel boeken voorbij en heb ik ze gretig en gulzig gekocht. Steeds kwam ik zwaar beladen terug, als een beer die vet aanlegt om de winter door te komen. Ik las Amen van Marcel Möring, begon in De laatste getuigen van Svetlana Alexijevitsj, die me opnieuw raakte met haar fijnzinnige bewerking en polyfone orale vertellingen waaruit de stemmen van een hele bevolking, rauw en poëtisch, pijnlijk en verscheurd, zingend en vitaal klinken. Ik las Roxane van Iperens ’t Hooge Nest. Vermaakte me met het absurdisme van Charms, omdat juist dit absurde leven ons steeds laat zien hoe verhalen opnieuw geschreven kunnen worden. En op dit moment dwaal ik door Essays One van Lydia Davis, die in hun precisie laten zien wat taal IS, waarom grammatica, het kunnen inzetten van tijd (tegenwoordige tijd, voltooide tijd, onvoltooid verleden tijd en toekomende tijd) niet zomaar een ‘dingetje’ voor erbij is, maar hoe in het gebruik van verschillende tijden de sleutel tot begrip van onze echte levens ligt. Hoe we zo pas heden, verleden en toekomst kunnen verbinden. O, en ik blader door het boek met de surrealistische kunstwerken van Dorothea Tanning. Het meest bekend Eine kleine Nachtmusik, met het sinistere huis, twee jonge vrouwen ‘in rags’ bij een reusachtige welkende zonnebloem op het donkerrode tapijt van een lange hotelgang. Bij het meisje tegenover de bloem rijzen de haren (in vrees of in fierheid?) te berge.

Lees ook de recensie van De laatste getuigen: Vader rende weg en durfde niet om te kijken

17. Tsead Bruinja over Iduna Paalman: De grom uit de hond halen

‘Zuig een leeggedronken waterflesje vacuüm, zie hoe de hals in de romp verdwijnt / haal je mond weg, draai de dop erop, dit is de nieuwe situatie, zo trekken mijn botten samen, kraakt mijn lichaam’, daarmee opent het gedicht ‘Vermommingen’ uit De grom uit de hond halen van Iduna Paalman. Paalman probeert in deze bundel manmachtig iets te bedwingen of voert personages op die dat doen, zoals een kapster die net iets te vaak ‘alles is fantastisch’ zegt (vijf keer in een gedicht). Via al die futiele pogingen tot rangschikken geeft ze de lezer een prachtige blik op een rommelige wereld. Haar poëzie is stoer, lichamelijk en vet. Er is weinig ruimte voor smaakvol typografisch wit.

Ik vind het een verademing om poëzie te lezen die niet zoveel mogelijk in zo weinig mogelijk woorden zegt. Daarin toont Paalman zich verwant met generatiegenoot Marieke Lucas Rijneveld. Haar toon is net als die van Rijneveld droefkomisch en licht filosofisch. Er wordt veel teruggekeken op een jeugd in Drenthe (‘Vergeet dat gekneusde platteland, die verrekte speelrekjes’), een jeugd die mede gevormd werd door een manier van praten. Daarbij speelt de streektaal een mooie rol. Wellicht is het denken er zelfs door gevormd: ‘Als mijn vader zegt dat iemand mager in de kop is bedoelt hij: dom / buurman Ruud is mager in de kop, want hij besteedt al zijn tijd aan procederen tegen bouwen in de boswal.’

Niemand bezwoer in 2019 de innerlijke onrust mooier en speelser dan Iduna Paalman.

18. Oek de Jong over Beth Moon: Ancient Trees

Een van de aardigste boeken die ik in 2019 onder ogen kreeg: Beth Moons Ancient Trees. Portraits in Time. Deze Amerikaanse fotografe reisde veertien jaar de wereld rond om zeer oude bomen te fotograferen. Ze begon in Engeland met eiken die werden geplant nadat in 1588 de Armada was verslagen, en met duizend jaar oude taxusbomen. In Californië zocht ze hoog in de bergen pijnbomen op die vijfduizend jaar oud zijn, ontkiemd toen in het oude Mesopotamië de Sumeriërs op hun kleitabletten schreven en al oud en verweerd toen Julius Caesar in Rome aan de macht kwam. In Cambodja de wurgvijgenbomen die in de jungle over boeddhistische tempels heen groeien, in Israël duizendjarige olijfbomen die nog altijd jonge en vruchtdragende takken hebben. De mens is een bos kappende en bos verbrandende soort. Van de bossen die ooit heel Europa bedekten is weinig over. Momenteel gaan de Amazone-wouden er aan, de laatste oerbossen op Sumatra en Borneo en ook in Afrika worden elk uur woudreuzen geveld. Moon maakte haar foto’s om het nageslacht nog een blik te gunnen op een aantal zeldzaam oude en wonderbaarlijk mooie bomen, die allemaal zullen verdwijnen als gevolg van klimaatverandering, verstoorde ecosystemen of simpelweg kappen. Ze heeft oog voor de sculpturale kwaliteit van bomen. Ze toont de individualiteit van een boom – de foto is werkelijk een portret. Maar vooral weet ze bomen te laten verschijnen als de sprookjesachtige en betoverende wezens die ze zijn, de oudste levende wezens op aarde.

19. Hans Steketee over Robert Macfarlane: Ness

Orford Ness is een langgerekte landtong van grind langs de Engelse oostkust, waar het meestal waait en waar het licht altijd verblindend is. Op zondagen zet de veerman je over. Nu is het een natuurmonument, maar het grootste deel van de vorige eeuw was het militair terrein, waar het Britse ministerie van Defensie proeven deed met radar en componenten testte voor de atoombom. In het terrein staan nog half geruïneerde bunkers en observatietorens. Uit het grind groeit prikkeldraad.

Dit is het decor van Robert Macfarlanes laatste boekje, Ness, maar decor is het verkeerde woord; die landtong is zelf een personage. In dit kleine boekje, een lyrisch prozagedicht met fijne pentekeningen in zwartwit van Stanley Donwood, borduurt Macfarlane voort op het thema van deep time uit Underland, waarin hij letterlijk afdaalt in de onderwereld – grotten, gangen, schachten – en de onderwereldmythologie waarvan de menselijke cultuur is doortrokken. In Ness voert hij vijf langzame maar oppermachtige natuurkrachten op, zoals de zeestroming en de groeikracht van korstmossen (die op den duur rotsen kan splijten). In één van de bunkers op Ness proberen zij een nietsontziend-optimistisch menselijk vijftal, onder leiding van The Armourer (‘de wapenmaker’), af te houden van het onzalige plan een atoombom tot ontploffing te brengen. Spoiler: de natuur wint, en de menselijke overmoed wordt tenslotte zelf langzaam opgenomen in de aarde. ‘We are deep in matter [...] Detonation is impossible. Denken, taal wordt langzaam grind.’

Over de 19 schrijvers die meewerkten aan deze lijst:
Gideon Samson won dit jaar de Gouden Griffel voor Zeb., Bart Van Loo schreef de bestseller De Bourgondiërs, Nicolien Mizee publiceerde dit jaar Moord op de moestuin en Allesverpletterende, Wessel te Gussinklo won met De hoogstapelaar de BookSpot Literatuurprijs voor fictie, Clarice Gargard schreef het boek Drakendochter, Marian Donner schreef Zelfverwoestingsboek, Charlotte Van den Broeck debuteerde als prozaschrijver met Waagstukken, P.F. Thomése schreef het boek Vaderliefde, Sjeng Scheijen won met De avant-gardisten de BookSpot Literatuurprijs voor non-fictie, Roxane van Iperen won de Opzij Literatuurprijs voor ’t Hooge Nest, Peter Buwalda schreef de bestseller Otmars zonen, Marijke Schermer publiceerde Liefde, als dat het is, Manon Uphoff schreef de roman Vallen is als vliegen, Jet Steinz schreef het boek P.S., Carolina Trujillo won met Meisjes in blessuretijd de Jan Hanlo Essayprijs, Arie Storm publiceerde Het horrortheater van de Nederlandse literatuur en de roman List en leed, Oek de Jong schreef de bestseller Zwarte schuur, Tsead Bruinja is Dichter des Vaderlands 2019-2021, Hans Steketee publiceerde het boek De Warnow.