‘Terug’ naar Ghana

Diaspora Steeds meer Nederlanders gaan op zoek naar hun etnische afkomst. Maar wat doe je met de uitslag? Vier jongeren met Afrikaanse roots vertellen waarom ze teruggaan naar het herkomstland van hun voorouders.

Dennis Wansema: „Ik ben trots op mijn Ghanese afkomst.”
Dennis Wansema: „Ik ben trots op mijn Ghanese afkomst.” Foto Roger Cremers

Vierhonderd jaar geleden zetten de eerste West-Afrikaanse tot slaaf gemaakten voet aan wal in de Amerikaanse staat Virginia. Ter ere van deze gelegenheid wordt de diaspora, verspreid over de hele wereld, opgeroepen ‘terug’ te keren naar Ghana. De Ghanese president Nana Akufo-Addo riep 2019 uit tot Year of Return. “Wees welkom”, is het credo.

De Ghana Tourism Authority zag nooit eerder zoveel toeristen: hun schatting is dat 500.000 mensen het land voor het eind van het jaar bezoeken. Vorig jaar waren dit er nog 350.000. Het grootste gedeelte van de toeristen komt uit de Verenigde Staten - de meeste tot slaaf gemaakten werden daarheen verscheept - maar ook vanuit Nederland is er belangstelling.

Het Nederlandse slavenfort Elmina in de voormalige hoofdstad van Ghana speelde een cruciale rol in de trans-Atlantische slavenhandel. In totaal verhandelden de Nederlanders 600.000 Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen. Zij kwamen in Noord- en Zuid-Amerika terecht. Allerlei festiviteiten moeten toeristen met Afrikaanse roots warm maken om Ghana te bezoeken, met de maand december als hoogtepunt. Ook Nederland is vertegenwoordigd. Rapper Frenna viert er zijn vakantie en het Nederlandse kledingmerk Daily Paper opent een pop-up winkel in de hoofdstad Accra. Op Instagram schrijft de winkel: „Ending 2019 in the motherland.”

Lees ook: Ghana ziet zijn afstammelingen in de diaspora graag terugkomen

De reikwijdte en grootte van de diaspora is enorm. Zo zijn velen door de voormalige koloniën en migratie ook in Nederland terechtgekomen: alleen al 353.909 Nederlanders hebben volgens het CBS Surinaamse wortels. Maar het traceren van voorouders is niet altijd eenvoudig. Tot slaaf gemaakten waren heterogene groepen waardoor verbale communicatie vrijwel onmogelijk was, schrijft hoogleraar Caribische geschiedenis Alex van Stipriaan. Ook werd de geschiedenis niet schriftelijk doorgegeven, omdat hen verboden werd te lezen en te schrijven. Ten slotte rust er in veel gemeenschappen een taboe op praten over slavernij. Toch lukt het sommigen wel. Hoe kijken zij naar hun roots in Afrika?

Rachel Rumai Diaz. Foto Roger Cremers

‘Het is belangrijk te weten waar je vandaan komt’

Rachel Rumai Diaz (1990) is schrijver, dichter, performance artist en docent. Ze was een van de ‘rootszoekers’ tijdens het Amsterdam Roots Festival en schrijft nu een boek over de vrouwen in haar familie.

Lange tijd heeft Rumai zich geïdentificeerd als latina, omdat zij is opgevoed door haar Venezolaanse moeder. Sinds een tijdje gaat haar interesse echter steeds meer uit naar de Curaçaose roots van haar vader. „Op dat moment begon ik na te denken over wie ik ben en waar ik voor sta”, zegt Rumai. „Om die vragen te kunnen beantwoorden is het belangrijk te weten waar je vandaan komt.”

Haar Antilliaanse familie is half Libanees en half Creools. Veel familieleden hebben onderzoek gedaan naar de familiestamboom, maar er is weinig bekend over de Creoolse kant van haar familie. „Ze kunnen mij vertellen dat ik afstam van een Koerdische verzetsstrijder eeuwen terug, maar niet op welke plantage de moeder van mijn overgrootmoeder is geboren.”

Dus wil ze met een DNA-test zelf op zoek. Rumai twijfelt wel, want ze is bang voor de uitslag. Omdat zij zich vertegenwoordigd voelde door één groep, creëerde ze haar eigen hokje. Dat van Afro-Latina. Wat als de uitslag een andere afkomst uitwijst? De test laat zien dat haar roots voor het grootste gedeelte in West-Afrika liggen. Als zij de salsamuziek hoort die is ontstaan uit protest tegen slavenhouders, of de West-Afrikaanse invloeden proeft in het eten uit Venezuela en Curaçao, voelt zij een connectie.

Genealogisch onderzoek in het nationaal archief in Den Haag leverde haar niets op. De slavenhandel naar Suriname is min of meer gedocumenteerd, maar vanwege een taboe over dit onderwerp een stuk minder op Curaçao. Rumai kan dat begrijpen: „We stoppen die pijn en schaamte liever weg. We vinden dat we meer zijn dan dit stukje uit onze geschiedenis.” Haar onderzoek gaat over emotionele erfenissen door intergenerationeel trauma. Omdat haar afkomst zo gemixt is, wil zij „die puinhoop categoriseren”. Voor volgend jaar staat op de planning om afhankelijk van de uitkomst van haar onderzoek een land in West-Afrika te bezoeken. Na gesprekken met familie gaat haar vermoeden uit naar Ghana of Angola. Dit jaar Ghana bezoeken gaat niet lukken, maar 2020 wordt haar eigen Year of Return.

Amber Clifford. Foto Roger Cremers

‘Amerikanen hebben geen aanknopingspunt in Afrika’

Amber Clifford (1989) is geboren in de Verenigde Staten en woont nu drie jaar als expat in Nederland. Ze werkt in de technologische sector.

„Veel Amerikanen kennen Amerika als beginpunt van de geschiedenis”, zegt Clifford, die internationaal strafrecht studeerde. Dat is volgens haar niet omdat ze niet verder willen zoeken, maar omdat ze dat niet kunnen.

Vanuit een belangstelling voor geschiedenis deed zij als student een minor in Afrika-studies. Haar ouders waren minder geïnteresseerd in het continent. „Wat heb je hieraan?”, vroegen zij.

Ze doet een DNA-test via de website africanancestry.com, opgezet door zwarte Amerikanen, en ontdekt dat ze afstamt van het Temne-volk in Sierra Leone. Als ze dit deelt in een groepschat met haar neven en nichten zijn ze enthousiast, maar ook in de war. Wat betekent dat eigenlijk? Amerikanen hebben geen aanknopingspunt in Afrika, zegt Clifford. „Als je tweede of derde generatie Nigeriaans bent, kun je vragen stellen aan een opa of oma. Wij kunnen dat niet.”

Haar eerste ervaring met het Afrikaanse continent was toen ze twee maanden als uitwisselingsstudent naar Rwanda ging. Ze was geïnspireerd door de film Hotel Rwanda die toen net uit was. Dit voelde direct vertrouwd. „Ik herinner me dat ik vanuit de bus naar spelende jongens op straat keek en dacht: kon ik maar een groepje zwarte Amerikaanse jongeren hierheen brengen en ze ernaar laten kijken. Verschillend op een aantal vlakken, maar zóveel gelijkenissen.”

Clifford heeft grote verwachtingen van dit Year of Return. Ze is blij dat nu ook haar vrienden kunnen ervaren hoeveel gelijkenissen er zijn op transcontinentale schaal en kijkt erg uit naar het moment dat ze haar zwarte vrienden uit Europa, Afrika en Amerika in Afrika zal zien. De band die hieruit voortkomt, zal groter zijn dan dat iedereen verwacht, aldus Clifford.

Het liefst zou Clifford twee maanden door West-Afrika reizen en de regio uitgebreid ontdekken, maar als ze hoort van het Year of Return kan ze dat niet zomaar voorbij laten gaan. Dus gaat ze met acht Afro-Amerikaanse vrienden twee weken op vakantie naar Ghana. Ze noemt het „international homecoming”.

Dennis Wansema. Foto Roger Cremers

‘We lopen daar in Ghana op goud’

Dennis Wansema (1991) is geboren in Nederland met Ghanese ouders. Met zijn bedrijf EVA Entertainment organiseert hij evenementen, begeleidt hij artiesten en verzorgt hij een dagbesteding voor jongeren met gedragsproblemen in Amsterdam-Zuidoost.

Zijn Nederlandse achternaam wijst op een connectie met Nederland die verder teruggaat dan de migratie van zijn ouders. De Nederlanders waren vrijwel de laatsten die uit Ghana vertrokken, zegt hij. Of zijn ouders hem bewust ook een Nederlandse voornaam hebben gegeven weet hij niet, maar als dat zo is „kan hij het wel begrijpen”. Hoe meer je je aanpast, hoe beter je hopelijk geaccepteerd wordt, moeten ze hebben gedacht. Wansema praat niet graag over racisme dus zegt voorzichtig: „Elk donker persoon in Nederland is wel eens gediscrimineerd en ik ben daar geen uitzondering in.” Hij heeft het meegemaakt op werkplekken, sollicitatiegesprekken, op werk, in de lift en in de supermarkt.

Wansema zegt trots te zijn op zijn Ghanese afkomst, vooral omdat de zorg en het respect voor elkaar belangrijk zijn in de Ghanese cultuur. Christenen en moslims eten er fufu uit hetzelfde bord, aldus Wansema. Die trots uit zich ook in zijn zakelijke bezigheden. Als ondernemer werkt hij vaak met artiesten en producers van Ghanese komaf om zo een brug te slaan tussen Nederland en Ghana. Veel muziek komt uit Ghana, maar heeft niet de naamsbekendheid die het moet hebben, vindt hij. Hij ziet de Ghanese dansstijlen steeds vaker in Europa en hoort de taal terugkomen in straattaal en muziek. „Afrobeats zijn hot.”

Hij hoopt op de korte termijn een stuk land in Ghana te kopen en daarheen te verhuizen. De oproep van de Ghanese president voor het Year of Return ziet hij dan ook als een oproep tot solidariteit. Het maakt niet uit waar je nu woont, iedereen is familie van elkaar. Enthousiast vertelt hij dat er in november j.l. bijna 130 Afro-Amerikanen en Afro-Caribische inwoners als onderdeel van het Year of Return een Ghanees paspoort hebben aangevraagd en hebben gekregen. Maar er kan ook het één en ander verbeterd worden. Dat de ontwikkeling van het land zo lang duurt, begrijpt hij niet. „We lopen daar op goud. Letterlijk.” Wansema verblijft de hele maand december in Ghana. Daar wacht hem een maand vol lekker eten, feestjes, maar ook rust.

Cecilia Sion. Foto Roger Cremers

‘In Ghana zijn een boel economische kansen’

Cecilia Sion (1994) is geboren in Amsterdam en heeft een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. Ze werkt momenteel voor de Ghanese start-up Dext Technology.

Je zult Sion nooit horen zeggen: „Ik ben geen Afrikaan.” Ze heeft zich als kind altijd al geïnteresseerd in het Afrikaanse continent. Haar vader is Creools-Surinaams, maar ze realiseert zich op vroege leeftijd dat ze „natuurlijk niet écht Surinaams” is. Ze gaat op haar vijftiende op zoek naar het antwoord op de vraag: wie waren wij voordat we het stempel van slaaf kregen? Ooit wil ze een DNA-test doen, omdat ze vaak de vraag krijgt of ze Senegalees is. Zelf denkt ze dat dit best waarschijnlijk is omdat het Gorée-eiland, voor de kust van Senegal, in Nederlandse handen was.

In 2010 reist Sion voor het eerst naar Afrika, naar Ghana. Ze vindt het bijzonder op een plek te zijn waar iedereen eruitziet zoals zij zich altijd heeft geïdentificeerd. Ze ziet veel gelijkenissen met Suriname: cassave en zoete aardappel, de kleurrijke prints, het gemeenschapsgevoel en het belang van familie. Maar ze ziet er ook economische kansen, als bestuursvoorzitter van een studievereniging voor studenten met Afrikaanse wortels organiseert zij haar eerste zakenreis naar Ghana.

Inmiddels heeft ze een Ghanese vriend en werkt ze voor een lokale start-up die zich richt op onderwijs. De maand december brengt ze door in Ghana, waar ze haar zakelijke ervaringen wil delen door vlogs op te nemen. Volgens Sion moeten er meer succesverhalen worden verteld om te laten zien wat er allemaal mogelijk is. Ontwikkelingshulp creëert afhankelijkheid, maar ondernemerschap creëert mogelijkheden, zegt ze. Wel raadt Sion aan om je goed voor te bereiden als je er iets wil opzetten. Ze waarschuwt niet te beredeneren vanuit westers perspectief en adviseert samen te werken met een lokale partner. Tijdens haar verblijf gaat ze kleine evenementen organiseren en richt ze een netwerk op van jonge professionals onder Ghanezen en de diaspora.

Op de vraag of ze permanent in Ghana zou willen wonen, antwoordt Sion: „Als ik er geld zou kunnen verdienen, zeker!” Ze vindt het belangrijk om haar kinderen op te voeden in een land waar ze worden beoordeeld op hun kwaliteiten en niet op hun huidskleur. De bedelaar is zwart, maar de president ook, aldus Sion.