Populistisch rechts bleek een blijvertje

Nederland De jaren 10 brachten politieke versplintering, polarisatie en een ‘afrekencultuur’, met historische nederlagen voor regeringspartijen. Dat Mark Rutte al die jaren de onbetwiste minister-president bleef, is „het raadsel van deze tijd”.

Premier Mark Rutte voor het Catshuis in Den Haag in 2015.
Premier Mark Rutte voor het Catshuis in Den Haag in 2015. Foto David van Dam

Wat definieert een decennium? Hoe verder je van een tijdvak afstaat, hoe makkelijker het is om die vraag in een paar steekwoorden te beantwoorden. Zeg ‘de jaren 30’, en iedereen weet waar je het over hebt: Colijn, nationaal-socialisme, oorlogsdreiging. De jaren 50: Drees, zuinigheid, wederopbouw. De jaren 90, dat gaat ook nog wel: Kok, Derde Weg, Paars. Zo canoniseert de politieke geschiedenis.

En de jaren 10? Eén ding is zeker: Mark Rutte (VVD) was vrijwel het gehele decennium minister-president. Zijn naam zal altijd verbonden zijn aan dit tijdvak. Maar verder? Wat maakte dit decennium anders dan de voorgaande decennia?

Vijf politicologen doen, op verzoek van NRC, een poging. Vraag hen naar het politieke klimaat in Nederland tussen 2010 en 2020, en je hoort verrassend eensluidende antwoorden.

De jaren 10, zegt Rudy Andeweg, zijn de jaren dat „alarmistische visioenen” uit het verleden waarheid werden.

De jaren 10, zegt Armen Hakhverdian, „waren het decennium van politieke fragmentatie in Nederland”.

De jaren 10, zegt Sarah de Lange, „hebben de polarisatie verhevigd”.

De jaren 10, zegt Merijn Oudenampsen, hebben „een verschuiving van politieke scheidslijnen” laten zien.

De jaren 10, zegt Cas Mudde, zorgden voor „nog meer succes voor uiterst-rechtse partijen”.

De Nederlandse politiek versnipperde dit decennium in dramatisch tempo, zeggen de politicologen. De grote middenpartijen, die het altijd voor het zeggen hadden, zijn, op de VVD na, vrijwel uitgespeeld. Maatschappelijke tegenstellingen werden groter. Het ging hierbij, zeggen ze, in mindere mate over sociaal-economische thema’s, maar veel meer over identiteit. Het was, kortom, het decennium van de cultuurstrijd.

Waaierdemocratie

Rudy Andeweg, emeritus hoogleraar politicologie aan de Universiteit Leiden, haalt PvdA-oudgediende Ed van Thijn aan. Die waarschuwde eind jaren 60 al voor een ‘waaierdemocratie’. Hij bedoelde dat de politieke uitersten verder uit elkaar gaan lopen, en dat het midden implodeert. Die trend kon de democratie bedreigen. Het Nederlandse parlementaire stelsel kon imploderen, zoals de Weimarrepubliek in het Duitsland van 1933 ook ineenstortte.

Andeweg: „Ed van Thijn was zijn tijd ver vooruit. Waar hij destijds bang voor was, is nu aan het gebeuren. Middenpartijen zijn uitgehold, kiezers zijn niet loyaal meer aan een eigen groep. Ze straffen partijen die wel regeren vaak zwaar af.”

‘Middenpartijen zijn uitgehold, kiezers zijn niet loyaal meer aan een eigen groep’

Deze „afrekencultuur” heeft de relatie tussen burger en politiek drastisch veranderd, zegt Sarah de Lange, bijzonder hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. De lijst van afgestrafte regeringspartijen is lang. Het CDA (-20 zetels), de PvdA (-3) en de ChristenUnie (-1) zetels in 2010. Het CDA (-8) en gedoogpartner PVV (-9) in 2012. De PvdA leed in 2017 de grootste nederlaag uit de partijgeschiedenis (-29). Alleen de VVD, die sinds 2010 de premier levert, wist deze wet te omzeilen.

Verdeeldheid, zegt Sarah de Lange, is er in Nederland altijd geweest. Maar de aard van die verdeeldheid is anders geworden. „Mensen verschillen steeds minder op basis van argumenten van mening, zoals het hoort in een gezonde democratie, maar zijn elkaar als morele vijand gaan zien.”

Mensen verwerpen niet zozeer wat iemand víndt, maar wat iemand in hun ogen ís. ‘Affectieve polarisatie’, noemen politicologen dat. Hierdoor is politiek persoonlijker geworden, zegt De Lange. Het percentage mensen dat zegt andere mensen te haten om hun politieke opvattingen is aan het einde van het decennium toegenomen tot het niveau van de late jaren zestig, het naoorlogse hoogtepunt van de maatschappelijke polarisatie.

Poolse stukadoor

Wat veroorzaakt dat conflict? Politici citeren gretig uit het boek The road to somewhere over de Brexit, van de Britse journalist David Goodhart. De ‘anywheres’, dat zijn de hoog opgeleide kosmopolieten, die belang hebben bij globalisering en ‘overal’ kunnen aarden, en de ‘somewheres’, de verliezers, die bang zijn voor verandering en zich ‘ergens’ thuisvoelen. De Lange: „Ik vind die scheidslijn te simpel. Het ene moment kun je een winnaar zijn van globalisering, bijvoorbeeld omdat je een goedkope Poolse stukadoor inhuurt, en het volgende moment een verliezer, omdat je baan op de tocht raakt, omdat je bedrijf verhuist naar India.”

Volgens De Lange gaat het meer om „de perceptie die mensen van hun eigen leven hebben: vínden zij zich een winnaar of verliezer? Mensen stelden zich die vraag bij de grote crises van dit decennium: de economische crisis, de vluchtelingencrisis en de klimaatcrisis.”

Politicoloog Merijn Oudenampsen, nu werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam, promoveerde vorig jaar aan de Universiteit van Tilburg op het gedachtegoed achter de Fortuyn-revolte van 2002. Lange tijd, zegt hij, waren politieke conflicten primair sociaal-economisch: het ging bijvoorbeeld over welvaartsverdeling. Dat conflict is op de achtergrond geraakt, en vervangen door een cultureel conflict.

Het begon in de nadagen van Paars II (1998-2002), met de opkomst van Pim Fortuyn. Het verschil tussen links en rechts verwaterde. De Derde Weg die de PvdA omarmde, leek in de praktijk sprekend op het marktkapitalisme van de VVD. Omdat politiek conflict nodig heeft, zegt Merijn Oudenampsen, verschoof het debat langzaam maar zeker naar andere thema’s. „Het ging vanaf toen over de multiculturele samenleving of de islam.”

De vluchtelingencrisis van 2015 versterkte deze trend, zegt Cas Mudde, hoogleraar aan de Universiteit van Georgia. „In meer landen, waaronder in Midden- en Oost-Europa, werden de radicaalrechtse frames dominant. Het proces dat in het eerste decennium begon, heeft zich in het tweede decennium doorgezet. Tegenwoordig willen mainstream partijen, primair maar niet exclusief rechts, niet alleen immigratie beperken en integratie strenger maken, maar ze willen dit expliciet om de nationale cultuur en veiligheid te beschermen.”

Dit cultuurconflict pakt goed uit voor rechts-conservatieve politici, zegt Merijn Oudenampsen. De instorting van de middenpartijen in de jaren 10, met name het CDA, heeft voor een conservatieve golf gezorgd. „Het CDA verenigde regenten en werknemers, conservatieven en progressieven. Zo was het CDA lang een bolwerk tegen de opkomst van het rechts-populisme, terwijl die stroming in andere Europese landen wel opkwam. Na het instorten van de volkspartijen ontstond de kloof tussen ‘volk’ en ‘elite’ alsnog.”

Politieke marketing

Populistisch-rechts praat allang niet meer alleen over de islam, zoals in de jaren na 9/11. Het gaat nu om een onderdrukte volkswil. Oudenampsen: „Thierry Baudet voelt de tijdgeest beter aan dan Geert Wilders, die zich vrijwel alleen tegen de islam keert. Baudets Uil van Minerva-toespraak [nadat hij de Statenverkiezingen dit jaar had gewonnen], ging over de brokstukken van de westerse beschaving. Hij neemt niet alleen afstand van migratie, maar keert zich ook tegen feminisme en de moderniteit, die het Westen zouden verzwakken.”

De laatste paar jaar is klimaat het dominante thema geworden voor populistisch rechts. Oudenampsen: „Zij richten zich in hun kritiek op moreel hoogdravende geitenwollensokkentypes, op de lifestyle van hoger opgeleiden. ‘Kijk: Jesse Klaver vliegt zelf ook.’”

Deels is dit politieke marketing. Wil je in deze tijd politiek succesvol zijn, dan verkoop je economische onderwerpen als een cultuurstrijd, zegt Rudy Andeweg. „Het klimaatdebat van nu gaat over herverdeling: we moeten de economie anders inrichten, en de kosten daarvan komen bij burgers terecht. Thierry Baudet maakte daar een cultuurdebat van, dat was een meesterzet. Het debat over Europa vertoont hetzelfde patroon. Het zou over de economie moeten gaan, maar door voor- en tegenstanders wordt erover gepraat als cultureel project.”

Sarah de Lange zegt dat populistische partijen in de jaren na Paars een stem hebben gegeven aan onvrede die al langer leefde. Dat is goed nieuws, zegt ze. Maar: „De groepen die op PVV en FVD stemmen, worden ook weer beïnvloed door die partijen. Sentimenten verdiepen zich. Zo drijft een groep kiezers steeds verder af van de rest van het electoraat. De polarisatie heeft een zichzelf versterkend effect.”

Mega-identiteitspolitiek

Het is een milde variant van wat de afgelopen jaren in de Verenigde Staten is gebeurd. Amerikanen zijn niet langer politiek, maar sociaal verdeeld, schreef politicoloog Lilliana Mason vorig jaar in het boek Uncivil Agreement. Ras, woonplaats, cultuur en religie zijn bepalende factoren geworden in het tijdperk van ‘mega-identiteitspolitiek’, zoals zij het noemt. „Amerikaanse burgers denken dat ze in een strijd op leven en dood verkeren tegen een sociaal homogene andere groep.”

Jesse Klaver en Geert Wilders, 2016

Foto David van Dam

Democratie is, zoals de conservatieve commentator Charlie Sykes schreef, „een binaire, tribale wereld geworden”. „Alles staat op het spel: het lot van de westerse beschaving of het voortbestaan van de planeet. Daarom draait alles om de overwinning van de eigen stam.”

Links weet zich weinig raad met de nieuwe verhoudingen. Over culturele zaken zijn linkse partijen intern verdeeld. Ze willen conservatievere witte arbeiders niet van zich vervreemden. De SP, en in mindere mate de PvdA, zijn daarom strengere taal gaan gebruiken over migratie. De progressieve voorhoede, bijvoorbeeld zichtbaar in de antiracismebeweging, is een kleine avant-garde gebleven.

En als het een keer over de economie gaat, „is het voor linkse partijen moeilijk af te wijken van het centrumrechtse discours”, zegt Merijn Oudenampsen. „De financiële crisis, waarmee dit decennium begon, heeft niet tot echt debat geleid. In Nederland houden links en rechts elkaar vast als het over de economie gaat. Hoewel westerse linkse partijen allang niet meer streven naar een begrotingsevenwicht, heeft de PvdA het nog altijd in het laatste verkiezingsprogramma staan. Internationaal is er van alles aan het schuiven op links. Overal staat het kapitalisme ter discussie. Maar in Nederland is er nauwelijks reuring.”

En het ‘economisme’ van Jesse Klaver (GroenLinks) dan? Of VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff en zijn CDA-collega Pieter Heerma, die wilden praten over de uitwassen van het kapitalisme? Het was grotendeels „getuigenispolitiek”, vindt Oudenampsen. Het werd nooit concreet. Dat ligt, zegt hij, aan het Centraal Planbureau, dat programma’s en tegenbegrotingen doorrekent en kan afkeuren, en zo nieuwe ideeën tegenhoudt. „Maar het komt ook omdat nieuwe economische ideeën zouden betekenen dat we gaan rommelen aan het bouwwerk van alle instituties.”

En grote hervormingen, daar hebben Nederlandse politici een hekel aan: veel te ingewikkeld. Dan liever cultuurpolitiek, dat is alleen symbolisch. Oudenampsen: „Thierry Baudet kon consequentieloos zeggen: ‘We worden ondermijnd door onze universiteiten.’ Maar toen [SP-leider] Emile Roemer in 2012 ‘over my dead body’ zei toen het over begrotingsbeleid ging, diskwalificeerde dat hem meteen voor regeringsdeelname.”

Democratische terugval

De Nederlandse democratie, zeggen de politicologen, heeft desondanks haar dempende werk gedaan. Kabinetten vielen, maar het systeem wankelde nooit, in tegenstelling tot andere westerse landen. De versnippering en tribalisering van de politiek zorgde er volgens Sarah de Lange soms voor dat kiezers strategischer gingen stemmen. „Linkse kiezers bezorgden zo de PvdA een grote overwinning in 2012, omdat zij niet wilden dat de VVD de verkiezingen zou winnen.” Wel is die steun veel vluchtiger, want partijtrouw is drastisch afgenomen.

Armen Hakhverdian, politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, zegt dat de jaren 10 wereldwijd een grote democratische terugval lieten zien. „Zo’n tien jaar geleden beleefden we een piek in de democratisering. Sindsdien is een terugval ingezet, met name in grote democratieën als de VS, India en Brazilië. Het gebeurt niet met staatsgrepen. Maar in de VS zie je hoe via kleine stapjes de democratie om zeep wordt geholpen, bijvoorbeeld door de manier waarop kiesdistricten worden hertekend.”

Nederland is aan de golf van autoritarisme ontsnapt, zegt Hakhverdian. Paradoxaal genoeg juist omdát het politieke landschap zo versnipperde. „Daardoor zijn kiezers minder blind voor de tekortkomingen van hun partij. Ze kunnen overstappen naar een gelijkgestemde partij. Bovendien is de macht niet meer geconcentreerd bij één partij. Zo beschouwd is de fragmentatie een blessing in disguise gebleken: de internationale antidemocratische trend is aan Nederland grotendeels voorbijgegaan.”

‘De internationale antidemocratische trend is aan Nederland grotendeels voorbijgegaan’

Dat Mark Rutte in zo’n verdeeld land al sinds 2010 de onbetwiste minister-president is, en daarmee voor stabiliteit zorgde, is volgens Armen Hakhverdian „het grote raadsel van deze tijd”. „Ergens is het typisch Nederlands: we hebben de afgelopen 35 jaar maar vier premiers gehad. Ze polariseren meestal niet, is het idee, en worden meestal sympathiek gevonden. Zo’n pragmatisch imago kleeft ook aan Rutte.” Dat is wonderlijk, zegt Hakhverdian. Achter het beleid van de kabinetten-Rutte ging wel degelijk een ideologie schuil, die van het neoliberalisme.

Ook andere politicologen hebben eigenlijk geen antwoord waarom het uitgerekend Mark Rutte is die dit decennium heeft gedomineerd. Rudy Andeweg: „Rutte is een technocratisch bestuurder in de traditie van Kok en Lubbers. Hij depolitiseert het debat. Voor Rutte pakt dat goed uit, maar hij heeft wel bijgedragen aan de geleidelijke verzwakking van het politieke midden. Coalitiepartners worden opgegeten. Het CDA en de PvdA zijn die klap nog lang niet te boven.”

De populariteit van Rutte, en de stabiliteit van de VVD, zijn allebei eindig, zegt Armen Hakhverdian: „Nederland kent lange premierschappen die altijd dramatisch eindigen voor de grootste regeringspartij. Het CDA na Lubbers, de PvdA na Kok en opnieuw het CDA na Balkenende stortten allemaal in aan het einde van hun regeerperiode. „Het zou een unieke prestatie zijn als Rutte en de VVD zich hier in het volgende decennium aan konden onttrekken.”