Opinie

Kunst is duur, laat musici niet zelf de rekening betalen

Armoedegrens

Commentaar

Nederland is een bloeiend muziekland. Alleen al de Randstad kent vijf uitstekende symfonieorkesten. Het Concertgebouw in Amsterdam is een zaal waar in New York en Londen jaloers naar wordt gekeken. De Nationale Opera wordt internationaal geroemd als smaakmakend huis.

Maar achter de glanzende façades schift het. De Nationale Opera, de orkesten, talloze kleinere ensembles – ze moeten het mede hebben van freelance musici. En met die groep gaat het helemaal niet goed.

Driekwart van de freelance musici in Nederland verdient minder dan 18.000 euro bruto per jaar: de helft van een modaal inkomen. 42 procent verdient zelfs minder dan 9.000 euro. Dat is ruim onder de armoedegrens, die in Nederland is vastgesteld op 12.468 euro voor een alleenstaande.

De gevolgen zijn schrijnend. Een kinderwens wordt uit liefde voor het vak uit- of afgesteld. Onzekerheid, niet alleen over werkgelegenheid, is een zekerheid. Voor pensioensparen of een arbeidsongeschiktheidsverzekering ontbreken veelal de middelen, terwijl musiceren op topniveau een hoog blessurerisico kent.

De kwetsbare positie van musici haalde dit jaar meermaals het nieuws. Gratis toegankelijke lunchconcerten in het Concertgebouw eisten van de musici dat ze gratis optraden. Freelance koorzangers van De Nationale Opera stapten via de Kunstenbond naar de rechter voor gelijkere rechten: collega’s in loondienst verdienen het dubbele, en zij hebben wél zekerheid.

Lees ook dit artikel over freelance-musicien hun inkomenspositie

De Wet arbeidsmarkt in balans (WAB), die volgende week in werking treedt, zal de situatie enigszins rechttrekken. Wie werkt als payroller, wat geldt voor de meeste freelancers in symfonieorkesten, krijgt dezelfde arbeidsvoorwaarden en rechtspositie als collega’s in loondienst. Maar niet alle freelancers zijn payrollers.

Minister Ingrid van Engelshoven (Cultuur, D66) maakte van ‘fair practice’ een actiepunt voor het komend Kunstenplan (2021-2024). Belangenvereniging Kunsten ’92 berekende daarvan de kosten: voor ‘eerlijke’ betaling van alle freelance kunstenaars bij rijksgesubsidieerde instellingen alleen al, zou ten minste 25 miljoen euro per jaar extra nodig zijn.

Zoals kunstsocioloog Hans Abbing schreef in zijn studie Why are Artists Poor? komt de grootste gift voor de kunst van „kunstenaars die bereid zijn voor een laag inkomen te werken. Ze […] subsidiëren hun activiteiten in de kunst met eigen geld of geld afkomstig van een bijbaantje. Ook de gift van partners is vermoedelijk zeer groot.” Volgens Abbing biedt subsidieverhoging geen soelaas: die leidt niet tot hogere inkomens, maar tot meer kunstenaars. Kunsteconoom Pim van Klink signaleerde een vergelijkbare tendens. Het aantal kunstenaars groeit los van de vraag van het publiek of de beschikbare financiële middelen, omdat het kunstenaar-zijn zelf een behoefte is. Dat verklaart ook waarom veel musici (en meer zzp’ers in vergelijkbare, vrije beroepen) zich met een zeer laag inkomen tevreden stellen.

Maar een eerste stap op weg naar herstel van de balans tussen prijs en kwaliteit lijkt nu toch gezet. Musici verenigd in het vorig jaar opgerichte Platform voor Freelance Musici zijn bereid van concerten af te zien om eerlijker honoraria af te dwingen.

Podiumkunst is duur, en wordt alleen maar duurder. Die rekening moet niet door de musici worden betaald. Lage honoraria miskennen niet alleen hun opleidingsniveau en professionaliteit, ze bedreigen uiteindelijk ook de hoge kwaliteit van ons muziekleven.